zaterdag 5 augustus 2017

hoog productieve landbouw is efficient en andere frames

De zomermaanden brengen wat minder management en dat leent zich dan voor het lezen en uit discussiëren van zaken waar het anders helaas niet altijd van komt.  En dus was er gisteren tijd om me maar eens te storten in een discussie over het ecologisch beste landbouwsysteem: biologisch of conventioneel. uiteindelijk bleken discussianten het in buiten twitter omgaande mails aardig met elkaar eens. Ik leer er wel wat van over hoe framing in deze discussies een rol speelt, en dus noteer ik mijn inzichten op dat vlak, want dat komt komende tijd nog meermalen terug.

Aanleiding was een paper met een meta-analyse zoals deze van Clark en Tilman, waaruit ik even een deel van de abstract citeer: A meta-analysis of life cycle assessments that includes 742 agricultural systems and over 90 unique foods produced primarily in high-input systems shows that, per unit of food, organic systems require more land, cause more eutrophication, use less energy, but emit similar greenhouse gas emissions (GHGs) as conventional systems; that grass-fed beef requires more land and emits similar GHG emissions as grain-feed beef; and that low-input aquaculture and non-trawling fisheries have much lower GHG emissions than trawling fisheries. In addition, our analyses show that increasing agricultural input efficiency (the amount of food produced per input of fertilizer or feed) would have environmental benefits for both crop and livestock systems. Further, for all environmental indicators and nutritional units examined, plant-based foods have the lowest environmental impacts; eggs, dairy, pork, poultry, non-trawling fisheries, and non-recirculating aquaculture have intermediate impacts; and ruminant meat has impacts ~100 times those of plant-based foods. Our analyses show that dietary shifts towards low-impact foods and increases in agricultural input use efficiency would offer larger environmental benefits than would switches from conventional agricultural systems to alternatives such as organic agriculture or grass-fed beef.

Dergelijke inzichten leidden tot een tweet dat hoog productieve landbouw ook de duurzaamste is. Tegen de achtergrond dat ook ABNAmro deze week een rapport had waarin werd geconstateerd dat Nederlandse landbouw per kg product door die hoge efficiency duurzaam is.  Ik bond de kat de bel aan door er maar eens overheen te twitteren dat dit per kg product waar is, maar niet noodzakelijk per ha. Wat de repliek oplevert dat dit volgens artikelen als bovenstaande niet waar is, er is immer voor dezelfde voedselproductie bij bio meer ha nodig, en dus doe je (mogelijk) een aanslag op biodiversiteit elders (minder natuur). 

Wat ik leer van een dagje discussie over de gehanteerde frames laat zich het best uitleggen door dit te plaatsen in een debat dat al 200 jaar loopt. Toen had je de visie van Malthus, die in 1798 meende te constateren dat de bevolking harder groeit dan de productie van voedsel aankan en dat je dus tot hongersnoden komt die de zaak weer in balans brengen. De 1-kind politiek of toenemende welvaart helpen, maar dat bleek pas later. Maar je had ook de Franse Markies de Condorcet die het helemaal niet nodig vond om minder vorken op tafel te leggen, je kunt gewoon een grotere taart bakken (in de woorden van Warren Belasco: Meals to come, a history of the future of food). En je had William Godwin die het in het midden hield: het gaat allemaal net als iedereen zich een beetje gedraagt aan tafel.
In moderne termen van een SCAR rapport zou je de Condorcet-school het productivistisch paradigma kunnen noemen en de Godwin-school het sufficiency paradigma

Laat ik beginnen te stellen dat ik mezelf tot dat laatste reken. Er zijn heel veel kansen om het probleem met technologie (genetics, ict, nano) op te lossen, maar het is geen gelopen race dat dit betekent dat Afrika zich over 20 jaar zelf kan voeden. Al was het maar omdat er ook sociale en politieke problemen zijn. Tweede reden is dat er sprake is van overconsumptie met negatieve effecten op gezondheid en kosten van publieke gezondheidszorg, dus enige matiging kan geen kwaad. Er zijn veel signalen dat de westerse mens op zoek is naar regels voor gezond en duurzaamheid (nu de religie dogma's zijn vervallen zoals Rosanne Hertzberger constateerde in Zomergasten) dus laten we dan met Voedselbeleid er ook maar wat van maken. Of andere discussianten gisteren zich tot de productivistische school rekenen weet ik niet maar in Foodlog discussies word dat nog wel eens zo geduid. Dus voor het gemak hou ik die twee frames even aan.

Vanuit de productivistische school is er de neiging om in calorieën te denken, waarbij een vermindering van de efficiënte productie in Nederland (door de Hedwige in natuur te leggen, de Eendrachtspolder in een roeibaan en uitloopgebied van Rotterdam of Flevoland deels biologisch in te vullen) betekent dat de internationale melkprijs wat omhoog gaat, de melk in China en India wat duurder wordt waardoor een aantal mensen armoede of zelfs gezondheidsproblemen houdt of je langer doorgaat met melkproductie in het Centraal Massief in Frankrijk (en minder bebost voor biodiversiteit) of Nieuw-Zeeland aanzet tot wat meer productie met negatieve milieu effecten aldaar en bij de sojateelt in Brazilië. Dit denkschema houdt een visie op wat we in Nederland moeten doen (geen biologisch en vooral voor de wereldvoedselvoorziening produceren) consistent met een wereldvisie dat alles biologisch in de wereld een onjuiste beleidsaanbeveling is (zie het paper hierboven), zelfs als bio de wereld zou kunnen voeden, want dan mis je biodiversiteit door minder ha natuur.  Vanuit deze visie is er ergernis dat de voorstanders van biologisch of streekproducten dit aanprijzen als oplossing voor alle voedselproblemen in de wereld als het nieuwe dogma.

Ik weet niet hoe de rest van de sufficiency school er over denkt, maar het economisch mechanisme dat hierboven beschreven wordt, klopt in theorie en ook ik heb een afkeer van het dogmatische. In delen van Afrika lijkt het me een duidelijke zaak dat kunstmest en bestrijdingsmiddelen wonderen kunnen doen, dat wat meer vlees eten goed is voor de gezondheid en dat de moderne genetica daar gewassen snel kan doen veredelen en aanpassen aan veranderende lokale omstandigheden. Geen subsistence kneuterigheid maar verbinden met internationale markten, ook voor meer welvaart en minder kinderen. 

Maar waarom ik die mondiale conclusies niet zo relevant vind voor het Nederlandse debat ligt in het feit dat delen van de Nederlandse conventionele landbouw juist verantwoordelijk zijn voor milieuproblemen, met name de water eutrophiering (die in het paper hierboven de biologische wordt nagedragen) en de problematiek van fijnstof en zoonosen dicht bij bevolkingscentra. Soms ook in sectoren die meer beschermd en gesubsidieerd zijn dan bv. de biologische. 
Vervolgens hebben we hier te maken met regio's waar veel mensen boer willen blijven en een hoog kennisniveau hebben om een deel of alle chemie te vervangen door management. En er voor natuur (weidevogels) en milieu ook wat moet gebeuren. Als er dan ook nog mensen (om terechte of onterechte reden) wat voor biologisch willen betalen, dan liever wat meer boeren met een inkomen en wat meer lokale natuur, dan wat meer melk, en dan dus maar wat minder melk voor de Chinezen. Waarbij in dat geval mijn inschatting ook nog is dat ze in Noord Zweden en het Centraal Massief wat langer melk kunnen blijven produceren en wij daar weer niet met plattelandssubsidies de verrechtsing in de politiek te lijf moeten gaan omdat het gebied onleefbaar wordt. En dat het verlies aan biodiversiteit tussen die wat extensievere weiden en bebossing maar gering is. Maar dat zou eens iemand moeten uitzoeken. At the margin zijn m.i. die effecten van een kleine ingreep in Nederland niet zo groot, onze bijdrage aan de totale wereldvoedselvoorziening is gering, ondanks de hoge export (incl. doorvoer).

In dat sufficiency paradigma zou dus niet de negatieve effecten moeten worden verzwegen, zo concludeerden we. Maar een verschil is dat in dat paradigma het denken wel veel meer in regionale oplossingen ligt dan in de mondiale problematiek.
Een tweede verschil tussen de paradigma's dat boven water kwam is die van de rol van de consument. In het De Condorcet-productivisme heeft die geen rol, we lossen het via het aanbod op. In Goldwin's sufficiency is dat niet het denken. 
Voedsel is voor de denkers over consumentengedrag ook meer dan fungible calorieën, het hoort ook bij een lifestyle.  Ik ben blij dat (Franse) boeren op minder efficiënte wijze tal van wijnen en kaasjes produceren die mij met vrienden een gezellig avondje doen beleven en het niet alleen fabrieksbrie of -gouda is met standaard Merlot. Net zoals je van mij een grote BMW mag rijden of twee keer per jaar intercontinentaal vliegt, als je daarvan dan maar de kosten (ook de maatschappelijke) betaalt (en daar zit ook bij vliegen een probleem) en niet claimt dat je goed voor de natuur bezig bent. 
Nu is bij biologisch natuurlijk de vraag of er voordelen zijn van gematigde consumptie. Bij sommige consumenten is dat zo, die letten zeer op duurzame voeding wat zich bijvoorbeeld ook uit in minder vleesgebruik. Bij anderen is dat vermoedelijk (is er onderzoek ??) niet het het geval, die kopen het vanwege (vermeende) smaak of zorgen over bestrijdingsmiddelen in babyvoeding of in relatie tot allergieën. Of uit status. En sommigen als daad van verzet tegen de conventionele (intensieve) landbouw, als bijdrage in een transitie.

Dat brengt me bij het derde aspect waar de discussie tussen beide visies langs elkaar heen gaat. De productivistische benadering kijkt op mondiaal niveau naar een evenwichtssituatie: waar moet het op uitkomen. Daar staat een activistische  transitiekijk tegenover. Als het in Nederland duurzamer moet dan is het geen gek idee een signaal af te geven dat we geen gangbare melk of aardappelen kopen maar biologische en we zo wat meer geld voor voedsel uitgeven en boeren een toekomst geven in een ander systeem. Of waarbij je dan wel makkelijker een schaalgrootte van 500 koeien (zoals ik in de bedrijfsrapportage over Weerribben zuivel zag) ingepast in het nationale park dat een regio is, mogelijk maakt. In die laatste kijk zou de communicatie en discussie niet moeten gaan over het feit dat biologisch wat minder efficient met resources omgaat, maar dat er regionaal juist de nodige problemen zijn met het conventionele systeem, en dat dat in het productivistische frame uit de weg wordt gegaan onder het motto dat moeten we achter de schermen met techniek ook nog even oplossen als een regionaal probleem waar de andere kant ze verwijt dat dat nu al te lang niet lukt en dat het dus wezenlijk anders moet.

Een vierde issue waar er langs elkaar heen wordt gepraat (niet gisteren, maar veelal in deze discussies) is dat de productivistische benadering de consument niet nodig heeft voor de oplossing en dus weinig doet met de aanbeveling uit bovenstaand abstract dat het niet alleen gaat om de discussie bio/conventioneel, maar ook een switch naar een meer plant-gebaseerd dieet meer doet. Productivistisch kijk je vooral naar die aanbeveling van efficiency verhoging. En de Goldwin aanhangers benadrukken dus die andere kant. 

Een bijzonder punt, en daar waren we het gisteren snel over eens, is de CO2 problematiek. De schade daarvan is overal even erg, dus daar kun je het snel over eens zijn dat hoog-productiviteit helpt. Maar hier is niet zozeer het issue tussen bio en conventioneel (zie het abstract), maar het feit dat de afspraak in Parijs suboptimaal is. Economisch beter was vermoedeliljk geweest om af te spreken dat iedereen pakweg 40 euro per ton CO2 emissie gaat heffen. Maar er zijn landenquota afgesproken met als mogelijk gevolg dat Nieuw Zeeland, Ierland en bv. Nederland hun productieve veestapel moeten inkrimpen terwijl Brazilie of China minder efficient nog kan uitbreiden. Carbon leakage heet dat in het jargon. Dat is niet nieuw: melkquota waren ook per land, waardoor productie niet van Frankrijk naar Ierland kon verhuizen. We zullen het er mee moeten doen, maar met name vanuit productivistische optiek is dat betreurenswaardig. Vanuit een transitie-perspectief is de science of muddling through.

Tot slot kunnen beide kanten zich wel vinden in een true cost benadering van monetarisering van effecten, zo bleek me. Daarmee zouden twee misverstanden zijn opgelost. De eerste dat efficiency en duurzaamheid verschillende dingen zijn, zoals op Twitter iemand stelde. Niet als je in de efficiency berekening de maatschappelijke / externe effecten meeneemt, zo heb ik recent in een spreekbeurt over efficiency al eens uitgelegd. Je vindt de slides hier.
En daar zit ook een addertje onder het gras in de LCA berekeningen, die rekenen ook niet in schade. En dus is eutrophiering van water overal even erg, Of fijnstof. Maar dat zijn lokale effecten die meer schade doen in de buurt van rijke steden dan op het lege platteland van de Oekraïne.

De discussie zal hopelijk nog wel even doorgaan, Dat vraagt om meer dan 140 tekens per tweet. En over explicitering van de frames die men hanteert. Dan kun je elkaar ook aanspreken op het feit over welk probleem je het hebt, en of de frames die je hanteert daarvoor dienstig zijn. En je kunt er gewoon aan rekenen met een MKBA of zo. Want de problematiek is te ingewikkeld om op te lossen met wat simpele dogma's.



Een reactie plaatsen