zaterdag 14 april 2012

De Koe

is de simpele titel van een alleraardigst boekje van Bert Theunissen. Het verhaal van het Nederlandse melkvee 1900 - 2000, zo luidt de ondertitel. Ik kreeg het te leen van een collega nadat we een tijdje geleden aan de praat waren geraakt over de uitzending van Andere Tijden, waarover ik eerder blogde.
Het boekje verscheen in 2010 en de auteur is hoogleraar Geschiedenis van de natuurwetenschappen in Utrecht. Ook hij beschrijft de strijd tussen HF en FH en tussen de fokker uit de praktijk en de wetenschappers in Wageningen en Utrecht. (Vermoedelijk is het andersom en heeft Andere Tijden zijn boekje goed gelezen).
Verdienstelijk is dat hij natrok waarom men eigenlijk op exterieur ging letten bij de fokkerij. Zeer vermoedelijk vanwege de vatbaarheid voor rundertuberculose, zo rond 1900. T.b.c. was er in de jaren 50 al niet meer (c.q. het kon bestreden worden), maar de wijze van selecteren had zich geinstitutionaliseerd in een gewoonte of regel waarvan de oorsprong verloren was geraakt, of althans in de discussie geen rol meer speelde.
Ik leerde nog een paar zaken uit het gemakkelijk leesbaar geschreven boekje. Allereerst dat de ontwikkeling van rassen uit de 19e eeuw stamt, inclusief de definitie van de Nederlandse rassen. Ze werden raszuiver gemaakt en daarna gehouden door de stamboeken. Wat ik niet wist is dat er Amerikanen betrokken zijn geweest bij de oprichting daarvan in Nederland. Dat waren eind 19e eeuw grote vee-importeurs. En die hadden een informatieprobleem: hoe goed was een koe of stier. Daarvoor kon je de stal beoordelen (de familie van het aan te kopen dier) maar je had ook informatie nodig van ouders en grootouders, die de genetische aanleg in hoge mate bepalen. Stamboeken lossen dat informatieprobleem op.
Ook interessant hoe er vroeger duidelijk lokale effecten in de fokkerij waren: meer op vet in Friesland, wat minder in Noord Holland (waar consumptiemelk voor Amsterdam e.o. een grotere rol speelde) en wat meer vlees (de Dirken met Gronings bloed) in Zuid Holland waar er meer agrarische industrie was met restproducten (spoeling) voor vleesstiertjes. En natuurlijk karig op de zandgronden en voor de Duitse markt, tot de kunstmest kwam die alle homogeniseerde.
En een aardig voorbeeld hoe innovaties weer heel andere effecten hebben dan je denkt: de kunstmatige inseminatie is uitgevonden om infectieziekten (geslachtsziekten) te bestrijden, die met een stier (en zeker een rondtrekkende padstier) schering en inslag waren. Pas later bleek het grote effect op de fokkerij: je kon nu met 1 goede stier a la Sunny Boy een veel en veel groter aantal nakomelingen verwerken en dus goede karakteristieken vererven. Later zou embryo-transplantatie (waarmee je veel nakomelingen van 1 koe kunt krijgen) daar nog een schepje bovenop doen.
Tot slot: de Holsteinisering en stijgende melkproductie vond plaats in de jaren 80, gelijktijdig met het instellen van het melkquotum. Het aantal koeien daalde daarmee met zo'n 20%. Het was (mede daarmee en de uitbreiding van de soja in Brazilie?) ook een tijd van goedkoop voer bij goede melkprijzen (nu de druk van de markt af was). Blijft dus de vraag of het quotumbesluit zelf nu ook nog gezorgd heeft voor een awareness dat innovatie en veranderingen nodig waren, of dat dit alleen een kwestie van prijzen was. Misschien is dat ooit nagerekend, maar ik kan het me zo niet herinneren.
Enfin, lees dit boekje en je weet hoe het ook al weer zat met de Dirken uit Hoornaar (ZH) en de Friese Adema 197 - en al die andere verhalen die economische geschiedenis zo interessant maken.

Het boekje is uitgegeven bij Uitgeverij Bert Bakker.
Een reactie plaatsen