maandag 4 mei 2020

Agrarisch herstel en herverkaveling

Misschien is 4 mei wel een goede dag om even stil te staan bij het herstel van Walcheren na de slag om de Schelde. Uit het Flevolands familiearchief bladerde ik door een rapport uit 1956, geschreven door toenmalige collega's van mijn vader in de Rijkslandbouwvoorlichtingdienst in Zeeland. Er was trouwens ook een Rijkstuinbouwvoorlichtingsdienst, maar dat terzijde.
"Landbouwvoorlichting in de herverkavelingsgebieden" heet het extra nummer van het blad Landbouwvoorlichting uitgegeven door de Directie van de Landbouw. Begin jaren 80 bestond dat blad nog, ik heb er wel eens wat in mogen publiceren, maar dat terzijde.
Het rapport legt uit dat het kabinet in 1947 de Herverkavelingswet Walcheren aannam. Omdat de toenmalige ruilverkavelingswet onvoldoende mogelijkheden bood (het rapport geeft niet aan wat dan het probleem was maar hint op te lange procedures). Na 1953 werd die wet ook van toepassing verklaard op Schouwen-Duiveland, Tholen, de Zak van Zuid-Beveland en Waarde.
Interessant hoe dit samenging met krot-opruiming en het uit de dorpskern plaatsen van boerderijtjes. Zo werd voor St. Annaland (Tholen) een dorpssanering ontworpen. Er stonden in het dorp 273 (sic!) boerderijtjes van gemiddeld 3.4 ha die voornamelijk actief waren in de grove tuinbouw. (St. Annaland was bekend om zijn vroege aardappelen). Die teelten vroegen weinig bewaarruimte, maar er waren ook 13 veebedrijven bij. Er werden 50 nieuwe woningen beschikbaar gesteld om de krotten op te ruimen.
Er is veel aandacht voor bemesting en grondmonsters in het boekje. De boeren moesten blijkbaar hun nieuwe bodems goed leren kennen. De voorlichtingsinstrumenten bestonden uit circulaires, praatavonden, en bedrijfsbezoek (individuele voorlichting)
Interessant is ook dat er voor Walcheren in de Noordoostpolder 3000 ha beschikbaar was gesteld (Walcheren zelf is pakweg 15.000 ha). "Die zijn helaas niet ten volle benut. Algemeen was men in Walcheren erg hokvast en zonder dringende noodzaak was er weinig animo om het eiland te verlaten. Sommige kandidaten trokken zich weer terug, andere werden afgewezen.". Wie goede grond had en eigenaar was, zat niet op een pachtbedrijf in de NOP te wachten, tenzij er een forse bedrijfsvergroting zou plaats vinden. Dat wilde de Directie Wieringermeer (zoals de RIJP nog heette) dan weer niet. Zodat vooral degenen gingen die hun bedrijfsgebouwen zelf moesten herbouwen en dat niet konden betalen, zo stelt het rapport. "Getracht werd om het aantal sollicitanten zo hoog mogelijk op te voeren en veelal was een extra bezoek nodig (onduidelijk is over dat van de voorlichter was of naar de NOP - kjp) alvorens een besluit kon worden genomen".
Na de ramp leek hetzelfde te gelden voor de andere overstroomde gebieden. "Voor het vertrek naar de domeingronden (naast de NOP ook de nieuwe polders in het Sloe (Quarlespolder) en de Braakman) bestond niet overal even grote animo".  en "De overredingskracht moest in sommige gevallen zeer groot zijn, zowel tegenover de boer als tegenover zijn vrouw en soms zijn kinderen:.
Na 1953 vertrokken er 98 grondgebruikers naar de NOP (61 van Schouwen-Duiveland, 24 van Tholen, 7 uit de Zak van Zuid-Beveland en 6 uit Waarde) en ook nog 9 naar de Braakman en 5 naar de Quarlespolder.


Geen opmerkingen: