maandag 5 mei 2014

Bedrijfsstijlen

Buffercapaciteit is de titel van een boekje dat al een jaar geleden verscheen en dat een van de auteurs, prof. Jan Douwe van der Ploeg me een maandje geleden ter hand stelde toe we beiden een lezing in de melkveehouderij hielden. Hij schreef het met Henk Oostindie en Rudolf van Broekhuizen.in een coproductie met Alfa Accountants, die voor de data zorgde.
Het bedrijfsstijlen-onderzoek was bij mij een tijdje van de radar verdwenen, dus het is aardig daar weer eens een studie over te lezen. Tenslotte zijn er allerlei manieren van boeren (fokkerij-gericht, veel gebaseerd op eigen ruwvoer, machine-gericht, you name it). Deels aansluitend bij eigen competenties in relatie tot de natuurlijke en andere omstandigheden. Soms ook familie-traditie. En boeren hebben daar (soms sterke) opvattingen over. Dat brengt het sociologische aspect binnen: het gaat ook over normen en waarden, over hoe er geboerd moet worden.
En dus zijn de stijlen robuust: de studie concludeert dat de bedrijfsstijlen die in het tijdvak 1985 - 1995 werden beschreven, nog steeds teruggevonden worden. Geen vervlakking dus. Wel blijkt nu de vermogenspositie van bedrijven veel bepalender dan toen, een herkenbare ontwikkeling. Vreemd vermogen helpt om de bedrijfsgroei te versnellen maar kan het zwaard zijn waarin het bedrijf ten onder dreigt te gaan, zo concluderen de auteurs.

Er zou dus meer over vermogen moeten worden gesproken en geadviseerd. Dan zou het m.i. ook moeten gaan over vermogensaanwas, zoals die tot uiting komt in prijsstijging van grond en de herwaardering daarvan op de (bedrijfseconomische) balans. Ik heb daar in de jaren 80 al voor gepleit en in de LEI rapportage van die tijd wat aan laten doen. Hier ligt nog een uitdaging voor een volgende boekje.
In Buffercapactiteit gaat het ook om kengetallen. Waar ooit het LEI zich richtte (voor bedrijfsvergelijking in operationele sfeer) op berekende kosten en netto bedrijfsresultaat (mooie kengetallen voor een kapitalistische kijk op het bedrijf, zo schreef een Franse promovendus in de jaren 80 eens op) lieten de accountantskantoren uit de zuinigheid zich beperken tot dat wat de fiscus eist en richten zich vooral op Fiscale winst als kengetal.
Beide zijn steeds meer opgeschoven naar inkomensbegrippen (toegevoegde waarde, gezinsinkomen uit bedrijf) en cash flow begrippen. Alfa Accountants blijkt HARR te hanteren, een afkorting die ik eerlijk gezegd niet kende, en die staat voor het inkomen beschikbaar voor rente, huur, pacht en afschrijvingen. En voor de eigen arbeid als ik het goed begrijp, want als HARR gelijk is aan de HAR lasten, is er geen inkomen.
De auteurs stellen voor in die HARR de betaalde rente (en huur en pacht neem ik aan) maar weg te laten, zodat overblijft het vermogen om eigen arbeid en eigen kapitaal te belonen. Zij noemen dat buffercapaciteit, in LEI-termen gezinsinkomen uit bedrijf + afschrijvingen. Kengetallen die dicht staan bij de cashflow die beschikbaar is (dat hoeft niet helemaal zo te zijn, aanwas die geen omzet is en voorraadmutaties kunnen betekenen dat de echte cashflow veel lager of hoger is dan dat inkomensbegrip).
De vermogensaanwas die mede de (bij)leencapaciteit vergroot komt daarbij dus nog niet in aanmerking. Opvallend is ook dat we dus richting de cashflow opschuiven, en daarmee kengetallen toevoegen die in de beursgenoteerde kapitalische wereld al lang gangbaar zijn. Logisch zou dan zijn om die stap ook maar echt te zetten en een cash-flow statement centraal te stellen.
In die zin is deze stap dus er ook een van professionalisering en het versterken van het MKB karakter van de sector. Vraag me af of de auteurs zich dat gerealiseerd hebben.

Kortom, mooi boekje om weer eens in de bedrijfsstijlen te duiken en na te denken over bedrijfseconomische kengetallen. Goed dat sociologen en bedrijfseconomen elkaar af en toe eens tegen komen.

Een reactie posten