zondag 22 januari 2012

Rational optimist


Economen worden er nog wel eens van beticht dat ze het niet eens kunnen worden, maar biologen lijken daar ook last van te hebben. Na Jared Diamonds Collpase (zie de vorige blogs) las ik The Rational Optimist, een bestseller uit 2010 van Matt Ridley, ook een bioloog. Maar misschien geldt mijn indruk alleen voor biologen die over economie schrijven.
Waar Diamond weliswaar verklaart niet pessimistisch te zijn maar toch een sombere kijk op de problemen heeft, begint Ridley zijn boek met een fraai verhaal over hoe het steeds beter gaat met de mensheid. En hij laat even zien wat de werkelijkheid van ziekte, geweld en honger is achter de nostalgische beelden van bv. het landleven van honderd jaar geleden, of het leven in (de sloppen van) de grote steden. Dat alleen al is het lezen waard, maar het boek is bovenal een mooi overzicht van de evolutie van de mens en de creatie van welvaart.
Economie dus, en Ridley gaat zover dat hij veronderstelt dat de mens geworden is wat hij is, juist door economie en ruil. Dat begint bij de uitvinding (adoptie is wellicht een beter woord) van het vuur. Door vlees te koken of braden is er veel minder tijd nodig voor vertering. Dat zorgde voor verkleining van ons maag- en darmstelsel ten gunste van de groei van de hersenen.
Zo’n 100.000 jaar (en misschien 200.000 jaar) geleden was er een groepje Afrikanen die over ging tot ruilhandel. Misschien wel ook vanwege dat vuur en het koken. Want vuur is moeilijk aan te krijgen maar daarna makkelijk door te geven. En ook de resultaten ervan: een stukje extra [marginaal !] vlees in de pot kook je zo mee, daarmee kan een moeder langer en beter voor haar kind zorgen en de arbeidsspecialisatie is geboren. Vrouw is aan kind gebonden en zorgt voor het verzamelen van groente en fruit, mannen zijn voorzien van in ieder geval enig eten en kunnen langer op jacht voor af en toe vlees, en hebben bij een langere jachttijd ook meer succes. Man en vrouw specialiseren zich (bij de Neanderthalers gebeurde dat niet) en ruilhandel is een feit. Dit gebeurde ook in groepsverband, maar ook los daarvan is het het onderscheiden criterium voor Ridley ten opzichte van dieren. Die kennen wel reciprociteit (you scratch my back, I scratch yours, en ook werkverdeling binnen de familiekolonie, zoals mieren) maar geen ruilhandel waarin het ene goed tegen het andere wordt geruild in een beperkte tijdsspanne.
En vervolgens ontstaat er een innovatie-spiraal. Ruilhandel leidt tot specialisatie en in specialistische functies is het eerder zinvol te investeren in werktuigen. Daarmee krijg je een innovatiespiraal. Die is het sterkst in gemeenschappen die groot zijn, met veel arbeidsdeling (kleine groepen verliezen juist vaardigheden, Ridley komt met mooie voorbeelden – ook interessant is de opmerking dat mutaties / systeemveranderingen altijd in niches buiten de mainstream gebeuren). En je krijgt afnemend geweld: handel leidt tot samenwerking tussen vreemden, terwijl dieren elkaar meteen zouden aanvallen. Voor handel is niet alleen vertrouwen nodig, het genereert ook vertrouwen. Juist ook omdat handel geen zero-sum deal is – beide partijen winnen erbij. Sterker nog, het genereert beschaving, dat kun je van totalitaire systemen niet zeggen.
Al die handel zou wel eens gestart kunnen zijn door vrouwen, die bij huwelijk de groep verlieten voor hun schoonfamilie, maar dus ook in hun oude groep veel verwanten hadden die ze konden vertrouwen voor handel.

Landbouw
Ridley geeft ook een mooi overzicht van het ontstaan van de landbouw, op verschillende plekken in de wereld min of meer tegelijk: doordat na de ijstijd het klimaat stabieler werd, wat een voorwaarde is wil het risico niet te groot zijn. En het ontstond in het Midden-Oosten bij handelsnederzettingen (steden is een te groot woord), waar tot dan toe op verzameld materiaal werd geleefd (inclusief brood bakken). Dat is geen toeval: daar was er behoefte aan, verzamelen van granen leverde niet meer genoeg op. Landbouw hoorde bij de stad, het platteland bleef nog even verzamelen en jagen (aan dat laatste kwam een eind omdat er door de landbouw meer tijd beschikbaar kwam om te jagen en soorten werden uitgeroeid). De volgende stap was dat de landbouw echte steden mogelijk maakte.
Steden die bestonden door specialisatie en dus handel. Ridley trekt de conclusie dat dat goed ging zolang het bestuur contact had met de handel als bron van welvaart en daarvoor de instituties leverde. Maar veelal ontstond vroeg of laat een zelfstandige klasse van bestuurders, keizers, koningen die niet alleen rents naar zich toe trokken, maar wier conspicous consumption, veroveringsdrift en administratieve lasten de handel en specialisatie bezwaarden. Ineenstorting is hier niet het gevolg van externalities en uitputting van hulpbronnen, maar verkeerd gebruikte macht (hoewel elders in het boek Ridley wel stelt dat tot de industriele revolutie de groeikernen stuk liepen op uitputting, resp. oplopende kosten (bomen moesten verder weg worden geveld) en dat Engeland daar onderuit gekomen is door kolen te gaan stoken).
Na zo’n ineenstorting moest iedereen weer terug naar meer zelfvoorziening in het dorp of het klooster en liepen steden leeg. Maar dat waren dan vaak ook weer periodes van uitvindingen, veelal in andere regio’s. Ridley geeft in een notendop een overzicht van de wereldgeschiedenis met handel als leidend thema.
In al deze beschrijvingen gaat Ridley de discussie niet uit de weg. De “nostalgie voor modder” bij sommige westerlingen past zo wie zo niet, net als food miles. Prima dat steeds meer mensen in de stad wonen, dat is prima voor het milieu en de natuur en de mensen zijn beter af in de krottenwijken dan op het platteland – daarom kiezen ze er ook voor. Landbouw is (of in ieder geval was) hard werken voor weinig geld. Biologische landbouw gebruikt teveel areaal en gaat ten koste van natuur. Biologisch-vegetarisch vind Ridley helemaal inconsequent vanwege de noodzakelijke mest. En hij heeft een overtuigend verhaal over biotechnologie, ook in biologisch: daardoor komen we van de bestrijdingsmiddelen af en bt werd er ooit gebruikt. Verder ziet hij weinig in alternatieve energie en zeker niet in biobrandstoffen: we moeten de vierkante meters per persoon verminderen, willen we 9 miljard mensen huisvesten bij de huidige productiviteit, en dus niet vermeerderen met iets wat nuttige grond beslaat, of dat nu windmolens, zonnecel-farms laat staan biobrandstoffen zijn.
De Malthusiaanse problematiek van overbevolking is er in het verleden vaak geweest (het leidde ertoe dat Japan afstand deed van technologie zoals trekdieren en ploegen: te duur, arbeid was goedkoper) en de industriele revolutie met arbeidsbesparende technologie hebben we vermoedelijk te danken aan het feit dat Engeland ook Amerika had, als emigratiebestemming voor goedkope arbeid en als graanleverancier (zodat de wet van de dalende meeropbrengsten niet toesloeg). Wat Malthus mogelijk over het hoofd zag, zo redeneert Ridley, is dat het aantal kinderen per gezin een economische beslissing is. Als vrouwen vrij in hun keuze zijn (en opgeleid) en een redelijke zekerheid hebben dat hun kinderen in leven blijven, blijft het bij een paar. Zeker in de stad in een omgeving van welvaart, waar kinderen al snel een luxe consumptiegoed zijn, waar ze op het land veel goedkoper want al snel een productiemiddel zijn.
Verder bespreekt de Brit Matt Ridley kritisch alle onheilsvoorspellingen en milieuzorgen die dagelijks over ons heen gestort worden. De fout die we maken is teveel uit te gaan van extrapolatie en “als we zo doorgaan”,  waarmee innovatie (en mogelijk de steeds snellere innovatie) wordt genegeerd. We leven niet in een evenwichtssituatie maar in een van dynamische verandering. Wat betreft het klimaatprobleem is zijn kritiek dat het vooral een probleem is als de hele wereld veel rijker wordt (en de technologie niet schoner), maar in dat geval is er in 2100 ook veel geld om de effecten op te vangen. Dus kun je nu je geld beter aan malaria-netten besteden. En ach, de wereld heeft eerder een paar graden warmer overleeft. Daar zal niet iedereen het mee eens zijn.
Enfin, dit boek is een fraaie economische geschiedenis van de wereld en een optimistisch tegengeluid bij alle onheilsvoorspellingen (heeft iemand je de laatste 50 jaar verteld dat we nu veel beter af zouden zijn dan in 1960, 1970, 1980, 1990 en zelfs 2000?). Zeer sterk aanbevolen. En dat geldt in het bijzonder voor Wageningse studenten die iets met biologie hebben gedaan (en iets van economie willen weten of niet te eenzijdig milieukunde willen studeren) – het boek is een leuke manier je in economisch denken te verdiepen.

En de luistertip uit Cyprus: het is nog geen 2 voor 12 - It's 5 o' clock Aphrodites Child
Een reactie plaatsen