woensdag 18 januari 2012

Collapse


Uit de bibliotheek van ongelezen boeken nam ik Jared Diamond’s Collapse ter hand. Het boek is uit 2005 en toen veel besproken en geprezen resp. bekritiseerd. Ik kocht een paar jaar geleden in de VS de vuistdikke Penguin-editie voor half geld. Tijd om het ook eens te lezen en een eigen mening te vormen.
De bioloog Diamond begint zijn expose in Montana. Een mooie manier om lezers in het probleem te trekken van externalities: veel mijn-, bos- en (marginale) landbouw die negatieve effecten op natuur en recreatie hebben. En tegelijkertijd in sommige streken exploderende grondprijzen omdat Californie er gaat rentenieren. Mooie beschrijving van hoe een melkveevallei dan een paardenvallei wordt en wat oud- en nieuwkomers er van vinden.
Daarmee is Montana niet een maatschappij die aan uitputting van resources ten onder gaat. Het verandert alleen, en heeft het geluk dat de vervuilende mijnbouw vervangen kan worden door recreatie. Bovenal is het probleem met dit voorbeeld dat er niet zo iets is als een geisoleerde Montana-samenleving. Die is veel te veel geintegreerd in de Amerikaanse. En die verdwijnt niet als we Montana teruggeven aan de buffels.
Ik was er in de jaren 80 en toen vierden sommige plaatsjes in het land van de big sky hun centennial. Essayisten maakten zich niet populair maar werden wel serieus genomen in pleidooien de marginale graanteelt te stoppen en het land terug te geven aan de buffaloes. Met andere woorden als je zo’n streek verlaat, net als wanneer je delen van Finland of het Centraal Massief weer bebost (na 100 resp. misschien wel 1000 jaar) stort daarmee niet de Amerikaanse, of Finse of Franse (laat staan Europese) samenleving in.

Paaseiland
Wat dat betreft is de case van Paaseiland beangstigender. Vooral als je hem samenvat in economische termen, wat Diamond maar beperkt doet: het issue is hier vooral het fout lopende beheer van (een) common pool resource (s). Het eiland was ooit sterk bebost met de grootste palmboom ter wereld.  Dat bos leverde de polynesische immigranten hout op voor zeewaardige kano’s (met zeil, zo waren ze er in een dag of 17 ook gekomen, en een eiland herken je op 200 mijl afstand aan de vogels, wat niets afdoet aan de hoogstaande navigatiekunst van de Polynesiers) voor de visvangst, voor de bouw, om de grote beelden te transporteren en hun doden te cremeren.
Maar dat bos werd volledig gekapt voor die doelen, en het eilandsbestuur was niet sterk genoeg. Er waren 11 of 12 clans die ieder over bepaalde resources (de vulkaan, bepaalde groeven, de beste kanoplaats en dus vis, de landbouwgrond) beschikten en blijkbaar goed samenwerkten / handelden. Zo was er een surplus van 25% aan voedsel die kon worden besteed aan de voorouder cultus met de beelden. Tussen de clans ontstond een rivaliteit van wie de grootste had. Terwijl wij kathedralen bouwden, richtte men op Paaseiland beelden op. Maar toen op Paaszondag  5 april 1722 Jacob van Roggeveen het eiland ‘ontdekte’ was er geen boom meer over en waren de meeste beelden neergehaald. Het eilandbestuur en de religie hadden een militaire coup met steun van het volk niet overleefd toen de economie ten gronde ging.  Na het tipping point (een term van na 2005) van de economie op het eiland met de top van zijn productie (als je de negatieve waarde van het bomen vellen er even buiten laat) ging het zeer snel bergafwaarts. De coup bracht blijkbaar onvoldoende nieuwe instituties die de vrede konden handhaven. Oorlogen tussen de clans waarbij elkaars beelden werden neergehaald / verwoest (en die toch al bij de oude cultuur hoorden) waren frequent. Kannibalisme een vorm van overleven.

Maya’s
Minder gedetailleerd bevat Collapse nog een aantal van dergelijke cases. Zoals het Bounty eiland Pitcairn, de Anastazi in New Mexico en de Maya’s. Allemaal culturen in enigszins marginale omgevingen (verweg van het centrum waar ze mee handelden en afhankelijk waren, zoals Pitcairn), op marginale gronden (zoals de Anastazi en in zekere zin ook de Maya’s in Copan). Voor deze gemeenschappen had Malthus een punt: ze groeiden groot onder achteraf gezien gunstige omstandigheden, bouwden een bovenlaag van instituties op met luxe paleizen en een heersende klasse, maar ook met nieuwe uitvindigen. Vervolgens werden de externe effecten te groot, of er ontstond een periode van klimaatsverandering (droogte) die tot gevolg had dat de bevolking te groot was, dus honger leed. En instituties wisten zich niet of onvoldoende aan te passen en gingen over tot meer oorlogsvoering dan voorheen (ofwel landje pik om resources aan te vullen). C.q. een coup leidde niet tot een nieuw regime dat het probleem met een goedkopere organisatievorm wist op te lossen. En dat stort na zo’n tipping point de zaak snel in.
Een reactie plaatsen