zondag 18 april 2021

crowd sourcing

Crowd sourcing is als term vrij nieuw en wordt hier en daar fors omarmd. Maar het verschijnsel van de wijsheid van de massa bestaat natuurlijk al veel langer, menselijk gedrag verandert niet door het ontdekken van een verschijnsel in dat gedrag. En dus mag je aannemen dat het ook in de landbouw al lang bestaat.

Wat ik niet wist, en waar the Economist van dit weekend in een artikel over superforecasting op wijst is dat het concept van wisdom of the crowds voor het eerst in 1907 werd beschreven door Francis Galton, een statisticus. Hij wees er op dat als je op een country fair / landbouwtentoonstelling 800 mensen het gewicht van een os laat schatten, dat de mediane schatting dan op 1% accuraat is. 

Dat waren overigens veel voorkomende wedstrijdjes, ik heb het nog wel meegemaakt dat je dan wat moest betalen voor een goed doel om een schatting in te leveren en kans te maken op de door de lokale winkeliers beschikbaar gestelde prijzen, die zo hun zaak de hele dag aangeprezen hoorden -platform economie avant la lettre,

donderdag 15 april 2021

100 jaar De Twentsche Bank

Uit een van de familie nalatenschappen dook ik een alleraardigst jubileumboekje op, dat van De Twentsche Bank, die in 1961 100 jaar bestond. Dat was een van de vele voorlopers van de ABNAmro. Bankspiegel heet het boekje. Geen zwaar jubileumboek over de oprichters en het wel en wee van de bank door de jaren heen, maar een lichtvoetig werkje waaraan tal van bekende schrijvers een bijdrage leverde.

Bert Voeten schreef een gedicht, de in de jaren zestig bekende Harriet Freezer droeg bij met een verhaal net als Ina van der Beugel, Max Dendermonde en Remco Campert ("to be or not to bank"). Erg leuk is de immer humoristische Kees Stip, nu niet met gedichtjes maar met een hele briefwisseling tussen de oplichter Felix Fortuin en gefortuneerde dames (die graag een kaart uit Monte Carlo willen) en waar tussen de bedrijven de boekhouding van Fortuin en de bank wordt getoond. Je ziet het piramidespel ontwikkelen met de impliciete vraag of de multiplieer van een bank ook niet zoiets is. Even humoristisch zijn de 4 pagina's tekeningen van Jo Spier met typetjes die de gerenommeerde bank met een typerende transactie komen bezoeken. Waaronder Boer Smits, pachter van 'Klein Bassink'(wou me net zeggen wat hij komt doen).

Ene J.E. Verwayen schreef een aardig verhaal over de functie van een bank aan de hand van een verhaal over een eiland (met de fruitteler Klokhuis), Prof, d. Jan Pen schreef "ze doen er iets met geld" als uitleg van de geldtheorie waarin hij ook nog even afrekent met Hayek die geponeerd had dat banken liever aan ondernemers lenen dan aan consumenten. En tot slot toch nog een leuk verhaal over de oprichting van de bank, in de tijd dat de textielindustrie het overnam van de lokale huisnijverheid en dat begint met Potgieter die in het stichtingsjaar ter plekke zijn Aan Twenthe, op Twikkel dichtte. 

Mocht je het boekje op een rommelmarkt ergens tegenkomen, dan is een euro voor een paar leuke uurtjes niet teveel. 

dinsdag 13 april 2021

TMR or geared to grass

Vorige week verscheen in Food & Agribusiness (7 april 2021) een interessante column van Henk Schoonvelde, de voorzitter van European Dairy Farmers Nederland. Het blad zet niet alles online, dus in kan niet linken en leg de essentie zo maar even vast (krantenknipsels bewaren is uit de tijd).

Op basis van de Europese cijfers van zijn vereniging schetst hij twee manieren waarop met melkveehouderij nog wel geld te verdienen is. Of je maakt een systeem met heel lage kosten waarbij je koeien voert met uitstekend ruwvoer van eigen bedrijf. De Ieren noemen dat Geared to Grass, ook Nieuw-Zeeland heeft zo'n systeem met betrekkelijk weinig krachtvoer. Bij een melkprijs van 35 cent kun geen 24 cent voor graan betalen.  (voor biologisch kun je met 50 cent nog wel bio-graan van 28 cent uit de Oekraïne halen, maar of je dat moet willen?)

Het andere systeem staat bekend als TMR. Ik moest de vakterm opzoeken. Het staat voor Total Mixed Ration (TMR)-rantsoen. Alle componenten van het rantsoen (ruwvoer en krachtvoer) worden gemengd in een evenwichtig rantsoen. Het resultaat: smakelijk rantsoen, hoge voeropname, goede verdeling van de componenten. Dat wordt gevoerd aan koeien die op stal staan. 

Schoonvelde constateert op basis van de cijfers dat de systemen die tussen de twee uitersten inhangen een probleem hebben. "In het midden zit het slagveld. De constatering is toch wel dat veel Nederlandse melkveebedrijven zich in het midden bevinden". 

Werk aan de winkel dus. Ook beleidsmatig interessant: zal het overheidsbeleid bedrijven richting TMF of richting Geared to Grass duwen?


zondag 11 april 2021

ict advies AER Flevoland


De AgroExpert Raad Flevoland bracht een advies aan het gebied uit over hoe het verder moet met de digitalisering van de landbouw. Hoe profiteren we van elkaars data ? Hier is het advies. Het was een genoegen de discussie te leiden en mee te schrijven. Dank aan alle betrokkenen.


vrijdag 9 april 2021

Boer zoekt buitenland

 Het was hier afgelopen dagen rustig, want ik had de handen vol aan een PC crash. Als er dus komende dagen nog wat fout gaat in de agenda, dan is duidelijk waarom. Enfin, we starten weer op.

Donderdagavond bekeek ik dus tegen mijn gewoonte in Yvonne Jaspers die haar oude date-koppels meeneemt naar het buitenland met boer Bertie aan het stuur. Ik was nooit zo gecharmeerd van het dating programma maar deze uitzending was zeer instructief. Een stel uit de gladiolenteelt ging naar Oost-Duitsland. We leerden dat de gladiolenteelt  in gevaar komt want bij 35 graden in augustus verkleuren puntjes van bladeren bruin en wordt de handel afgekeurd. Ze werden geconfronteerd met een Nederlands-Duitse wijnbouwster die juist garen leek te spinnen bij klimaatsverandering en meer warmte: ze maakte nu ook een goede rode wijn, en Duitse consumenten lijken de Duitse rode wijn te hebben ontdekt. Ze deed ook niet meer aan schaalvergroting hoewel anderen haar wijnbergen te koop aanboden. Ze ging eerder voor verkleining met haar focus op een bio-kwaliteitswijn. Terwijl de gladiolenman ooit na de Wende emigratie had overwogen vanwege de grote oppervlaktes in Duitsland.

Indringender voor de landbouwpolitiek werd het nog bij een geitenboer van Noord-Hollandse origine, wat je aan zijn huis van mijlen ver kon zien.  Die bleek met zo'n 3000 geiten de grootste geitenhouder van Duitsland te zijn, maar haastte zich om uit te leggen dat er verschillende collega's in Nederland veel groter zijn en soms wel 7000 a 8000 geiten melken. Hij meldde een lagere kostprijs in Duitsland: stro was er goedkoper, hij kreeg geld voor zijn mest en wijzende op de ruimte om hem heen wees hij op weinig ziektedruk. Maar hij had wel een nadeel ten opzichte van de Nederlandse geitensector: ondanks de grote vraag naar die kaas in Duitsland ontbrak het aan een goede afzetstructuur en efficiënte zuivelfabriek. Een mooie illustratie van de clustervoordelen in Nederland die -met schaalgrootte- de hogere kostprijs in de houderij blijkbaar goedmaken (en waarbij door vestigingsverboden weinig nieuwkomers zijn).

De broer van de geitenhouder zat inmiddels in de Duitse politiek en dat weerhield hem niet de Nederlandse boeren even zijn waarheid te in te peperen. De waarheid van de geslaagde emigrant: Hij had vroeger de keuze om in Noord-Holland te blijven en wat anders te gaan doen of in Duitsland boer te worden. Iedereen heeft die keuze, en probeer niet het onmogelijke. De druk in Nederland is te groot en inmiddels moet je naar de Balkan of Roemenië. Hij stelde dat de Nederlandse overheid altijd meer voor boeren heeft gedaan dan de Duitse, maar dat ook die overheid naar de wensen van het volk luistert en dat het nu dus gaat veranderen. En dat je op het Malieveld uiteindelijk dis niet gaat winnen. Jaspers vroeg zich af welke boeren er nu nog zouden blijven kijken... Maar goed om zo de discussie wat aan te wakkeren, mijn respect voor het programma nam toe: het was een journalistiekere uitzending dan ik van het romantische format had verwacht.  Verplichte kost gevolgd door discussie for farmers zou ik zeggen. 

dinsdag 6 april 2021

column aardappelen poten

Bij BoerEnBusiness verscheen mijn column voor de maand april. Ik herlas oud onderzoek over aardappelen poten. Hier is de link

donderdag 1 april 2021

AES, / Formatie

Terwijl wij gisteren de paasbreak begonnen met het spotten van elanden in Natuurpark Lelystad, publiceerde de Transitiecoalitie een breed ondertekend stuk om in de kabinetsformatie te komen tot een goede aanpak van een Landbouwakkoord dat inzet op landinrichting 3.0 en daarvoor instrumenten beschikbaar stelt (en geld). Regie over de ruimte als kernprobleem. De Volkskrant ruimde er de voorpagina voor in. Het stuk staat op de website van de Transitiecoalitie waar ook adhesie mogelijk is. Ik had afgelopen maanden het genoegen met een aantal schrijvers (Cees Veerman, Jan Willem Erisman, Willem  Lageweg) voor een grotere groep van ondertekenaars aan dit stuk te schrijven en schaven. Leerzaam dus. Hier is de website

Tussen de elanden kreeg ik ook een mail van de Agricultural Economics Society (AES) dat ze me vanwege de bemoeienissen met EuroChoices benoemd hebben tot Honorary Member. Dat valt niet zoveel mensen ten deel, dus dankbaar voor deze eer beginnen we aan de Pasen. 

dinsdag 30 maart 2021

20 jaar EuroChoices

Afgelopen twee dagen was de jaarlijkse conferentie van de Britse landbouweconomen. Met vanmiddag een sessie ter ere van 20 jaar EuroChoices. Als voorzitter van de Advisory Board hield ik er een presentatie over de rol van social media in de communicatie van onderzoek. De slides staan op SlideShare.

maandag 29 maart 2021

Maandag Mythedag: lange afstandtransport

 Ik zit vandaag via de digitale snelweg op het AES congres in Engeland. En dus was ik van plan maar een kleine bijdrage hier te doen in de maandagreeks over mythes. Wat ligt er dan meer voor de hand dan de stremming van het Suez-kanaal door het containerschip de Ever Given. Ook gegeven het feit dat de witte druiven die ik gisteren van AH op het bord kreeg uit India blijken te komen. 

Ik weet het, het is niet het Europese seizoen voor druiven, maar in India en Chili willen ze er ook vanaf en kunnen ze wat welvaart wel gebruiken. Alle aanleiding dus voor de mythe:

Langeafstand transport belast het milieu en mag daarom in ons voedselsysteem geen rol spelen. 

Blijkt dat ik daar in 2009 al een blogpost over heb gemaakt. Die uitlegt dat er de nodige misvattingen zijn rond regionalisatie van voedsel. En lange afstandstransport in LCA's niet de grootste vervuilende post is. Rij dus niet vanuit Amsterdam naar de Betuwe voor een paar kg appelen, maar koop de met een oceaanstomer aangevoerde Chileense bij de grootgrutter. En al helemaal niet met de oldtimer diesel naar de Betuwe. Tenzij je het straks met de bloemenpracht een toeristisch uitje vindt (in plaats van Bali) en een kistje mee terug neemt. 

Prima dus om te kiezen voor dichtbij productie, maar alleen als die concurrerend is ten opzichte van de producten van verder weg in kostprijs incl. alle externe kosten. Afstand zelf zegt niet veel.

Enfin, ik volsta dus met de link naar het 2009 stuk.

zondag 28 maart 2021

het wortelmuseum


De nieuwste VORK biedt weer boeiende verhalen. Eentje licht ik er uit, een verhaal over twee Vlamingen die zich op #artgenetics hebben gestort. Via burgerwetenschap verzamelen ze foto's van oude schilderijen waarop ook cultuurgewassen staan. Hier is de site 

Ze leggen die expressies van de schilder en van de genetica naast hun genetische modellen van de gewaassen. Dat leert meer over de evolutie, en mogelijk ook over de smaak van het afgebeelde product. Veel materiaal bestaat ook al, ze verwijzen naar het World Carrot Musuem. Grappige website, tikje antiek in zijn opmaak, maar alles over de wortel. 

zaterdag 27 maart 2021

meiden en paardenknechten

Bij mijn oma was er nog één: een inwonende boerenmeid. hulp in de huishouding en bij de boterbereiding. Of er ook nog een inwonende (paarden)knecht was weet ik niet. Zou statistisch gezien moeten, want de meiden (elders ook wel dienstboden genoemd) verdwenen eerder dan de knechten. We hebben het hier over de jaren dertig, toen het huishouden nog veel werk kostte, met grote gezinnen en de boterbereiding nog niet geheel naar de fabriek was verdwenen. 

In de laatste uitgave van Zeeland van vorig jaar (#29.4, 2020) schreef Jan Zwemer een mooi artikel over / met de titel "de inwonende knechts en meiden in de Zeeuwse landbouw tot aan de crisis van de jaren 1880".  Tot nu toe moesten we het doen met de verslagen van de Staatscommissie voor de Landbouw uit 1908 en toen waren al veel meiden verdwenen, de stad bracht meer mogelijkheden. Zwemer keek naar de gezinshoofden- en dienstbodentelling van 1807 en de volkstellingen vanaf 1859.

Net als in West-Brabant was begin 19e eeuw 20% van de bevolking inwonend personeel. We hebben het hier natuurlijk over streken met vrij grote klei-boerderijen die midden in de polders staan. Op zand waren de bedrijven kleiner en was minder personeel nodig. In Overijssel en Gelderland ging het maar om 6 tot 8%. Zwemer constateert dat ook in relatief jonge polders er minder inwonend personeel is. Hij speculeert niet over een reden - was de bezitsconcentratie daar kleiner na de optimale inrichting van een nieuwe polder? Dat lijkt niet de reden, want de bedrijven in die polders waren juist relatief groot. ook enkele dorpen op Walcheren met vrij grote bedrijven (Melis- en Grijpskerke) was het percentage wat lager en beschikten knechts blijkbaar over eigen arbeidershuisjes?

Aan knechts werd overigens geen "loon" betaald, maar "huur". 1 mei was in de regel wisseldag, dan kon men naar een andere boer en van betrekking veranderen. Ook in de middenstand en natuurlijk op schepen kwam het verschijnsel veel voor. Sommige boeren hadden 2, 3 of zelfs wel 4 inwonende knechts.

De naoorlogse crisis van 1818-1825 (na Napoleon dus) leidde tot een behoorlijke afname van de werkgelegenheid voor inwonend personeel. Overigens worden procentuele ontwikkelingen ook vertekend doordat gezinnen groter werden (de econoom in mij speculeert meteen of die kids dan aan het werk werden gezet en je dus een terugslag had van kapitalistische landbouw naar iets meer zelfvoorziening). Het was ook een tijd waarin in West-Brabant veel bedrijven bij de opvolging werden gesplitst (voor Zeeland lijkt dat niet het geval, daar ziet Zwemer eerder concentratie, mogelijk was de opkomst van de meekrap de redding). De inwonende meid zag in die periode een wat minder sterke daling van werkgelegenheid, zij konden vaak niet gemist in de zuivelbereiding. 

Het hoogste percentage inwonend personeel vond je vanaf 1859 overigens in het agrarisch-kapitalistische Groningen. Moderne landbouw ging er samen met bijna 30% van de bevolking die inwonend personeel was. In het stedelijke Holland was het maar zo'n 15%. Vanaf 1850 kwamen de knechtswoningen langs de dijk op. De welgestelde boerenfamilies verburgerlijkten  (tussen 1850 en 1870 was er een economische hausse) en wilden geen personeel meer in huis. Op Schouwen begonnen boerderijen vanaf die tijd ook een naam te krijgen (in bv. ook officiële stukken), een ander voorbeeld van een mentaliteitsverandering met status-component. Het moderne gezin deed zijn intrede. 

na 1879 waren het juist weer de slechte omstandigheden die leiden tot verminderde werkgelegenheid voor inwonend personeel en werd meer gebruik gemaakt van het eigen gezin. De meekrap was vanaf 1873 niet meer lonend, de pachtprijzen waren te hoog om tarwe nog lonend te maken. Vanaf 1878 was er een verdere daling van prijzen, want de aanvoer uit Amerika werd steeds meer opgevoerd. 1879 werd een rampjaar ook door een slechte oogst na een sterke storm met Pinksteren en veeziekte.Verschillende grote akkerbouwbedrijven gingen failliet. Pachters werden van hun bedrijf gezet. In de volkstelling van dat jaar was het percentage inwonende knechts sterk teruggelopen. 

De terugloop was wat sterker bij protestante boeren. Zwemer zoekt de verklaring in een grotere aanhang van het liberalisme in die kringen. Of in een wat latere huwelijksleeftijd bij katholieken in die tijd (zodat er voor het huwelijk meer aanbod is van dienstmeiden en knechten  voor de wellicht ook wat grotere gezinnen aan de vraagkant?). 

Tot slot nog een macro-observatie: demografen zien het inwonen van jong volwassenen wel als een mechanisme om de bevolkingsdruk te verminderen. De huwelijksleeftijd gaat er door omhoog en dus zal sprake zijn van een wat lager kindertal. Of dat dan ook een bewuste intentie was of meer een gevolg?  Het was in ieder geval een belangrijk verdeelmechanisme voor arbeid. Voor met name het vrouwelijk inwonend personeel was het ook emanciperend: men besliste zelf en was weg van de familie. Uit onderzoek blijkt dat ze verder van huis trouwden en ook vaker met een stedeling (omdat ze ook in de stad dienden).  

donderdag 25 maart 2021

Graanloodjes

 

Voor de liefhebbers van administratieve organisatie in de landbouw, besteden we enige aandacht aan graanloodjes. Vermoedelijk een uitvinding uit de Middeleeuwen voor het volgende probleem: er is een belasting verschuldigd (een impost) bij het malen van graan door een molen. De molenaar is echter een uitvoerende persoon, en niet de eigenaar van de molen of degene die de molen(recht) heeft gepacht van de ambachtsheer die het maalrecht heeft. De boer die zijn graan wil laten malen moet dus eerst langs de pachter van de molen om te betalen en moet dan door naar de molenaar voor het malen zelf. Probleem: hoe weet de molenaar nu dat je hebt betaald bij zijn baas?

Daartoe is het graanloodje uitgevonden. Kreeg je bij betaling en moest je inleveren bij de molenaar. Soms kom je dit systeem nog wel eens tegen bij een zelfbedieningsrestaurant of zo: betalen bij de kassa, bonnetje inleveren bij het uitgiftepunt. 

De loodjes zijn pas in 2014 echt gekoppeld aan dit doel en de steden waar ze bij hoorden, Want de loodjes waren er voor tal van steden in West-Friesland (Hoorn e.d.) en ook in Zeeland waren ze in gebruik. Ze melden de stad en de t voor tarwe of de r voor rogge. Grappig. 

bron: M. van der Harst: Graanloodjes uit het slik van Zeeland in Zeeland29.4, 2020

dinsdag 23 maart 2021

De (inverse) eiwittransitie

Meer eiwitproducerende gewassen zoals bonen en erwten in het bouwplan zou volgens sommigen een zegen zijn, ook al zou het voor veevoerdoeleinden zijn. Vooralsnog is import van elders goedkoper en of we nu ook nog een subsidie op veevoer nodig hebben is de vraag. Maar er zit ook een nostalgisch aspect aan. In de lange 19e eeuw, zelfs tot 1940 werden er bijvoorbeeld op Walcheren volop bonen en erwten geteeld, tot wel een kwart of meer van het bouwplan. Walcheren telde in die tijd 6400 tot 6800 ha bouwland, en waar er in 1847 457 ha bonen en 526 ha erwten werden geteeld, was dit in 1914 1180 reps 753 ha. Na WO 1 zakte het areaal wat in, maar in 1938 ging het al weer om 1029 ha bonen en 920 ha erwten, totaal bijna 2000 ha dus. 

In Zeeland werden in de 19e eeuw tal van gewassen geteeld, zoals tarwe, gerst, haver, rogge, aardappelen, vlas, meekrap, koolzaad, maar dus ook witte en bruine bonen. Vooral  het eiland Walcheren stond om de peulvruchten bekend. Daar waren de opbrengsten landelijk gezien vaak het hoogst. Dat werd toegeschreven aan de goed onderhouden akkers. Ook het klimaat zou wel eens een rol gespeeld kunnen hebben. Op de koppen van de eilanden is het nogal eens droog, de buien drijven verder. Vooral witte bonen zijn gevoelig voor het weer: ze hebben veel warmte nodig, en weinig regen. Een oude boerenwijsheid is dat ze aan de dauw wel genoeg hebben. Te veel regen verkleurt de bonen in de peul van wit naar bleekgeel of vlekkerig. Een oud Walchers rijmpje: Mee vee zunne en zeumerweertje, bin de witte boonen 't eertje.

Het waren arbeidsintensieve gewassen, misschien dat dat ook nog meegespeeld heeft. Bij het zaaien moesten er met de hak geultjes worden gemaakt of gaatjes gekapt, waarna veelal de jongens van 10 tot 12 jaar oud het zaaizaad ((twee tot 4 bonen) op een afstand van 3 vingers (5 cm) inlegden. Vervolgens moesten de percelen goed vrij gehouden worden van onkruid tot ze in de zomer oogstrijp waren. Bonenstruiken werden met wortel en al uit de grond getrokken, erwten met de zicht gemaaid, waarbij ze met een pikhaak werden opgelicht. Daarna werden ze op ruiters te drogen gezet. In de 19e eeuw waren die ruiters nog een stok die in de grond werd geslagen en werd een ondergrond van takken gebruikt. In de winter werd er in de schuur met de vlegel gedorsen en daarna moesten de erwten en bonen worden verlezen waarbij verontreinigingen werden verwijderd. Een avondklus die ook veel werd uitbesteed aan arme arbeidersgezinnen die daar wat inkomen uit haalden. 

In de 19e eeuw teelde men vooral de blauwpeulerwt en de Walcherse erwt, resp. een kleine blauwe erwt en een kleine groene. Een eeuw later was de schokkererwt populair. Die herinner ik me ook nog. Bij de bonen ging het om de bekende en geroemde Walcherse kogelboon (bruin). En er was de Walcherse witte. 

Het ging hier in de regel om exportproducten. In de 19e eeuw werden de erwten weliswaar vooral binnenlands afgezet maar was er ook export naar Frankrijk. In de 20ste eeuw ging het vooral om export naar met name Frankrijk en Engeland. De Walcherse witte boon ging aanvankelijk vooral naar Spanje maar na 1820 gingen die zelf meer telen. België, Frankrijk en Engeland werden toen de belangrijke afnemers. Duitsland en Zweden verdrongen daarna Engeland. Ook de bruine bonen waren aanvankelijk vooral voor binnenlands gebruik, maar in de 20ste eeuw werd het een exportproduct naar België, Frankrijk, Duitsland en Zweden. Ik neem aan allemaal voor consumptiedoeleinden, maar daar spreekt mijn bron verder niet over. 

Tot slot: Tot in de 19e eeuw was bijgeloof gemeengoed op Walcheren: om de vier jaar zouden de zaden in een andere richting in de peulen liggen. Dan weer naar de punt en daarna weer vier jaar naar de stengel. Dat had Onze Lieve Heer zo geregeld zodat we niet vergeten dat er om de 4 jaar een schrikkeljaar is. 

Ik ontleen deze kennis aan een fraai artikel van Frans van Driest: Peulvruchten op Walcheren in: De Wete, 39 #1, januari 2010.


maandag 22 maart 2021

Maandag Mythedag: het EU budget

Van tijd tot tijd, bij discussies over het Europese budget, duikt hij weer op. De mythe:

Het Europese landbouwbeleid is onbetaalbaar geworden.

De achtergrond is dat een groot deel van de Europese begroting naar het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gaat. Dat lag ooit boven de 40%, inmiddels is het wel behoorlijk teruggezakt in relatieve termen, maar toch altijd nog meer dan een derde. Voor een sector die pakweg 2% van de economie uitmaakt is dat heel wat. En er zijn natuurlijk heel wat andere doelen waar je het geld aan zou kunnen geven. grensbewaking, onderzoek (gebeurt al), defensie, klimaat, hogesnelheidstreinen, etc. 

Toch is de stelling een mythe, en niet alleen omdat het dezer dagen heel makkelijk blijkt om nieuwe miljarden uit te trekken voor het steunen van de economie. Het landbouwbeleid is een van de weinige beleidsterreinen die echt Gemeenschappelijk mag heten. In de jaren 60 zijn vrijwel alle bevoegdheden overgeheveld naar Brussel. 
De tegenhanger is dan ook dat de Nederlandse begroting voor landbouw de kleinste is van alle beleidsministeries. Sociale zekerheid en onderwijs zijn een veelvoud. Als je de overheidslagen van Brussel. de lidstaten en eventueel de provincies en gemeenten zou consolideren, wordt er betrekkelijk weinig aan landbouw besteed.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat je nog steeds kunt discussiëren over de vraag of het wel efficiënt is alle grondbezitters een bedrag per ha te geven. Evenzo kun je vaststellen dat het in het verleden voor de interne markt en veiligheid van Europa blijkbaar nodig was dit geld via Brussel rond te pompen, maar dat je nu ook kunt afvragen of dat nog nodig is. De interne markt is bereikt, de prijzen geharmoniseerd, vrij verkeer van goederen is mogelijk. Het landbouwbeleid verschuift naar lokaal milieubeleid, betaling voor regionale eco-systeemdiensten en subsidie op innovatie. Wellicht zou je aan een staatssteuntoets genoeg hebben om oneerlijke concurrentie te voorkomen en zou je binnen dat kader Drenthe of Zuid-Holland of Letland of Andalusië zelf kunnen laten besluiten hoeveel geld ze in landschapsbeheer willen steken. En hoef je dus geen geld rond te pompen. Misschien zijn de huidige GLB plannen met hun nationaal strategisch plan wel een klein stapje in die richting. 

Maar voorlopig lijkt dat nog niet echt aan de orde. En omdat andere beleidsterreinen in Brussel populairder worden, zullen we van tijd tot tijd toch nog wel mensen horen zeggen dat landbouwbeleid te duur is. Mythes zijn hardnekkig.