zondag 22 mei 2016

Terug naar Overschie

Gisteravond dineerden we in Brasserie de Waalhaven, die niet ligt waar de naam suggereert dat hij ligt, maar langs de landingsbaan van Zestienhoven, en daar de historie van de roemruchte grasbaan op Zuid levend houdt. Het starten en landen van de vliegtuigen gaat er sneller dan de bediening, dus het was een prima plek om ons in de historie van het gebied te verdiepen. Een van mijn disgenoten was de boer die er tot ca. 1970 zijn bedrijf uitoefende.
Het is een gebied met een boeiende landbouwgeschiedenis. Overschie (waarvan de oude kern net aan de andere kant van de A13 ligt en waar een zeer interessant historisch museum is: Museum Oud Overschie) was heel lang het centrum van de spoelingsveehouderij. De spoeling was tot de komst van de industriële alcoholproductie het restproduct van de jeneverstokerijen in Schiedam dat per boot, nog warm en met enige alcoholdamp, dagelijks werd aangevoerd voor de koeien en varkens. Het maakte zeer grote bedrijven mogelijk, van soms wel 200 koeien. Deels ook voor de vleesexport naar Engeland. Een van de grootvaders (ene Cornelis Rodenburg, "bouwman"" te Overschie) van de mensen die 100 jaar geleden bij de OLTM betrokken waren, verdiende ooit eens een fors kapitaal door de pech te hebben aan te komen in Londen met een boot vol vee op het moment van een staking van havenarbeiders. Goede raad was duur want er was ook niet genoeg veevoer voor de terugtocht. Verzin een list, en dat werd aanlanden in een haventje tussen Londen en Harwich, waarna het vee met inzet van de scheepsbemanning in de nacht naar Londen werd gedreven. Daar zaten de abattoirs door de staking op aanvoer te wachten en lag er dus een schitterende deal.  Terug in Rotterdam werd de bemanning en knechts ruim beloond, en resteerde een zeer mooie winst. Naar verluid heeft de veehandelaar echter nooit meer een voet in Londen durven zetten, bang voor een confrontatie met de dokwerkers.

Mede op basis van de mest van al die dieren ontstond er in Overschie ook een tuinbouwgebied, met grote kassencomplexen. In 1917 werd de OLTM, de Overschiesche Land- en Tuinbouw Maatschappij opgericht (niet te verwarren met de afkorting OLM.; die zou later veel bekender worden door de naam van de Overijsselse standsorganisatie van het KNLC).

De geschiedenis is mooi beschreven in een boekje van Mariette Kamphuis en Anne Mieke Becker dat in 2009 verscheen bij de lancering van het Park Zestienhoven dat tussen de gelijknamige luchthaven en de Overschiese Kleiweg wordt gerealiseerd (Park Zestienhoven: 16 hoven, 2 polders, 1 park, 1800 woningen) - afgezien dan van het feit dat ze de oprichting van de OLTM in 1907 (pagina 30) dateren, maar bovenstaand gebrandschilderd glas, nu te zien in het museum Overschie, laat er geen twijfel over bestaan)
Het begon met drie gebroeders de Kroes (hun naam zou later in destructor de GEKRO terugkomen, daarbij waren ook nog 2 zonen van een van hen betrokken) die een tuinderij begonnen compleet met rails waarover de groenten met lorries naar de ringvaart werden afgevoerd voor verder transport naar de stad. De zaken gingen zo goed dat de 18 ha waarmee ze begonnen, flink kon worden uitgebreid. De gedachte was hun eigen productie maar ook die van anderen gezamenlijk af te zetten en te exporteren. Uiteindelijk beheerde de OLTM 500 ha, waarvan 160 in eigendom en teelde o.a. bonen, erwten en kool. In de polder Rijs en Daal verschenen ook verwarmde kassen voor tomaat en komkommer. Naast de tuinderij waren er 300 stuks rundvee en 3000 mestvarkens (het eufemisme vleesvarkens is van veel later datum).
En toen kwam de eerste wereldoorlog waarmee de export aanvankelijk problematisch werd. De tuinderij verkopen lukte ook niet. Besloten werd tot de bouw van een fabriek voor het verwerken van de producten in gedroogde vorm, zoals bouillonblokjes en soeptabletten. Die werden onder andere aan de man gebracht met het argument dat het brandstof in de huishouding bespaarde (het was de tijd van brandstofschaarste en zelfs klompendistributie). Er was een mooi contract met het Nederlandse leger, dat nog tot een rechtszaak leidde omdat het af zou lopen bij het einde van de oorlog en de partijen het er begrijpelijkerwijs niet over eens waren of de wapenstilstand van 1918 ook als zodanig al telde.
De fabricage was ondergebracht in de zgn. Primulafabrieken aan de Bovendijk 132. Er was een laboratorium met een "chef-chemiker". Maar na de oorlog kwam de klad er in, er was een landbouwcrisis door terugvallende vraag en grotere productie (in de andere Europese landen keerden de mannen terug van het front en ging de productie weer omhoog). In 1928 werd het grootste deel van de grond verkocht aan de gemeente Rotterdam die toen al grond kocht in naburige gemeentes (Overschie werd pas in 1941 deel van Rotterdam) en dat na de oorlog voor het vliegveld zou bestemmen.

Vervolgens vond het ondernemerschap in 1932 zijn weg in het destructiebedrijf de GEKRO. In genoemd boek over Park Zestienhoven wordt gesuggereerd dat in de leegstaande gebouwen van de OLTM en met de stoomketels van Primula / de OLTM de destructie werd opgestart. Van een oud-commissaris van de Gekro begreep ik gisteren dat de productie toch vooral in gebouwen ernaast werd aangevangen. Er was een strikte scheiding tussen het reine en onreine gedeelte. Het grote OLTM gebouw werd wel gebruikt voor het drogen van bloed. Enfin, wie de luchtfoto's ziet van het complex, ziet een wirwar van gebouwen, met een eigen bedrijfsbrandweer en een groot vrachtwagenpark.
Ik dacht altijd dat de veewet van 1920 een grote rol had gespeeld in de opstart, maar dat is maar deels zo. Zoals Anne-Marie Oudejans in haar boek Categorie 1 over de destructie (hier al eens gesignaleerd) uitlegt, bepaalde die wet alleen dat gestorven vee en slachtafval onschadelijk moet worden gemaakt en niet meer in pestbosjes mag worden begraven. En stelde de gemeente verantwoordelijk. Het was het destructiebesluit van 1942 waarin de Duitse bezetting de destructie echt op poten zetten.
De Gekro oprichters kwamen tot hun besluit omdat ze in de handel in huiden waren gegaan, zo vertelde gisteren de oud-Gekro commissaris aan de nazaten van de familie. Ze hadden dus niet zelf een slachterij. Die huiden kochten ze bij slagers, en daar zagen ze het probleem van de afvoer van slachtafval. Een business opportunity die bij de opening van de fabriek zeer door de gemeentes werd toegejuigd. En die, zo vertelt een hierna te noemen film, onmogelijk was geweest zonder de komst van de vrachtauto's die door heel West Nederland reden, bij het gemeentehuis (waar een boer aangifte moest doen van een kadaver) langs gingen en dan de boer opzochten. (De blog van Anne-Marie Oudejans heeft nog een leuke blogpost over de vestiging in de installatie in Hansweert van de Gekro, waar een vrachtauto een reservewiel verloor).
De Gekro werd na de tweede wereldoorlog booming business. Er is een heel mooi filmpje dat in 1951 met Marten Toonder werd vervaardigd over de koe Theodora die haar veearts verzoekt in een pestbosje bij de familie begraven te worden, en dan een zeer realistische film krijgt van de werking van de destructor en de door het land rijdende Gekro-auto's. En dat het zo mooi is dat met het diermeel uit de destructie deviezen worden bespaard (er was toen een tekort aan dollars). Overigens hoorde ik dat er ook een NCB-versie uit 1955 is, dus hoe dat nu precies gegaan is?
In Park Zestienhoven wordt verteld hoe de stroom van kadavers belangrijk werd aangevuld, zo niet overvleugeld, door de toenemende berg slachtafval van producten die vroeger in de restverwerking als eetbaar werden gezien, maar we nu niet meer nuttigen. In 1988 viel het doek voor de Gekro. De milieuinvesteringen (stankbestrijding) waren niet meer op te brengen, de fabriek was teveel ingebouwd door de stad. Het kwam tot een fusie van de Nederlandse destructiebedrijven die uiteindelijk opgingen in Rendac, via Vion nu in handen van het Amerikaanse Darling Ingredients.

Het mooiste verhaal dat we gisteren te horen kregen was dat over de potvis die in 1937 strandde bij Terneuzen om daarna met een sleepboot naar de Parkhaven in Rotterdam te worden gesleept, daar tentoon werd gesteld zolang de stank het toeliet en toen verwerkt werd bij de Gekro in Overschie. Op haar weblog over de destructie in Nederland  heeft Anne-Marie Oudejans een fraai bericht uit het Algemeen Handelsblad opgedoken, Het maakte landelijke indruk, gezien de foto's uit de Limburger Courant. Zie hier het verhaal. Mogelijk dat er nog wat van de botten in Naturalis zijn te bewonderen.
Een reactie posten