maandag 30 mei 2016

zondag 29 mei 2016

GLB na 2020, the powerpoint

In aanvulling op het bericht van maandag, hieronder, over ons GLB na 2020 rapport: voor de Europese collega's heb ik een presentatie op Slideshare gezet die ik eerder dit jaar in Brussel en Parijs gebruikte om de resultaten te bediscussieren. Zie alhier
Met aan het eind een fotootje van hooibalen die ik een paar jaar geleden op IJsland nam, om ons er aan te herinneren dat er een decentralisatietendens gaande is als het om EU beleid gaat.

maandag 23 mei 2016

GLB na 2020

Terug naar nu. Vrijdag stuurde de Staatssecretaris ons rapport met suggesties voor de toekomst van het GLB naar de Tweede Kamer. Hierbij de link Gezien het interview van zaterdag met Van Dam in de NRC zijn de ideeën bruikbaar voor de discussie.

zondag 22 mei 2016

Terug naar Overschie

Gisteravond dineerden we in Brasserie de Waalhaven, die niet ligt waar de naam suggereert dat hij ligt, maar langs de landingsbaan van Zestienhoven, en daar de historie van de roemruchte grasbaan op Zuid levend houdt. Het starten en landen van de vliegtuigen gaat er sneller dan de bediening, dus het was een prima plek om ons in de historie van het gebied te verdiepen. Een van mijn disgenoten was de boer die er tot ca. 1970 zijn bedrijf uitoefende.
Het is een gebied met een boeiende landbouwgeschiedenis. Overschie (waarvan de oude kern net aan de andere kant van de A13 ligt en waar een zeer interessant historisch museum is: Museum Oud Overschie) was heel lang het centrum van de spoelingsveehouderij. De spoeling was tot de komst van de industriële alcoholproductie het restproduct van de jeneverstokerijen in Schiedam dat per boot, nog warm en met enige alcoholdamp, dagelijks werd aangevoerd voor de koeien en varkens. Het maakte zeer grote bedrijven mogelijk, van soms wel 200 koeien. Deels ook voor de vleesexport naar Engeland. Een van de grootvaders (ene Cornelis Rodenburg, "bouwman"" te Overschie) van de mensen die 100 jaar geleden bij de OLTM betrokken waren, verdiende ooit eens een fors kapitaal door de pech te hebben aan te komen in Londen met een boot vol vee op het moment van een staking van havenarbeiders. Goede raad was duur want er was ook niet genoeg veevoer voor de terugtocht. Verzin een list, en dat werd aanlanden in een haventje tussen Londen en Harwich, waarna het vee met inzet van de scheepsbemanning in de nacht naar Londen werd gedreven. Daar zaten de abattoirs door de staking op aanvoer te wachten en lag er dus een schitterende deal.  Terug in Rotterdam werd de bemanning en knechts ruim beloond, en resteerde een zeer mooie winst. Naar verluid heeft de veehandelaar echter nooit meer een voet in Londen durven zetten, bang voor een confrontatie met de dokwerkers.

Mede op basis van de mest van al die dieren ontstond er in Overschie ook een tuinbouwgebied, met grote kassencomplexen. In 1917 werd de OLTM, de Overschiesche Land- en Tuinbouw Maatschappij opgericht (niet te verwarren met de afkorting OLM.; die zou later veel bekender worden door de naam van de Overijsselse standsorganisatie van het KNLC).

De geschiedenis is mooi beschreven in een boekje van Mariette Kamphuis en Anne Mieke Becker dat in 2009 verscheen bij de lancering van het Park Zestienhoven dat tussen de gelijknamige luchthaven en de Overschiese Kleiweg wordt gerealiseerd (Park Zestienhoven: 16 hoven, 2 polders, 1 park, 1800 woningen) - afgezien dan van het feit dat ze de oprichting van de OLTM in 1907 (pagina 30) dateren, maar bovenstaand gebrandschilderd glas, nu te zien in het museum Overschie, laat er geen twijfel over bestaan)
Het begon met drie gebroeders de Kroes (hun naam zou later in destructor de GEKRO terugkomen, daarbij waren ook nog 2 zonen van een van hen betrokken) die een tuinderij begonnen compleet met rails waarover de groenten met lorries naar de ringvaart werden afgevoerd voor verder transport naar de stad. De zaken gingen zo goed dat de 18 ha waarmee ze begonnen, flink kon worden uitgebreid. De gedachte was hun eigen productie maar ook die van anderen gezamenlijk af te zetten en te exporteren. Uiteindelijk beheerde de OLTM 500 ha, waarvan 160 in eigendom en teelde o.a. bonen, erwten en kool. In de polder Rijs en Daal verschenen ook verwarmde kassen voor tomaat en komkommer. Naast de tuinderij waren er 300 stuks rundvee en 3000 mestvarkens (het eufemisme vleesvarkens is van veel later datum).
En toen kwam de eerste wereldoorlog waarmee de export aanvankelijk problematisch werd. De tuinderij verkopen lukte ook niet. Besloten werd tot de bouw van een fabriek voor het verwerken van de producten in gedroogde vorm, zoals bouillonblokjes en soeptabletten. Die werden onder andere aan de man gebracht met het argument dat het brandstof in de huishouding bespaarde (het was de tijd van brandstofschaarste en zelfs klompendistributie). Er was een mooi contract met het Nederlandse leger, dat nog tot een rechtszaak leidde omdat het af zou lopen bij het einde van de oorlog en de partijen het er begrijpelijkerwijs niet over eens waren of de wapenstilstand van 1918 ook als zodanig al telde.
De fabricage was ondergebracht in de zgn. Primulafabrieken aan de Bovendijk 132. Er was een laboratorium met een "chef-chemiker". Maar na de oorlog kwam de klad er in, er was een landbouwcrisis door terugvallende vraag en grotere productie (in de andere Europese landen keerden de mannen terug van het front en ging de productie weer omhoog). In 1928 werd het grootste deel van de grond verkocht aan de gemeente Rotterdam die toen al grond kocht in naburige gemeentes (Overschie werd pas in 1941 deel van Rotterdam) en dat na de oorlog voor het vliegveld zou bestemmen.

Vervolgens vond het ondernemerschap in 1932 zijn weg in het destructiebedrijf de GEKRO. In genoemd boek over Park Zestienhoven wordt gesuggereerd dat in de leegstaande gebouwen van de OLTM en met de stoomketels van Primula / de OLTM de destructie werd opgestart. Van een oud-commissaris van de Gekro begreep ik gisteren dat de productie toch vooral in gebouwen ernaast werd aangevangen. Er was een strikte scheiding tussen het reine en onreine gedeelte. Het grote OLTM gebouw werd wel gebruikt voor het drogen van bloed. Enfin, wie de luchtfoto's ziet van het complex, ziet een wirwar van gebouwen, met een eigen bedrijfsbrandweer en een groot vrachtwagenpark.
Ik dacht altijd dat de veewet van 1920 een grote rol had gespeeld in de opstart, maar dat is maar deels zo. Zoals Anne-Marie Oudejans in haar boek Categorie 1 over de destructie (hier al eens gesignaleerd) uitlegt, bepaalde die wet alleen dat gestorven vee en slachtafval onschadelijk moet worden gemaakt en niet meer in pestbosjes mag worden begraven. En stelde de gemeente verantwoordelijk. Het was het destructiebesluit van 1942 waarin de Duitse bezetting de destructie echt op poten zetten.
De Gekro oprichters kwamen tot hun besluit omdat ze in de handel in huiden waren gegaan, zo vertelde gisteren de oud-Gekro commissaris aan de nazaten van de familie. Ze hadden dus niet zelf een slachterij. Die huiden kochten ze bij slagers, en daar zagen ze het probleem van de afvoer van slachtafval. Een business opportunity die bij de opening van de fabriek zeer door de gemeentes werd toegejuigd. En die, zo vertelt een hierna te noemen film, onmogelijk was geweest zonder de komst van de vrachtauto's die door heel West Nederland reden, bij het gemeentehuis (waar een boer aangifte moest doen van een kadaver) langs gingen en dan de boer opzochten. (De blog van Anne-Marie Oudejans heeft nog een leuke blogpost over de vestiging in de installatie in Hansweert van de Gekro, waar een vrachtauto een reservewiel verloor).
De Gekro werd na de tweede wereldoorlog booming business. Er is een heel mooi filmpje dat in 1951 met Marten Toonder werd vervaardigd over de koe Theodora die haar veearts verzoekt in een pestbosje bij de familie begraven te worden, en dan een zeer realistische film krijgt van de werking van de destructor en de door het land rijdende Gekro-auto's. En dat het zo mooi is dat met het diermeel uit de destructie deviezen worden bespaard (er was toen een tekort aan dollars). Overigens hoorde ik dat er ook een NCB-versie uit 1955 is, dus hoe dat nu precies gegaan is?
In Park Zestienhoven wordt verteld hoe de stroom van kadavers belangrijk werd aangevuld, zo niet overvleugeld, door de toenemende berg slachtafval van producten die vroeger in de restverwerking als eetbaar werden gezien, maar we nu niet meer nuttigen. In 1988 viel het doek voor de Gekro. De milieuinvesteringen (stankbestrijding) waren niet meer op te brengen, de fabriek was teveel ingebouwd door de stad. Het kwam tot een fusie van de Nederlandse destructiebedrijven die uiteindelijk opgingen in Rendac, via Vion nu in handen van het Amerikaanse Darling Ingredients.

Het mooiste verhaal dat we gisteren te horen kregen was dat over de potvis die in 1937 strandde bij Terneuzen om daarna met een sleepboot naar de Parkhaven in Rotterdam te worden gesleept, daar tentoon werd gesteld zolang de stank het toeliet en toen verwerkt werd bij de Gekro in Overschie. Op haar weblog over de destructie in Nederland  heeft Anne-Marie Oudejans een fraai bericht uit het Algemeen Handelsblad opgedoken, Het maakte landelijke indruk, gezien de foto's uit de Limburger Courant. Zie hier het verhaal. Mogelijk dat er nog wat van de botten in Naturalis zijn te bewonderen.

zaterdag 21 mei 2016

hypotheses rond de korte keten

Deze week was ik enkele malen in gesprek over het duurzaamheidsplatform van de provincie Zuid-Holland waarin veel aandacht lijkt te worden besteed aan de transitie naar de korte regionale keten (je hebt ook hele korte mondiale ketens)
Wat maakt deze ketens zo interessant. Daar zou eens iemand goed onderzoek naar moeten doen, maar ik noteer alvast wat hypotheses voor zo'n onderzoek:

  • Er is een nieuwe doelgroep van mensen in de stad die wat te besteden hebben en kwalitatief hoge producten (vers, met een verhaal) willen hebben
  • Idem rond duurzaamheid waarbij soms het misverstand speelt dat kort en regionaal ook duurzaam is in milieutermen. Dat valt nog maar te bezien
  • We hebben wat genoeg van de globalisering en zoeken identiteit, die is vaak streekgebonden, daar liggen wortels
  • Boeren zoeken naar een licence to produce, landbouw is nu een keer milieuvervuilend en dus is het aantrekkelijk de afnemer daarover voor te lichten en medeverantwoordelijk te maken.
  • zorg voor geopoltiek en dat internationale markten uit elkaar vallen, zodat we ons zelf moeten voeden
  • als innovatiemechanisme op duurzaamheidsproblemen als milieu, waarbij dan transport als een probleem wordt of er meer waarde door beleving wordt gecreerd zodat er een duurzamere techniek met hogere productiekosten kan worden toegepast.
  • om dat ICT tot lagere transactiekosten leidt en je zo makkelijker het probleem van de last mile op lost en ook kleinschalige belevering aantrekkelijker wordt
  • En je zo ook weer functies kunt bundelen tegen lage kosten (de fietsenmaker die ook koffie gaat verkopen)
  • ICT maakt het ook mogelijk een formule die in 1 stad succesvol is, naar andere steden als franchise formule te exporteren. Je hoeft niet meer de oesterzwammen te exporteren, je kunt de bedrijfsformule exporteren en daar toch aan verdienen zodat dat de investering in de pilot aantrekkelijker maakt (de spin off is groter)

woensdag 18 mei 2016

dinsdag 17 mei 2016

Future of Technoogy

STT vertaalde het rapport Van autonome robots tot zilte aardappels  (waar ik indertijd aan mee mocht doen)  in het Engels. Hier is de link. Overigens komt Teagasc deze week ook met een rapport.

zondag 15 mei 2016

de kracht der gewoonte

Vorig jaar kreeg ik de pocket The Power of Habit van Charles Duhigg, en afgelopen weken las ik het uit. Het boek trekt belangstelling want ook in een airport-bookshop zag ik een stapel liggen (of moet je dat interpreteren als dat er geen belangstelling is?).
Duhigg beschrijft hoe wij leven op basis van gewoontes (en dat is maar goed ook) en hoe die worden gevormd: een cue (de auto tanken), een routine (een chocoladereep van bij de kassa meenemen) en een beloning (lekker snoep). Met natuurlijk aandacht voor het feit hoe de industrie probeert die gewoontes te vormen, lang leve de nudging.
Mooie voorbeelden uit de luchtverfrissers (Febreze van Procter en Gamble dat alle stank weghaalt maar waaraan een luchtje moest worden toegevoegd om het een succes te maken als airspray na schoonmaken kamer), en de casino's (waar je bepaalde mensen verslaafd kunt maken door vaker een net-niet-win te programmeren in de fruitautomaat in plaats van een niet-win) maar ook uit de big data van Target (de fameuze case van het voorspellen van zwangerschap met de ten onrechte boze vader), compleet meet een rudimentair datamodel.
Maar er zijn ook mooie toepassingen in de organisatiesfeer: hoe sportcoaches en Starbucks hun mensen trainen, en hoe Paul O'Neill Alcoa omturnde door alleen op veiligheid te sturen, wetende dat dit tot een cultuuromslag zou leiden.
En natuurlijk bevat zo'n Amerikaanse management pocket wat DIY tips voor wie een slechte gewoonte wil afleren. Aanbevolen dus, deze pocket.

vrijdag 13 mei 2016

Spaanse cijfers

Gisteren was ik in Madrid voor een inleiding en sprak er een burgemeester van een kleiner dorp in La Mancha. Duidelijk een bijbaan van deze geleerde. We hadden het over het GLB, mede n.a.v. een inleiding van prof. Lamo de Espinosa over Koning Carlos III die in de 18e eeuw de Spaanse landbouw naar grote hoogte bracht door institutionele hervormingen, investeringen in infrastructuur en vormen van 1 Spaanse markt.
Hij vertelde me hoe vertekend de cijfers zijn over omvang van boerderijen: zijn dorp kent veel oudere boeren voor wie de inkomenstoeslag een leuk bedrag is voor de oude dag. Maar ze zijn te oud voor het boerenwerk. De facto vindt de hele teelt dus plaats door de 3 loonwerkers / service companies in de regio. Die hebben in feite bedrijven van veel honderden ha. Mijn informant beklaagde zich er over dat die jonge boeren die zo'n bedrijf starten dus geen steun krijgen. En dat er door de steunregels aan jonge boeren wel andere jongere mensen zijn die zich vestigen als jonge boer maar eveneens alle werk uitbesteden. Zoals ik  in mijn inleiding al constateerde: de techniek is een grotere drijfveer voor structurele ontwikkeling dan het beleid.

zondag 8 mei 2016

Booming San Franciso

Na dertig jaar was ik dus even terug in San Francisco. Of er nog wat veranderd is, zo vroeg men. Op het eerste gezicht niet: Fishermen's Wharf blijft toeristen trekken, de TransAmerica toren is nog steeds de hoogste (maar niet lang meer), hier en daar komt nog steeds CCR uit de luidspeakers en Chinatown is nog steeds Chinatown. En de Golden Gate was weer in de mist. En zelfs de betere boekhandel City Lights op Columbus Ave is nog steeds in full swing, ondanks Amazon.com
En toch is de stad veranderd. Een veel groter kantorendistrict met wolkenkrabbers, een booming stad die nu officieel duurder is om te wonen dan New York. Met spanningen want de traditioneel in de meerderheid zijnde blue collar workers (de havenarbeiders) worden de stad uitgedreven door het IT-volk en de financiele dienstverleners (en juristen). En overal zoekt men personeel, niet in de laatste plaats koffiebarista's.
Veel nieuwe musea ook. En veel nieuwe nationaliteiten. Mexicanen, Aziaten, maar mijn Uberchauffeurs waren afkomstig uit Oekraine, India en Iran. Overigens dat Uber werkt heel goed, je ziet dus nog maar weinig taxi's in het straatbeeld. En nog maar weinig krantenboxen, die je vroeger op vrijwel elke hoek van de straat trof. De digitalisering laat zijn sporen na in het straatbeeld.


zaterdag 7 mei 2016

In Sillicon Valley

Ik gaf vandaag (voor Nederland: gisteren) een presentatie in Mountain View, California over ons werk in ICT. Voor de 2016AgTech Seminar waar vooral startups en de venture capital industry samen komen. Wij probeerden er de realiteit van de landbouw en de agri-business ketens bij te betrekken. Zo spelen we prima een goede partij mee, zo was mijn conclusie.

woensdag 4 mei 2016

Hoe dichter bij de stad, hoe beter de oogst

Het belang van de stad wordt op het platteland nog wel eens onderschat. Of wellicht beter gezegd: het belang van goede logistiek - in Nederland met goedkoop watertransport al eeuwen een vanzelfsprekendheid.
In Afrika is dat wel anders. The Economist had 16 april een survey over business in Africa en citeerde een studie uit 2010 van Africa Country Infrastructure Diagnostic, een project van de Wereld Bank.
Die studie constateerde dat boeren op 4 uur afstand van een stad van 100.000 inwoners maar 45% produceerden van wat hun land zou kunnen opbrengen. Bij 6 uur valt dat al terug tot 20% en bij 8 uur zelfs maar 5%. De formulering suggereert dat rekening gehouden is met het feit dat steden vaak historisch ontstaan zijn op de betere gronden en dat dus echt is uitgegaan van de yield gap gegeven grondsoort en klimaat.
De afstand maakt het niet alleen moeilijk om je producten te verkopen, maar ook om goedkoop kunstmest, zaden en andere benodigdheden aan te schaffen. Of om krediet te verkrijgen. Wat voor boeren geldt, geldt overigens ook voor andere beroepen.
De boodschap is helder, investeren in logistiek is soms een van de betere vormen van investeren in landbouw en ontwikkeling. Kanalengraver Koning Willem I wist dat ten faveure van o.a. Brabant overigens ook al.

dinsdag 3 mei 2016

Renaissance platteland

Twee weken geleden gaf ik een presentatie over het beheer van het landelijk gebied. Over de vraag of je daar de verdienmogelijkheden kunt vergroten door een andere governance. Staat nu op SlideShare

maandag 2 mei 2016

Lijstje: 5 methoden waarmee computers leren

Sinds tijden weer eens een lijstje. De NRC van afgelopen weekend wijdde de wetenschapsbijlage aan de computer als autodidact. Dat leidde tot een lijst van 5 methoden waarmee computers leren, ontleend aan het boek The Master Algotrithm van Pedro Domingos, die denkt dat ze te combineren zijn in dat meesteralgorithme:
  1. redeneren op basis van symbolen (net zoals wiskunde het redeneren met symbolen is)
  2. het brein nabootsen: neurale netwerken, vooral met veel lagen - deep learning
  3. evolutie nabootsen: genetische algoritmes
  4. Baysiaans redeneren
  5. redeneren op basis van analogieën.

zondag 1 mei 2016

TTIP

Mooie observatie van Pascal Lamy over TTIP in de Charlemagne rubriek van The Economist van dit weekend: hij onderscheidt de oude en de nieuwe wereld van het denken over handelsverdragen. Het oude denken richt zich op het openen van markten en het verlagen van tarieven. Dat domineert nog de discussie in de VS (de nieuwe wereld) en daarom is er vooral weerstand in regio's met oude industrieën die tot de verliezers behoorden van NAFTA en de handelsovereenkomsten met China.
De oude wereld Europa is meer bezig met de nieuwe wereld van de handelsakkoorden, die vooral gaan over regels die de handel hinderen, van douaneformaliteiten tot productstandaarden. Daarbij komt de weerstand vooral van consumenten in rijke landen als Duitsland, Oostenrijk en Nederland die vrezen dat hun hoge productstandaarden het loodje leggen.
Mooie observatie die overigens ook betekent dat economen hun modellen moeten aanpassen aan de nieuwe wereld.