dinsdag 20 januari 2015

investeren in cooperaties

Interessant in Rommes' boek over cooperaties (zie de blog van gisteren) zijn ook de regionale verschillen. Ik wist dat cooperaties in West Nederland minder populair waren en schreef dat toe aan het feit dat er goed werkende markten in de steden dichtbij waren. Rommes noemt die verklaring ook maar komt nog met een paar andere die interessant zijn. De eerste is dat er minder aan collectieve veeverzekeringen werd gedaan. Dat was typisch iets voor kleinere boeren c.q. landarbeiders die er belang bij hadden om de schade van de dood van dieren te delen (als 1 van je twee koeien dood gaat is de schade relatief groot). De grotere veehouders, zoals je die op de veen- en kleigronden vond, vonden dat niet nodig. Ze poolden een deel van de risico's intern.
Daarmee samenhangend: het westen had veel consumptiemelkers die hun melk in de steden afzetten. Die ruimden minder productieve dieren (en dus ziekelijke beestjes) sneller op dan de boeren op zandgronden die voor de fabriek of de eigen boter- en kaasproductie gingen en ook meer aan dubbeldoelkoeien (met een vleesdoel) hingen.
En tot slot: er waren veel zelfkazers die een hoge kwaliteit kaas of hoeveboter (om eens een Vlaams woord te gbruiken) maakten. Die leverden dat zelf aan handelaren of markten en hadden minder behoefte om melk te leveren aan gezamenlijke kaas- of boterfabrieken die een minder goede kwaliteit product afleverden.

Dat brengt ons ook bij het investeren in cooperatieve fabrieken. Dat ging om grote bedragen, zoals in de strokarton en suikerbieten. Rommes laat zien hoe belangrijk het cooperatief denken in de Veenkolnien was, waar watertransport hielp bij het efficient aanleveren van kunstmest.  De in vergelijking met de zandgronden vrij grote oppervlaktes van akkerbouwbedrijven aldaar (en ook in het Zuidwesten) die bovendien veelal in eigendom waren (in tegenstelling tot bv. grond in Friesland) diende als onderpand.
De winstgevendheid van de productie, zo rond de eeuwwisseling, in strokarton, aardappelmeel en suiker hielp enorm om de grote investeringen op te brengen c.q. leningen te verkrijgen. Op zich zou je denken dat dan ook kapitalisten wel fabrieken neer zouden zetten. Dat deden ze ook, en ook als eerste. Maar ze overspeelden vaak hun hand en zetten kwaad bloed door kartelvorming. Of door contracten die als unfair werden gevoeld zoals het verstrekken van zaaizaad voor bieten op basis van suikergehalte en uitbetalen op basis van kilo's. Dat riep een tegenactie op.
Een reactie plaatsen