donderdag 9 mei 2013

lijstje: typen insitituies

Rechtsystemen kunnen door elkaar lopen. Een fameus voorbeeld is het oude Nederlands Indie waar lokale wetgeving, religieuse wetgeving (islam) en Nederlands koloniaal recht gedeeltelijk overlapten. Bruidschatten (in India), drugs en (in de Amerikaanse drooglegging) drank zijn verboden maar bestaan en mensen handelen er in - waarbij soms de maffia het voor het zeggen heeft hoe met de eigendomsrechten omgegaan moet worden.
Kortom co-existentie van eigendomsrechten komt vaak voor - en wordt gezien als een probleem voor ontwikkeling omdat het onduidelijkheid schept. Maar het sechtp ook kansen, zo beargumenteert Stefan Voigt in een paper over dit issue in het hier besproken boek (zie de blog van gisteren).
Hij onderscheidt alleraardigst 5 soorten instituties, ieder met hun eigen type van controle;
1. Conventie, waarbij iedereen uit zichzelf zich aan de regels houdt en dus controle (enforceement) niet nodig is. Het bekendste voorbeeld is rechts rijden. Dit bepaalt het eigendomsrecht van het schaarse goed dat we de Weg noemen. Niemand kan zijn positie verbeteren door links te gaan rijden, en dus is controle niet eens nodig. Het is overigens een Nash-evenwicht, er is ook nog een andere oplossing mogelijk, zoals in Suriname: links rijden.
2. Ethische regel, waarbij de actor uit zichzelf zich aan de regel houdt.
3. Gewoonte (custom), ook een morele norm (net als 2) maar dan afgedwongen door de gemeenschap. Als reputatie belangrijk is, kan dat een zeer machtig controlemiddel zijn (denk aan wat sommige Koerdische vaders doen bij ongwenst gedrag van hun dochter).
4. Private regels, afgedwongen door georganiseerd private regels zoals boeteclausules en arbitrage.
5. Overheidswetgeving, waarbij de staat toeziet op effectiviteit.

Voigt ziet vier soorten samenhang tussen de diverse niveaus:
1. neutraal omdat de regels over verschillende domeinen van ons gedrag gaan
2. complementair omdat de staatsregels en de private regels hetzelfde gedrag uitlokken en langs beide wegen sanctioneren
3. subsitutie: de beide instituties lokken hetzelfde gedrag uit, maar sanctioneren gebeurt maar door 1 van de twee, privaat of via de staat
4. conlicterend: wie zich aan de ene institutie (bv. een traditioneel gewoonterecht of religieus recht) houdt komt in conflict met overheidswetgeving.

Groei van de economie lijkt niet gebaat met conflicterende instituties. Maar er zijn uitzonderingen denkbaar. Zoals de beroemde studies van Herman de Soto in de sloppenwijken van Peru. Het staatsrecht liet het daar afweten als inefficient en er onstonden informele eigendomsrechten die wel werkten en ontwikkeling mogelijk maakten maar juridisch in strijd waren met de wet.
Een reactie posten