maandag 1 april 2013

Robinsonade

Robinsonades lees je niet zoveel meer, maar in het boek over eigendomsrechten (zie de vorige blog) kwam ik een mooie tegen. Eentje die een geloofwaardiger verklaring geeft voor het ontstaan en bestaan van eigendomsrechten dan de cultuur of religie als bron.
Economen gebruiken denkmodellen die de werkelijkheid versimpelen om tot de essentie door te dringen. Een mooie vorm is de Robinsonade waarin we ons verplaatsen naar de situatie van Robinson CrusoĆ« op zijn onbewoonde eiland. Als daar alles gratis voor handen is (net als bij ons zuurstof), dan is er bijna geen economisch handelen (“Bijna”  omdat ook Robinson keuzes moet maken: ga ik kokosnoten plukken en schillen, of vissen of lekker op het strand liggen?).
Welnu, zijn er in zo’n situatie eigendomsrechten – als je aan niemand iets kunt verkopen?  Het antwoord is nee. (Juridisch misschien wel, maar economisch niet: een recht is niet tot waarde te brengen bij gebrek aan kopers).
Dan verschijnt Vrijdag ten tonele. Verandert dat de zaak? Als er geen schaarse goederen zijn, is het antwoord ook nee: Robinson kan niets iets doen dat een conflict met Vrijdag oplevert omdat die in zijn gebruik van goederen wordt belemmert. Zo’n conflict kan alleen ontstaan als iets schaars is.
Pas bij een conflict moeten er regels komen om conflict-vrije samenwerking mogelijk te maken: wat is van jou, wat is van mij? Zonder potentiele conflicten (en dus schaarste) hebben eigendomsregels geen zin.
Maar ook in deze tuin van Eden zijn er twee schaarse zaken: het fysieke lichaam van een persoon en de plaats waar hij/zij staat. Daarvan hebben Robinson en Vrijdag er allebei maar 1, en het zou kunnen zijn dat Robinson wil staan waar Vrijdag staat, of andersom. En dus moet er een regel komen voor sociale orde.
In de Robinsonade is de voor de hand liggende (en juiste) regel: iedereen mag zijn lichaam op een plek neerzetten waar hij maar wil, als er maar niet al iemand anders staat. Wie er het eerst was heeft een recht en opgestaan, plaatsje vergaan.
En zo werk het in de grote wereld met meer schaarstes: wie als eerste door arbeid in de meeste ruime zin van het woord een goed of plek in bezit neemt die nog niet van iemand anders is, is eigenaar en vanaf dat moment kan er alleen vrijwillig (via contracten) worden overgedragen (geruild).
Er zijn geen echte alternatieven. Als je niet-eigenaar van je eigen lichaam zou zijn (en mag bepalen wat je ermee doet en mee maakt) dan is of iemand anders eigenaar (en dan erkennen we uber-menschen en unter-menschen, plantage-eigenaren en slaven) of iedereen gezamenlijk is eigenaar van ons allen. Zo mondiaal bezit gaat niet werken, want je moet iedereen dan om toestemming vragen om een stap te verzetten en niemand kan die toestemming geven zonder eerst ook weer iedereen toestemming te vragen – je bent immers geen eigenaar van je eigen wil. Mooi werk, zo’n filosofische Robinsonade.
Een reactie plaatsen