zaterdag 1 maart 2014

bobbies

Het grootste duurzaamheidsprobleem van de Nieuw Zeelandse melkveehouderij mag dan de waterkwaliteit (stikstof-vervuiling) zijn, er is ook nog een dierwelzijnsprobleem: dat van de stierkalfjes. Die beestjes, die de Nieuw Zeelanders Bobby / Bobbies noemen, worden maar 4 dagen oud. En dat is dan nog omdat de regels zo zijn.

Vrouwelijke kafjes worden door boeren aangehouden om de omvang van de melkveestapel in stand te houden. En er is een aantrekkelijke markt voor fokvee omdat de sector uitbreid en vooral vanuit China. Daar wil men graag Nieuw-Zeelands fokmateriaal.
Maar de stierkalfjes zijn een probleem. Hoewel de meeste koeien cross-bred zijn, is er blijkbaar bij de vleesveehouders geen belangstelling om deze kalveren tot os op te laten groeien. En dus hebben de dieren geen ander nuttig gebruiksdoel dan in het honden- en kattenvoer. Een bobby van vier dagen brengt maar 25 NZ$ (pakweg 15 euro) op.
Bij sommige boeren wordt het daarmee ook een ding, waar niet al te best mee om gesprongen wordt. Tijdens ons bezoek rapporteerde de pers een situatie bij een Nieuwzeelands bedrijf in Chili waar werknemers de bobbies met hamers hadden afgemaakt. Ophef als gevolg, ook over de vraag of dat afstraalde op de sector in Nieuw Zeeland. 

De problematiek is dus vergelijkbaar met die van de eendagskuikens in de leghennenhouderij in Europa, waar de mannelijke kuikens ook geen waarde meer hebben voor de vleessector. Voor de stierkalfjes hebben we in Europa de vleeskalverindustrie als bestemming. Die moeten we dus wellicht uit dierwelzijnsoverwegingen meer koesteren dan we nu doen. 
Een reactie plaatsen