vrijdag 17 augustus 2012

Mercantilisme

Tot het economische gedachtengoed dat vooraf ging aan de start van de economische wetenschap met Adam Smith behoort het mercantilisme uit de 17e eeuw, vooral in Engeland een onderwerp van pamfletschrijvers en andere denkers. Het is de theorie van de positieve handelsbalans. Een land zou moeten zorgen voor een positief saldo op de handelsbalans.

Dat is per definitie niet voor ieder land weggelegd (er moeten dan andere zijn met een negatief saldo) en op langere termijn helpt het niet ook, want er stroomt geld het land in dat de prijzen doet stijgen (inflatie) en de wisselkoers aanpast, wat tot vraaguitval leidt. Meer principieel is dat het niet de grootste bron van welvaart hoeft te zijn: dat is een goed draaiende binnenlandse economie met veel mogelijkheden tot specialisatie en innovatie.
Lars Magnusson schreef een paper over de stroming (in het boek waar ik afgelopen dagen al meer uit citeeerde) met nog een paar aardige inzichten.

De eerste is dat het mercantilisme niet een echte samenhangende stroming was, en vooral door Adam Smith himself zo is neergezet zodat hij zich er tegen kon afzetten. Maar ook dat de Duitse historische school met o.a. Friederich List (die van het infant industry argument) heeft aangedragen dat het mercantilisme gezien moet worden als een stroming ten tijde van de opbouw van de nationale staat in Engeland en Frankrijk, waarbij men jaloers naar de Nederlanden keek, en waarbij een tijdelijke bescherming van bepaalde sectoren en het verkrijgen van investeringsmiddelen in de staatskas aan de orde waren. Het ging om de ontwikkeling van bepaalde bedrijfstakken door internationale handel. In ieder geval was het mercantilisme helemaal niet zo dirigistisch / colbertistisch als wel gedacht wordt.
De eerste minister van financien van de VS, Alexander Hamilton tapte uit hetzelfde vaatje en ging in zijn teksten met gemak over van de Wealth of Nations naar het infant-industry argument. Daarbij moet bedacht worden dat in de 17e eeuw internationale vrijhandel ook nauwelijks bestond in de huidige betekenis: de grootste winsten waren te behalen met de handel op Indie, India of West-Indie. Dat was handel die om overheidsondersteuning in de vorm van forten, legers en andere infrastructuur vroeg (of een monopolie daarop zoals bij de VOC).

In onze tijd hebben we te maken met neo-mercantilisme in de vorm van de strategische handelstheorie. Lester Thurow, Paul Krugman en Michael Porter (competitive advantage) zijn de namen die daar bij horen. In hun ogen is handel niet alleen verklaarbaar uit comparatieve voordelen (Heckser Ohlin etc.) maar ook een gevolg van historische ontwikkelingen rond schaal, scope, economische kracht en toenemende baten van omvang (increasing return to scale). Vooral in industrieen met veel toegevoegde waarde of kennis leiden investeringen uit het verleden tot verzonken kosten (sunk cost) die een barriere voor toetreding zijn. Wat dan een competitive advantage is, maar volgens sommige aanhangers van de nieuwe handelstheorie ook een argument voor tijdelijke bescherming door nieuwkomers.

En er is dus ook een link te leggen tussen het aloude resp. neo-mercantilisme en ons topsectorenbeleid – slim om je te richten op je sterkste sectoren, maar minder slim als dat ten koste zou gaan van aandacht aan het goed laten draaien van de economie zelf (arbeidsmarkt en scholing, transactiekosten, administratieve lasten, woningmarkt, infrastructuur, bevorderen concurrentie en afbreken monopolies etc.).

Zo is geschiedenis immer weer actueel.

Lars Magnusson: Mercantilism. in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.
Een reactie plaatsen