maandag 4 maart 2013

Plantages

De laatste blogpost over Suriname (de fotootjes lopen wat langer door) staat stil bij de plantages. Suriname is / was het land van de plantages, voor suiker, koffie, cocosnoten en andere tropische producten. Wie nu over het platteland rijdt komt door dorpjes, die de plantagenamen dragen. In het Nederlands (Meerzorg, Jagtlust, Katwijk, Lust en Rust), in het Frans (door de Franse hugenoten: La Redoute, Chantillon etc) of in het Engels (door de Engelsen en Schotten vooral van rond 1800: Mary's Hope, Friendship).
Lintbebouwing met Javaanse, Creoolse (Afro-Surinaamse) en Hindostaanse huizen en Chinese supermarkten. Oorspronkelijk gebouwd voor de contractarbeiders en ex-slaven met hun eigen "kostgrondje". Bij het verlaten van de plantages zullen die grondjes wel wat uitgebreid zijn als dat voor de zelfvoorziening nodig was. Tussen / achter die dorpen hele stukken verwilderde plantages waar vooralsnog geld en management ontbreekt om op de vruchtbare zeeklei (aangevoerd door de Amazone-stroom, het water voor de kust lijkt in niets op de blauwe Caraibische zee, het is een modderstroom) de landbouw weer ter hand te nemen. Ook de kostgrondjes en kleinere boerderijen worden soms verlaten voor de welvaart van Paramaribo of de Randstad, of dienen nog slechts als woonverblijf met een bungalow betaald met inkomsten uit de stad.
Suikerfabriek Marienburg in verval
Ooit waren er (rond 1750) 500 plantages. Investering 100.000 a 250.000 guldens, prijspeil 18e eeuw. Miljoenen ondernemingen dus. Gefinancierd via de Amsterdamse financiele wereld, wat bij een beurskrach in 1773 tot de eerste problemen leidde. Velen verlieten berooid de kolonie. In 1826 waren er nog 216. Een van de laatste, de suikerfabriek Marienburg, sloot in 1986.
Kapitaal was in Amsterdam goedkoop te verkrijgen (eeuwenlang de plek met de laagste rente), maar arbeid was er in Suriname te weinig. Nog steeds is Suriname met een half miljoen inwoners dun bevolkt. Lang hield men dan ook vast aan de slavernij, ook nadat de handel in slaven internationaal was afgeschaft en nadat bijvoorbeeld het buurland Brits Guyana de slavernij had opgeheven. Hun positie was natuurlijk slecht, hoewel eigenaren geen belang hadden bij hun ziekte of dood. Het hielp ook niet dat de plantage-eigenaren bij winst mooi huizen in Paramaribo bouwden zodat ze dicht bij de luxe zaten en plantage-directeuren aanstelden. Niet alleen leidde dat tot een agency-probleem (doe de directeur wel wat de eigenaar wil), maar ook werden er contracten gebruikt die de directeuren aanzetten tot korte-termijn winst, ten koste van de slaven.
En bij de afschaffing verplichtte men de slaven nog 10 jaar betaald te werken, wat hun positie soms niet verbeterde omdat de plantage geen belang meer had bij het instandhouden van de waarde van de slaaf. Daarna kwamen de contractarbeiders uit Hong Kong en uit India (voor het gemak Hindostanen genoemd, indianen waren er al), en -toen de Engelsen dat verboden- uit Java. Sommigen werden onwetend geronseld en aan boord gelokt voor een verre zeereis. Er was ook nog een mislukt experiment met Groninger en Gelderse boeren, dat niet veel meer opleverde dan de plaatsnaam Groningen.
Plantages waren dus forse investeringen. Het is een organisatievorm die werkt waar lokaal kapitaal en management voor de productie van met name exportproducten ontbreekt, In Suriname liep het uiteindelijk fout op het gebrek aan arbeid. Het wachten is op een forse opleving in de voedselprijzen en dan ligt hier nog land en volop mogelijkheden.

Bron voor historische feiten: Tessa Leuwsma: Suriname (reisgids)
Een reactie plaatsen