woensdag 27 juli 2016

Imperfectie in markten

In het Interbellum ontstaat er een hele groep economen die vraagtekens zetten bij de analyse van de perfecte markt van volledige mededinging. Ze zagen in de praktijk wat anders. Marcuzzo wijdt er in het boek van Samuels et al een hoofdstuk aan.

Zo was er Sraffa, die constateerde dat bedrijven maar zelden of nooit hun productie niet uitbreiden omdat de kosten per eenheid oplopen. Het is het gebrek aan meer vraag die de groei tegenhoudt. Vervolgens Joan Robinson die de theorie van gemiddelde en marginale kosten flink uitbuitte in een tool box met oligopolies, monopolies, monopsonien e.d., en zo met de constatering kwam dat voor een markt in evenwicht zou moeten gelden dat er geen toe- of uittreders meer zijn en dat een dubbele eis geldt: niet alleen dat marginale kosten gelijk zijn aan marginale opbrengsten maar ook de gemiddelde kosten en gemiddelde opbrengsten gelijk aan elkaar moeten zijn.
Ook Kahn en Chamberlin deden ieder een duit in het zakje. Chamberlin kwam met de monopolistische concurrentie: iedere aanbieder is een monopolist van zijn eigen product dat onderscheidbaar is van andere producten. De mate van concurrentie hangt dus af van de substitutie-elasticiteiten tussen die producten (zo herdefinieerde Triffin het). Waar Joan Robinson redeneerde vanuit verschillen in voorkeuren in de geest van de consument, zag Chamberlin product heterogeniteit als een concurrentie-wapen van de onderneming.
Een reactie plaatsen