maandag 26 januari 2015

Experimenteren met samenwerking

Institutes veranderen traag en het opzetten van nieuwe kost tijd. Een mooie illustratie is de opkomst van de Nederlandse zuivelcooperaties. Tussen pakweg 1870 en 1920 was dat 50 jaar lang een periode van experimenteren en daarna zou het nog tot ver na WO II duren voordat de huidige situatie (op een fusie meer of minder na) was uitgekristalliseerd.
Geheel in lijn met de moderne opvattingen dat innovatie in strategische niches aan de rand gebeurt, komen de eerste zuivelcooeperaties op in de kop van Noord-Holland, na 1870. Waarbij vaak akkerbouwers en mestveehouders betrokken waren die door de landbouwcrisis moesten omschakelen naar melkvee en de zuivelbereiding met plezier aan deskundigen overlieten. Het is een van de weinige voorbeelden die ik in het boek van Rommes: Voor en Door Boeren (zie de posts van voorgaande dagen) las waarin je direct de veel verkondigde stelling geillustreerd vind dat de landbouwcrisis leidde tot de cooperaties.
In de rest van Holland was er nauwelijks belangstelling. Consumptiemelkers voor de steden hadden er weinig voordeel bij en die kring rond de steden werd na WO I nog groter door de groei van de steden en de komst van de vrachtauto (ook een interessante samenhang, zie Caoroline Steel).
Boeren die goede kwaliteit kaas (of boter) maakten hadden ook al weinig te verwachten van de fabrieksaanpak van de cooeperaties die werd geassocieerd met een gemiddelde tot matige kwaliteit. Alleen daar waar de boterkwaliteit matig was en er door handelaren veel met boter werd gerommeld en gemengd, soms ook nodig vanwege de kleine partijtjes van individuele boeren, was de cooperatie een welkom instrument. De boterwet was pas van 1904 en het lijkt er dus op dat de kwaliteitsproblemen in de Engelse markt met boterkwaliteit (en menging met margarine) vooral door de cooperaties is gepareerd.
Dat gebeurde dus vooral op de zandgronden en in de Veenkolonien. Maar ook in die gevallen ging het niet van een leien dakje. Boerderijtjes moesten niet te ver van elkaar staan vanwege het transport met (honden)kar of paard en wagen. Dat lukt beter met kleine bedrijfjes. Maar dat levert weer geen grote hoeveelheden melk die bv. voor stoomfabrieken nodig warren. En in Friesland speelde bijvoorbeeld dat kleine boertjes als pachter te weinig zekerheid hadden om zich lang te commiteren. Daartoe werd een constructie bedacht dat verpachters ook lid konden worden en dan hun recht op melkleverantie konden overdragen aan bv. hun pachters en een wat hogere pacht konden vragen.

Verder hadden cooperaties ook nadelen voor sommigen of brachten veranderingen mee: de boerin verloor haar werk maar daarmee ook haar status en soms eigen inkomsten uit de zuivelbereiding. En er waren boeren die mestkalveren of varkens hielden op basis van de ondermelk. En de centrifuges in de fabrieken roomden beter af met als gevolg dat de opbrengsten uit de neventak terugliepen. Er waren cooperaties die deze discussies voorkwamen door leden te verbieden om mestvee te houden  (waartoe ook melk werd achtergehouden). Zolang melk niet gepasteuriseerd werd droeg het terugleveren van ondermelk (dat verdween met de komst van melkpoeder) ook bij aan verspreiding van ziekte zoals runder-tbc.
De fabriekjes hadden vaak heel wat melk nodig. Daarbij hielpen dus afstanden tussen verspreide boerederijen niet. En ook vetes tussen dorpen en buurtschappen hielpen niet in de samwnerking. Hier en daar had men zelfs nog last van de tol-posten die nog niet overal verdwenen waren. Veel cooperaties waren dan ook gedwongen om ook melk van niet-leden te verwerken.

Het lijkt vooral de technologie die de cooperaties hebben veroorzaakt. In het zuiiden waren het de handcentrifuges die kleine dorpscooperaties aantrekkelijk maakten. Pater Van den Elzen was voorstander van die kleinschaligheid waarin concurrerende dorpen elkaar niet de tent uitvochten.
Elders en uiteindelijk overal won de stoomfabriek. Daar was dan weer veel geld voor nodig. En het management moest geprofessionaliseerd in een directeur, veelal een een Friese boerenzoon die Bolsward had gedaan.
Die financieringsproblemen maakte dat de notabelen (vaak toch al betrokken bij het lot van de boeren) er financieel instapten. Zoals in het beroemde Lonneker de Enschedese textielbaronnen als Ter Kuile en Van Heek. De niet-leverranciers vertrokken daar pas in 1920.
Ook in Frielsand met zijn grotere boeren was het, overigens volstrekt onverwachts, de stoomfabriek die de cooperatiegeesten deed opbloeien. Dat begon in Warga en daarna ging het snel. En het gedrag van particuliere handelaren en fabrieken hielp.
De zwakke positie van cooperaties in die begintijd blijkt ook uit het feit dat particuliere investeerders en cooperatoren beiden actief waren. En een cooperatie die failliet ging nog wel eens doorging als NV (ook voor rekening van een of een paar boeren) en verschillende cooperaties een particuliere fabriek overnamen. De optimale organisatievorm was verre van duidelijk.
Overigens was voor de zuivelbereiding in de fabriek vanaf dag 1 ook grote hygiene op de boerderij nodig, en die zou wel eens terugkunnen lopen als je het effect ervan op de zuivelproductie niet meer merkte. Cooperaties kregen dan ook meteen het recht tot inspectie van veestapel, melkemmers etc.

Kortom, een leerzame episode. Niet alleen voor wie nu in ontwikkelingslanden probeert dit kunstje te herhalen. Maar ook over hoe we over een eeuw mogelijk terugkijken op onze tijd waarin we 50 jaar experimenteren met duurzaamheidslogo's en kwaliteitssystemen.

Een reactie plaatsen