woensdag 1 april 2009

Lijstje: Talk Dutch

Vandaag zat ik een stuk in het Engels te schrijven en kwam in een woordenboek een aflevering van de column Over Taal tegen die Camiel Hamans ooit schreef in de NRC. Gedateerd op maandag 4 november 19??. De column ging over het gebruik van het woord Dutch in het Engels. Dat heeft een ongunstige betekenis, het is een scheldwoord uit de tweede helft van de 17e eeuw toen de Engelse zeeoorlogen (onze terminologie) werden gevoerd. Waarin het dus belangrijk was de vijand negatief af te schilderen, net zoals wij later het woord 'mof' voor Duitser introduceerden. Oorlogsvoering vindt op alle fronten plaats, ook die van de taal. En dus kennen we:
  1. Go Dutch: de kosten worden gedeeld
  2. Dutch treat / party / lunch: waarin ieder voor zichzelf betaalt
  3. Dutch feast: de gastheer is nog eerder dronken dan de gasten
  4. Dutch auction: bij afslag, en zoals economen weten haalt de verkoper er dan net wat meer uit dan de koper. Tuinders wijzen er liever op dat het ook sneller gaat dan bij opbod.
  5. Dutch reckoning: grove rekening zonder specificaties
  6. Dutch bargain: een koop die besloten wordt met een goede dronk (en dus niet per se een koopje)
  7. Dutch book: bookmaker die kleine inzetten accepteert
  8. Dutch foil / gold/ leaf / metal: klatergoud of namaak-bladgoud
  9. That beats the Dutch: erg grof, dat is de limit
  10. Dutchman's drink: de forse teug waarmee je in een keer een borrel achterover slaat - dat is weer weinig gierig
  11. Dutchman's headache: dronkenschap
  12. Dutch courage: moed vergaard na drank - jenevermoed schijnt het oude nederlandse woord te zijn maar dat raakt met het verdwijnen van de jenever ook in ongebruik
  13. Dutch defence: slappe verdediging, schijnverweer
  14. Do a dutch: deserteren
  15. Dutch act: zelfmoord
  16. Dutch wife: rolkussen
  17. Dutch widow: hoer
  18. Dutch cap: pessarium
  19. Dutch build: gezet
  20. Dutch nightingale: kikker
  21. Dutch concert / medley: Poolse landdag, kakafonie
  22. Dutch comfort: schrale troost
  23. Dutch crossing: scheef oversteken
  24. I'm Dutch if: ik zal een boon zijn als
  25. a Dutch cheese: iemand met een kale kop, afgeleid van de ronde en glimmende Edammer kaas
  26. Dutch / Dutch clock / my old Dutch: vrouw of moeder de vrouw. Mogelijk een verwarring met duchess of dat net als bij dial [wijzerplaat] de clock slang geworden is voor gezicht.
  27. Dutch uncle: iemand die ongevraagd streng critiseert
  28. To talk like a Dutch uncle: iemand de mantel uitvegen, strafpredikatie houden
  29. Talk Dutch: brabbelen
  30. it's Dutch for me: het is Grieks voor mij
  31. Double Dutch: koeterwaals

Overigens haalden de Engelsen iets dergelijks met de Fransen uit maar die werden niet als slap en gierig maar als oversexed neergezet.

Aanvullingen welkom.
Uit: Camiel Hamans: Over Taal - Dutch in NRC maandag 4 november 19X

Een reactie posten