zondag 15 juni 2014

Donker Zeeland

Hiernaast een kaartje met de nachtelijke lichtvervuiling in de Benelux. Zeeland komt eruit als een groen-blauwe oase in een stedenring van de Randstad, Brabant en Vlaanderen. In de reflectiecommissie voor de Zuidwestelijke delta waar ik een paar jaar geleden deel van uit mocht maken heb ik het plaatje laten zien om aan te tonen dat toerisme en landbouw in Zeeland zich kunnen onderscheiden met rust, ruimte en donkere nachten.

Dat ik dit hier opnieuw opvoer, komt omdat ik afgelopen week een artikel van Willem van den Broeke las in het blad Zeeland, de uitgave van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
Van de Broeke is een gerespecteerd historicus en schreef bij de presentatie van deel 4 van de mooie serie boeken Geschiedenis van Zeeland een artikel "Zeeland 1814-1914; een provincie met potentie in plaats van een provincie in de periferie'.
Dat deel 4 bevat op de voor- en achterkant portretten van de 'Domburgse school" schilder Ferdinand Hart Nibrig van een boer en boerin van Zoutelande. Ik vond dat een geweldige keuze: de plattelandsboer en boerin, maar ook de opkomst van toerisme met Domburg en zijn kunstenaars als een van de voorlopers.Van de Broeke denkt daar anders over, alweer die nadruk op landbouw. Natuurlijk heb ik er een tikje een zwak voor, er liggen familiewortels in Zoutelande.

Het punt van Van den Broeke is dat het argument dat de provincie in de periferie zich zou moeten concentreren op groen en blauw geen recht doet aan de interne dynamiek. Nu was de periferie niet het argument voor het concurrentievoordeel van het imago van rust en ruimte, hooguit een oorzaak daarvan, maar dat terzijde.
Helaas (of gelukkig) overtuigt het artikel mij niet. De auteur laat scheepswerf De Schelde terecht buiten beschouwing omdat die tot stand kwam met steun van de overheid. Wel ten tonele wordt gevoerd de calicot ondernemingen: de weverijen van katoentjes voor Indie die in de 19e eeuw door heel het land werden opgericht. Maar ook dat was gebaseerd op overheidsingrijpen, de gouverneur van Zeeland regelde een quotum bij de minister van Kolonien, de fameuse Van den Bosch (van Frederiksoord faam, neem ik aan). En vervolgens was er een Twentse ondernemer die op basis van die afzetgarantie het wel aandurfde. Maar later weer vertrok waarna de zaak instortte.
Het tweede voorbeeld van dynamiek ligt in de aanleg van kanalen en spoorwegen, en hoewel toen deels met privaat kapitaal, zit toch zulke infrastructuur dicht tegen de overheid aan. Blijven er nog twee voorbeelden over. Allereerst The Vitrite Works Ltd uit Middelburg. Vitrite was een zwarte, glasachtige vulling voor lampenvoeten. Het vestigde zich in Middelburg om Engelse patentrechten te omzeilen, en omdat daar al eenzelfde bedrijf van ene Johan Boudewijnse was, die van het patent gebruik maakte. Die zou de Vitrite overnemen toen het failliet ging. In 1914 werkten er 450 mensen en die hadden ongeveer de helft van de Europese productie in handen. Maar gebrek aan messing, relatief hoge arbeidskosten en aandeelhouder Philips verhinderden verdere expansie.
Het laatste voorbeeld is de cokesindustrie in Sluiskil. Die werd in 1911 opgericht door Franse industrielen uit Lotharingen, die zich wijselijk minder afhankelijk wilden maken van het Ruhrgebied door in Sluiskil steenkolen in cokes om te zetten en via het spoor Terneuzen - Mechelen (en verder) naar Lotharingen te transporteren. In 1913 ging de fabriek open, in 1914 moest ze door WO I alweer sluiten. De analyse van de industrielen zat in de goede richting, maar was niet goed genoeg.
Overigens werd de cokesfabriek opgezet als een coöperatie "omdat het hier ging om de stichting van een kapitaal-intensief bedrijf [..], zo konden diverse geinteresseerde partijen bij de financiering betrokken worden". In de coöperatietheorie leren we tegenwoordig dat een van de problemen van deze rechtsvorm juist het aantrekken van kapitaal is, de leden willen liever hogere (of in dit geval bij inputs: lagere) prijzen voor hun producten dan winst en een tegengesteld belang tussen de gebruikers-eigenaren en de financiers is lastig in de internal governance. Hier had dus moeten staan "omdat de ondernemers als een verlengstuk van hun Lotharingse staalindustrie ook cokes wilden maken werd voor de coöperatievorm gekozen". Onduidelijk is of de ondernemers zo dachten (en of dat toen de stand van denken over deze ondernemingsvorm was) of dat Van den Broeke deze onjuiste verklaring te berde brengt.
Enfin, van mij mag Zeeland industrialiseren (en doet dat rond Sloe en het Kanaal van Gent naar Terneuzen), maar de interne dynamiek van de 19e eeuw overtuigd niet als het om industrieel ondernemerschap gaat. Teveel gebaseerd op overheid en niet-Zeeuwse ondernemers, alleen bij de Vitrite scheen een tijdje het licht. Ik zie vooral meer in de rust en ruimte voor landbouw, toerisme en in zo'n omgeving zich thuisvoelende zakelijke dienstverlening en creatieve industrie richting die industrie die al als een cirkel om het gebied ligt. Maar je weet het nooit: afgelopen week besteedde The Economist in zijn Technology Quarterly bijna een pagina aan LUXeXcel uit Goes, dat lenzen print. Om met een STERspotje te eindigen: De provincie had (terecht) een miljoen over voor een mooie geschiedenisbeschrijving, misschien moet een wat kleiner bedrag worden uitgetrokken voor een economische toekomstverkenning.
Een reactie plaatsen