Het onderwerp Trekpaard hebben we nu wel gehad, maar helemaal los kwam ik er nog niet van. Ik vond in mijn Zeeuwse bibliotheek ook nog het boek Te hooi en te gras van de tekenaar en aquarellist Rien Poortvliet. Met daarin ook tekeningen van het werkpaard. Hij wijdde er zelfs een compleet boek aan Het Briesend paard. Zodra het weer mag kun je nog altijd zijn museum op Tien Gemeten bezoeken.
Enfin, mijn werk gaat in de kast naast het werk Van de hak op de tak. Het is allemaal nogal nostalgisch werk. In een boekje dat ik komende weken hoop te bespreken vond ik een citaat van ene prof. W. Jappe Alberts die in de Leeuwarder Courant van 28 juni 1985 geschreven heeft: "De romantiek van het boerenleven ging verloren, zo zegt men wel eens. Dit is misschien wel waar en mogelijk ook te betreuren. Maar men moet wel bedenken dat het ten dele gaat om de romantiek van primitiviteit en achterstand in economisch en sociaal opzicht. Anders gezegd: om de romantiek van petroleumlampen en 'huskes', van bijzonder lange werktijden en gebrekkige verbindingen en geneeskundige verzorging in geval van ziekte."
Wat weer eens aansluit bij de titel van deze weblog.
weblog over de toekomst van de Nederlandse landbouw en het platteland. Gemotiveerd vanuit het werk als econoom, de nevenfuncties als bestuurder en de woonomgeving van de moderator, maar als persoonlijke stellingname geheel buiten de verantwoordelijkheid van mijn werkgevers - zoals het hoort bij een weblog.
donderdag 16 april 2020
woensdag 15 april 2020
WO I en het trekpaard
De eerste wereldoorlog was natuurlijk een drama voor het Belgische trekpaard. Van de 325.000 dieren overleefde maar de helft. 110.000 werden er door de Duitse bezetter gevorderd. En net als met de bevolkingsadministratie in WO II in Nederland, bleek ook hier de administratie niet te helpen. Met het stamboek in de hand zocht de bezetter naar de beste paarden.
Er zijn veel verhalen over verwisseling van de beste paarden met mindere, maar gelijkende stalgenoten. Veel paarden liet men ook onderduiken, ook in mijnen en grotten. En een deel wist men onder te brengen in Nederland en Frankrijk. De kampioenen Indigene de Wisbecq (1914) en Moustic de Glandglise (1912) en de tophengst met de fraaie naam Laboureur d'Isaac weken naar Nederland uit. Binnen enkele jaren had Nederland zijn achterstand op de Belgische fokkerij fors verkleind.
Die Laboureur werd in 1915 gekocht voor 60.000 gulden (nu meer dan 2 mln euro). Geen slechte investering. Een drie jarige zoon bracht 4 jaar later 110.000 gulden op (2.5 mln euro). Toen was het 1919 en moest de paardenstapel natuurlijk groeien.
Deze bedragen geven aan dat het Belgische trekpaard dus vooral iets was voor de grote kapitaalkrachtige boerderijen, of er was een hengstenvereninging nodig. Er ontstonden kapitaalkrachtige fokstallen, zoals de Stallen Aernaudts in Sluis. Met Henry en Alois als drijvende krachten, maar hun broers deden ook mee (maar waren tegelijk arts en burgemeester) zodat de stal ook wel d'Ahea werd genoemd, naar hun voorletters. De stal ging tot 1960 door.
Met de economische crisis ging het weer bergafwaarts met de trekpaarden, maar toen het tij na 1933 wat keerde krabbelde het weer op. Maar de rupstrekker werd op de zware gronden al een concurrent.
Mooie geschiedenis dus,
Lees: Jos Peerlings, Ton van der Weerden en Will van Hoof: Het trekpaard. Uitgeverij Roodbont
Er zijn veel verhalen over verwisseling van de beste paarden met mindere, maar gelijkende stalgenoten. Veel paarden liet men ook onderduiken, ook in mijnen en grotten. En een deel wist men onder te brengen in Nederland en Frankrijk. De kampioenen Indigene de Wisbecq (1914) en Moustic de Glandglise (1912) en de tophengst met de fraaie naam Laboureur d'Isaac weken naar Nederland uit. Binnen enkele jaren had Nederland zijn achterstand op de Belgische fokkerij fors verkleind.
Die Laboureur werd in 1915 gekocht voor 60.000 gulden (nu meer dan 2 mln euro). Geen slechte investering. Een drie jarige zoon bracht 4 jaar later 110.000 gulden op (2.5 mln euro). Toen was het 1919 en moest de paardenstapel natuurlijk groeien.
Deze bedragen geven aan dat het Belgische trekpaard dus vooral iets was voor de grote kapitaalkrachtige boerderijen, of er was een hengstenvereninging nodig. Er ontstonden kapitaalkrachtige fokstallen, zoals de Stallen Aernaudts in Sluis. Met Henry en Alois als drijvende krachten, maar hun broers deden ook mee (maar waren tegelijk arts en burgemeester) zodat de stal ook wel d'Ahea werd genoemd, naar hun voorletters. De stal ging tot 1960 door.
Met de economische crisis ging het weer bergafwaarts met de trekpaarden, maar toen het tij na 1933 wat keerde krabbelde het weer op. Maar de rupstrekker werd op de zware gronden al een concurrent.
Mooie geschiedenis dus,
Lees: Jos Peerlings, Ton van der Weerden en Will van Hoof: Het trekpaard. Uitgeverij Roodbont
dinsdag 14 april 2020
Denemarken revisited
Een paar weken geleden blogde ik hier over het verschil in Bedrijfsontwikkeling tussen de Nederlandse en Deense melkveehouderij. Afgelopen week maakte De Boerderij een rapportage over boeren in Denemarken, dat mijn indruk bevestigt. Nu nog een goede verklaring.
maandag 13 april 2020
Cheval de trait: 15 pk
Terug nog even naar de historie van het trekpaard. Goede dieren waren dus veel geld waard. Er is een anekdote dat een fokker zijn meest waardevolle hengsten buiten het zicht van kopers stalde, om niet in de verleiding te komen. Overigens kwam ik in het boek Melkweg2000 (waarover komende weken nog iets) ook zo'n verhaal tegen over een Noordhollandse veefokker die zijn pinken in de verste wei zette als er Amerikanen kwamen kopen. .
Ook hier voerde de Belgiische overheid industriepolitiek: er kwamen bewaarpremies voor de beste dieren, op voorwaarde dat het dier het volgende jaar ook nog verscheen op de keuring. Bij export moest er terugbetaald. Ook Nederland kende dat systeem onder de naam Aanhoudingspremie. De Fransen gingen natuurlijk het verst met hun interventies: die hadden een staatsstoeterij waar de overheid eigenaar was van de dieren.
In Nederland waren Limburg en Zeeuws-Vlaanderen dus de eerste plekken waar het trekpaard als innovatie werd binnengehaald, De rest van Zuidwest Nederland volgde, daarna ook het Noorden. Op de zandgronden had men de trekkracht niet nodig, daar voldeed het traditionele paard. Overigens heeft een trekpaard een trekkracht van 15 pk.
Ook hier voerde de Belgiische overheid industriepolitiek: er kwamen bewaarpremies voor de beste dieren, op voorwaarde dat het dier het volgende jaar ook nog verscheen op de keuring. Bij export moest er terugbetaald. Ook Nederland kende dat systeem onder de naam Aanhoudingspremie. De Fransen gingen natuurlijk het verst met hun interventies: die hadden een staatsstoeterij waar de overheid eigenaar was van de dieren.
In Nederland waren Limburg en Zeeuws-Vlaanderen dus de eerste plekken waar het trekpaard als innovatie werd binnengehaald, De rest van Zuidwest Nederland volgde, daarna ook het Noorden. Op de zandgronden had men de trekkracht niet nodig, daar voldeed het traditionele paard. Overigens heeft een trekpaard een trekkracht van 15 pk.
vrijdag 10 april 2020
Dure trekpaarden
Soms is er een kleine shock nodig om te beseffen dat het anders moet. Dat gebeurde op de internationale tentoonstelling van 1884 in Amsterdam. Daar bleek dat de Nederlandse paarden het kwalitatief moesten afleggen tegen het Belgische trekpaard. Veelvuldig kruizen had geleid tot grote verscheidenheid Reden voor de Nederlandse overheid om zich er maar eens mee te gaan bemoeien. Er werden voorschriften voor de fokkerij uitgevaardigd, gelden beschikbaar gesteld en keuringscommissies samengesteld. Twee jaar later was er het Nederlandse Paarden Stamboek, voor alle rassen en in feite niet veel meer dan een namenlijst. Na 1890 nam de overheidsrol nog wat verder toe maar vooral uit militaire overwegingen: de eisen van de cavalerie domineerden, niet die van de boeren.
In België was men intussen verder. Landadel en grondeigenaren hadden al in 1886 een landelijke maatschappij van fokkers gevormd die tot doel had een uniform ras te fokken. Concentratiepunt was Waals Brabant en Henegouwen en Frans was toen uberhaupt de voertaal, dus deccennia lang hadden de paarden de mooiste Franse namen. Geen nummer zoals bij koeien, zoveel had men er niet, de band met het dier was inniger. Wel gebruikte men voor elke nieuw jaar de volgende beginletter uit het alfabet.
Zeeuws-Vlaanderen en Limburg waren logischerwijs de eerste streken in Nederland die het Belgische trekpaard importeerden, en ook zelf ging fokken. De provincie Limburg had zelfs een tijdje invoerpremies. In 1879 was een hengstenhouder in Horn die als eerste een Belgische hengst kocht. Bayard heette het dier.
De opkomst van het trekpaard leidde natuurlijk tot hele goede prijzen voor goed uitgangsmateriaal. Daar bewees zich het nut van het stamboek, als ook de daarbij behorende keuringen en de jaarlijkse nationale Prijskamp. Zo kwam je tot gezamenlijke folkcriteria. And the winner takes all. In 1889 werd de Belgische kampioen Jupiter verkocht voor 6.000 Belgische frank, omgerekend nu 30.000 euro. In 1905 telde iemand voor de beroemde Indigene de Fosteau (van de gelijknamige kasteelboerderij) 50.000 frank of wel 270.000 euro. Prijzen die nu voor dure springpaarden worden betaald. Geen wonder dat veel kleine fokkers zich tot deze business voelden aangetrokken, het aantal inschrijvingen in het stamboek explodeerde rond 1900.
Het dekgeld was natuurlijk navenant. Voor genoemde Indigene de Fosteau was dat 300 frank (pakweg 1500 euro). Wat dan weer aanleiding was voor het vormen van hengstenverenigingen: boeren die gezamenlijk een soort cooperatie hadden (in de vorm van een vereniging) om een hengst te bezitten en in te zetten. En er waren natuurlijk hengstenhouders die met hun paard de ronde deden.
Bron: Het trekpaard, uitgeverij Roodbont.
Zeeuws-Vlaanderen en Limburg waren logischerwijs de eerste streken in Nederland die het Belgische trekpaard importeerden, en ook zelf ging fokken. De provincie Limburg had zelfs een tijdje invoerpremies. In 1879 was een hengstenhouder in Horn die als eerste een Belgische hengst kocht. Bayard heette het dier.
De opkomst van het trekpaard leidde natuurlijk tot hele goede prijzen voor goed uitgangsmateriaal. Daar bewees zich het nut van het stamboek, als ook de daarbij behorende keuringen en de jaarlijkse nationale Prijskamp. Zo kwam je tot gezamenlijke folkcriteria. And the winner takes all. In 1889 werd de Belgische kampioen Jupiter verkocht voor 6.000 Belgische frank, omgerekend nu 30.000 euro. In 1905 telde iemand voor de beroemde Indigene de Fosteau (van de gelijknamige kasteelboerderij) 50.000 frank of wel 270.000 euro. Prijzen die nu voor dure springpaarden worden betaald. Geen wonder dat veel kleine fokkers zich tot deze business voelden aangetrokken, het aantal inschrijvingen in het stamboek explodeerde rond 1900.
Het dekgeld was natuurlijk navenant. Voor genoemde Indigene de Fosteau was dat 300 frank (pakweg 1500 euro). Wat dan weer aanleiding was voor het vormen van hengstenverenigingen: boeren die gezamenlijk een soort cooperatie hadden (in de vorm van een vereniging) om een hengst te bezitten en in te zetten. En er waren natuurlijk hengstenhouders die met hun paard de ronde deden.
Bron: Het trekpaard, uitgeverij Roodbont.
donderdag 9 april 2020
Staatshulp en exportvraag voor het trekpaard
De Belgische akkerbouwers die in de eerste helft van de 19e eeuw het Vlaamse koudbloed paard gericht gingen fokken kregen bij de onafhankelijkheid van België in 1830 de wind in de rug. De overheden (Fransen, Nederlanders) hadden de boeren geprobeerd te overtuigen vooral lichtere paarden voor de cavalerie te fokken maar in de Ardennen en de genoemde akkerbouwstreek (zie de blog van gisteren) bleef men vasthouden aan het koudbloedige Vlaamse paard. De nieuwe Belgische overheid zag er wel wat in en zorgde voor grootschalige staatssteun. Er kwamen grote bedragen beschikbaar en hengstenkeuringen werden verplicht.
De toegenomen kwaliteit zorgde vervolgens voor vraag naar paarden uit de akkerbouwgebieden in Frankrijk en Duitsland. Na 1850 volgende ook de export van fokpaarden. En in 1866 gingen de eerste paarden naar de VS waar het stamboek van Belgian horses nog steeds bestaat en er inmiddels sprake is van een eigen ras. Vooral bij de Amish geliefd.
Net als bij koeien stelden de Amerikanen wel eisen aan de afstammeling. Zo ontstond het stamboek, als mechanisme om kwaliteit te garanderen. Die export bracht veel geld op. Op sommige akkerbouwbedrijven was het het hoofdproduct, dit werden fokbedrijven.
De wereldtentoonstelling in Parijs van 1878 verliep voor de Belgen briljant, met als wereldkampioen alle rassen en klassen de hengst Brilliant. In 1889 was er al weer een wereldtentoonstelling in Parijs die al even succesvol verliep. En de drieklapper werden een gouden droom toen Reve d' Or in 1900 in Parijs de beste hengst werd, en zijn dochter Celine de beste merrie. Voor de derde keer koos een internationale jury in Parijs een Belgisch trekpaard boven een Frans. Dit werd een gouden business waar ook de Nederlanders, m.n. in Limburg en Zeeland, nog een graantje van mee zouden pikken (wordt vervolgd).
De toegenomen kwaliteit zorgde vervolgens voor vraag naar paarden uit de akkerbouwgebieden in Frankrijk en Duitsland. Na 1850 volgende ook de export van fokpaarden. En in 1866 gingen de eerste paarden naar de VS waar het stamboek van Belgian horses nog steeds bestaat en er inmiddels sprake is van een eigen ras. Vooral bij de Amish geliefd.
Net als bij koeien stelden de Amerikanen wel eisen aan de afstammeling. Zo ontstond het stamboek, als mechanisme om kwaliteit te garanderen. Die export bracht veel geld op. Op sommige akkerbouwbedrijven was het het hoofdproduct, dit werden fokbedrijven.
De wereldtentoonstelling in Parijs van 1878 verliep voor de Belgen briljant, met als wereldkampioen alle rassen en klassen de hengst Brilliant. In 1889 was er al weer een wereldtentoonstelling in Parijs die al even succesvol verliep. En de drieklapper werden een gouden droom toen Reve d' Or in 1900 in Parijs de beste hengst werd, en zijn dochter Celine de beste merrie. Voor de derde keer koos een internationale jury in Parijs een Belgisch trekpaard boven een Frans. Dit werd een gouden business waar ook de Nederlanders, m.n. in Limburg en Zeeland, nog een graantje van mee zouden pikken (wordt vervolgd).
woensdag 8 april 2020
Het trekpaard
Het (Belgische / Zeeuwse) trekpaard is een product van de industriële revolutie. Dat zou je niet denken, het was immers de tractor die in de jaren 50 en 60 het trekpaard er uit werkte en naar de vrijetijdssector dirigeerde. Maar de opkomst van dit ras was wel degelijk een gevolg van de industriële revolutie in de 19e eeuw. Eerst in de Verenigde Staten, onder invloed van een gebrek aan arbeid (dat duur was en helemaal uit Europa moest komen) begonnen McCormick en consorten met mechanisatie. Machines die nog getrokken moesten worden door paarden. Wat wij nu kennen als de McCormick tractor zou nog jaren op zich laten wachten.
Die machines werden ook in West-Europa populair, toen ook daar arbeid naar de stad begon te trekken. Tot die tijd stond de fokkerij in de kinderschoenen (men had nog weinig weet van de erfelijkheidswetten van Mendel en een haalbare toepassing daarvan) en bovendien was de paardenhouderij vooral gericht op de afname door het leger. De cavalerie wilde over het algemeen lichte, wendbare paarden die goed te berijden waren, geen boerenknollen.
Het fokken op wat het Belgische trekpaard zou worden begon in een streek op zo ongeveer het 3-provinciën punt van Henegouwen, Brabant en Vlaanderen. In de buurt van Brussel dus, we hebben het over streken als Nijvel, Denderdal en Méhaigne. Je kunt je afvragen waarom daar? Dit is een streek met zware kleigrond, hier en daar leemachtig, en daar is dus zware trekkracht voor de ploeg nodig.
Mijn bron meldt het niet, maar er zouden nog wel eens twee andere redenen een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben: je vindt hier grote boerderijen, veelal ook oude kasteel-, klooster- of abdijhoeves die verpacht werden. Daar was kapitaal, werd arbeidstekort als eerste gevoeld (veel betaalde arbeid) en ook vanuit andere streken is bekend dat de grotere (heren)boeren met een zekere externe gerichtheid de motor van innovatie waren. Nu waren er meer streken waar je zulke boerderijen had, ook in Nederland. Maar was misschien ook een rol heeft gespeeld (ook daarover zwijgt mijn bron) is dat deze periode het hoogtepunt van Wallonië was. Op zeker moment was dankzij de Engelsman Cockerill Luik de modernste staal-stad van Europa. Dat moet arbeiders aangetrokken hebben.
Overigens verder niets dan goeds over mijn bron. Het is het boek Het Trekpaard van Jos Peerlings, Ton van der Weerden en Will van Hoof dat in 2008 (2e druk) verscheen bij de uitgeverij Roodbont. Heel mooi uitgegeven, kan zo op de koffietafel. Een aantal hoofdstukken over diervoeding, hoefverzorging en gezondheid zijn minder aan mij besteedt (en hebben bijna een do-it-yourself karakter en dat was ik niet van plan), maar het hoofdstuk over de geschiedenis is subliem. Komende dagen dus nog wat meer uit dit boek. Dat in mijn geval meekwam met de Zeeuwse bibliotheek - met een persoonlijke opdracht van een mij bekend oud-directeur van de Wilhelminapolder aan mijn familielid waar ik het boek van erfde. It's a small world.
Die machines werden ook in West-Europa populair, toen ook daar arbeid naar de stad begon te trekken. Tot die tijd stond de fokkerij in de kinderschoenen (men had nog weinig weet van de erfelijkheidswetten van Mendel en een haalbare toepassing daarvan) en bovendien was de paardenhouderij vooral gericht op de afname door het leger. De cavalerie wilde over het algemeen lichte, wendbare paarden die goed te berijden waren, geen boerenknollen.
Het fokken op wat het Belgische trekpaard zou worden begon in een streek op zo ongeveer het 3-provinciën punt van Henegouwen, Brabant en Vlaanderen. In de buurt van Brussel dus, we hebben het over streken als Nijvel, Denderdal en Méhaigne. Je kunt je afvragen waarom daar? Dit is een streek met zware kleigrond, hier en daar leemachtig, en daar is dus zware trekkracht voor de ploeg nodig.
Mijn bron meldt het niet, maar er zouden nog wel eens twee andere redenen een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben: je vindt hier grote boerderijen, veelal ook oude kasteel-, klooster- of abdijhoeves die verpacht werden. Daar was kapitaal, werd arbeidstekort als eerste gevoeld (veel betaalde arbeid) en ook vanuit andere streken is bekend dat de grotere (heren)boeren met een zekere externe gerichtheid de motor van innovatie waren. Nu waren er meer streken waar je zulke boerderijen had, ook in Nederland. Maar was misschien ook een rol heeft gespeeld (ook daarover zwijgt mijn bron) is dat deze periode het hoogtepunt van Wallonië was. Op zeker moment was dankzij de Engelsman Cockerill Luik de modernste staal-stad van Europa. Dat moet arbeiders aangetrokken hebben.
Overigens verder niets dan goeds over mijn bron. Het is het boek Het Trekpaard van Jos Peerlings, Ton van der Weerden en Will van Hoof dat in 2008 (2e druk) verscheen bij de uitgeverij Roodbont. Heel mooi uitgegeven, kan zo op de koffietafel. Een aantal hoofdstukken over diervoeding, hoefverzorging en gezondheid zijn minder aan mij besteedt (en hebben bijna een do-it-yourself karakter en dat was ik niet van plan), maar het hoofdstuk over de geschiedenis is subliem. Komende dagen dus nog wat meer uit dit boek. Dat in mijn geval meekwam met de Zeeuwse bibliotheek - met een persoonlijke opdracht van een mij bekend oud-directeur van de Wilhelminapolder aan mijn familielid waar ik het boek van erfde. It's a small world.
dinsdag 7 april 2020
Heertje
Economen kan het overlijden van de éminence grise Arnold Heertje niet zijn ontgaan. Wie kreeg er geen les uit zijn Kern van de economie? Voor mij legde het in ieder geval een studiekeuze vast.
De NRC meldde in zijn necrologie dat hij zijn laatste les aan de UvA besloot met "Ik heb gezegd - maar nog niet alles", als variant op de gebruikelijke afsluiting van een academische les. Iets om te onthouden als het nog komt tot een afscheidsrede. Daarvan gaan er veel niet door.
De NRC meldde in zijn necrologie dat hij zijn laatste les aan de UvA besloot met "Ik heb gezegd - maar nog niet alles", als variant op de gebruikelijke afsluiting van een academische les. Iets om te onthouden als het nog komt tot een afscheidsrede. Daarvan gaan er veel niet door.
Knardijk
In het Dijkenboek dat ik hier gisteren besprak viel mijn oog op een fout en daarmee wordt de lezer natuurlijk achterdochtig. In dit geval over de maker van de Knardijk. Dat is de compartimenteringsdijk tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland.
Oorzaak was dat bij de beschrijving van de Zuiderzeewerken het boek meldt dat Oostelijk Flevoland in 1975 droog viel. Dat is een duidelijke verschrijving die de corrector wel op had moeten vallen: de polder is van 1957, en ik kan het weten want ik woonde er al in 1964 - zonder natte voeten. Elders in het boek staat het wel goed (maar de St. Elizabeth vloed wordt ook zowel in 1421 als 1422 geplaatst).
Dat maakt de lezer achterdochtig en zo kwam ik bij de beschrijving van de Knardijk, een van de Nederlandse dijken die terecht in de beschreven top 100 staat. Na de oorlog werd met Marshall hulp begonnen aan de bouw: 26 km lang van Harderwijk over de zandplaat de Knar naar Lelystad, later omgedoopt tot Lelystad-Haven waar een werkeiland met werkkamp was aangelegd en een gemaal werd gebouwd. De ramp va 1953 bracht enige vertraging maar in 1954 ging de dijk dicht, een paar jaar later ook de rest van de polderdijk. In het familiefoto-album zit nog een fotootje van mijn ouders die op verlate huwelijksreis met de motor de 26 km heen en weer aflegden - met aan twee kanten water en in ieder geval niet minder geïnteresseerd raakten om in die polder te gaan boeren.
Het punt is dat het boek meldt dat de dijk is aangelegd door de Rijksdienst IJsselmeer Polders (RIJP). Ik zou zweren dat dit fout is. En dat het de Dienst der Zuiderzeewerken is geweest. Die was belast met de aanleg en ook het structuurontwerp van de polder (waar komen de dorpen, de hoofdwegen, de kanalen). De RIJP zorgde voor de inrichting, ontwierp de dorpen en steden (zelf mocht ik nog eens stage lopen bij het bureau dat Almere ontwierp), bouwde boerderijen en selecteerde de boeren en middenstanders die zich mochten vestigen. En dan had je nog het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders dat de gemeentelijke taken (burgerlijke stand, rijbewijzen, brandweer etc) regelde.
In mijn zoektocht naar de waarheid kwam ik op internet een mooie site van Flevoland Erfgoed over de dijk tegen, dat conform mijn verwachting keurig meldt n het voorjaar van 1951 startte de Dienst der Zuiderzeewerken vanuit Harderwijk met de aanleg van de Knardijk.
Maar verwarrend genoeg zetten ze bovenaan de pagina Maker: R.IJ.P. Die pagina lijkt dus niet consistent. Ik kwam ook nog een heel mooi boekje tegen van de erfgoedvereniging Heemschut over de Knardijk, maar dat geeft geen uitkomst in deze discussie. Ik zal de boekenkast in moeten duiken, maar voorlopig hou ik het op de Dienst ZZW. Die overigens eind jaren tachtig met de RIJP fuseerde en wat nu de directie Flevoland van Rijkswaterstaat is.
Oorzaak was dat bij de beschrijving van de Zuiderzeewerken het boek meldt dat Oostelijk Flevoland in 1975 droog viel. Dat is een duidelijke verschrijving die de corrector wel op had moeten vallen: de polder is van 1957, en ik kan het weten want ik woonde er al in 1964 - zonder natte voeten. Elders in het boek staat het wel goed (maar de St. Elizabeth vloed wordt ook zowel in 1421 als 1422 geplaatst).
Dat maakt de lezer achterdochtig en zo kwam ik bij de beschrijving van de Knardijk, een van de Nederlandse dijken die terecht in de beschreven top 100 staat. Na de oorlog werd met Marshall hulp begonnen aan de bouw: 26 km lang van Harderwijk over de zandplaat de Knar naar Lelystad, later omgedoopt tot Lelystad-Haven waar een werkeiland met werkkamp was aangelegd en een gemaal werd gebouwd. De ramp va 1953 bracht enige vertraging maar in 1954 ging de dijk dicht, een paar jaar later ook de rest van de polderdijk. In het familiefoto-album zit nog een fotootje van mijn ouders die op verlate huwelijksreis met de motor de 26 km heen en weer aflegden - met aan twee kanten water en in ieder geval niet minder geïnteresseerd raakten om in die polder te gaan boeren.
Het punt is dat het boek meldt dat de dijk is aangelegd door de Rijksdienst IJsselmeer Polders (RIJP). Ik zou zweren dat dit fout is. En dat het de Dienst der Zuiderzeewerken is geweest. Die was belast met de aanleg en ook het structuurontwerp van de polder (waar komen de dorpen, de hoofdwegen, de kanalen). De RIJP zorgde voor de inrichting, ontwierp de dorpen en steden (zelf mocht ik nog eens stage lopen bij het bureau dat Almere ontwierp), bouwde boerderijen en selecteerde de boeren en middenstanders die zich mochten vestigen. En dan had je nog het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders dat de gemeentelijke taken (burgerlijke stand, rijbewijzen, brandweer etc) regelde.
In mijn zoektocht naar de waarheid kwam ik op internet een mooie site van Flevoland Erfgoed over de dijk tegen, dat conform mijn verwachting keurig meldt n het voorjaar van 1951 startte de Dienst der Zuiderzeewerken vanuit Harderwijk met de aanleg van de Knardijk.
Maar verwarrend genoeg zetten ze bovenaan de pagina Maker: R.IJ.P. Die pagina lijkt dus niet consistent. Ik kwam ook nog een heel mooi boekje tegen van de erfgoedvereniging Heemschut over de Knardijk, maar dat geeft geen uitkomst in deze discussie. Ik zal de boekenkast in moeten duiken, maar voorlopig hou ik het op de Dienst ZZW. Die overigens eind jaren tachtig met de RIJP fuseerde en wat nu de directie Flevoland van Rijkswaterstaat is.
maandag 6 april 2020
Enkele weetjes over dijken
Het woord Dijk is verwant aan het Engelse To Dig: graven. Het boek Dijken van Nederland bevat veel van die leuke feitjes en heeft mooie tekstkadertjes over de Dick van Dycke show, popgroep De Dijk (vernoemd naar de Amsterdamse Nieuwendijk), Dijkers en Pleiners (rock 'n roll versus jazz in het begin van de jaren 60). En een mooi hoofdstuk Dijkgeschiedenis.
Mooie beschrijving van de Romein Plinius van die rare Friezen op hun terpen. De oudst bekende duiker, gevonden bij Vlaardingen, van de Kaninefaten uit ca. 100 na Chr, en hoe sinds de 8ste eeuw de bevolking weer vertienvoudigde. De dijkring van Westergo (Friesland) van rond 1200. De Grote Ontginning van het veenlandschap tot ver in de Middeleeuwen. Vanaf 1200 de kloosterorden. Etc.
Verder natuurlijk interessante informatie over de organisatie van dat werk. Aanvankelijk aangestuurd door de ambachten. daarna ook wel door de kloosters. En daar waar gemeenschappelijke boezems werden gebruikt om het water op te lozen ontstond de noodzaak van waterschappen. Met Delfland als eerste.
Mooie beschrijving van de Romein Plinius van die rare Friezen op hun terpen. De oudst bekende duiker, gevonden bij Vlaardingen, van de Kaninefaten uit ca. 100 na Chr, en hoe sinds de 8ste eeuw de bevolking weer vertienvoudigde. De dijkring van Westergo (Friesland) van rond 1200. De Grote Ontginning van het veenlandschap tot ver in de Middeleeuwen. Vanaf 1200 de kloosterorden. Etc.
Verder natuurlijk interessante informatie over de organisatie van dat werk. Aanvankelijk aangestuurd door de ambachten. daarna ook wel door de kloosters. En daar waar gemeenschappelijke boezems werden gebruikt om het water op te lozen ontstond de noodzaak van waterschappen. Met Delfland als eerste.
zondag 5 april 2020
Lijstje: Dijken
Enkele jaren geleden kreeg ik bij een lezing een mooi koffietafelboek van LOLA Landscape Architects: Dijken van Nederland, uit 2014. Komende dagen een paar blogs naar aanleiding van dat boek. Het bevat ook de portretten van een aantal dijken uit de top-100 van meest bezienswaardige dijken. Ik geef de top-10 als een mooi lijstje:
- Afsluitdijk
- Amsteldiepdijk
- Baardwijkse overlaat
- Balgstuw bij Rampspol
- Bandijk bij Terwolde
- Beerweg bij Hulst
- Bergse Linker Rottekade
- Blokzijlerdijk
- Boezem bij Streefkerk
- Boulevard Schevingen
Gaat dat zien, wel graag na de Coronacrisis.
zaterdag 4 april 2020
Engelze ziekte
We schrijven weer eens aan een EU voorstel rond voeding en gezondheid. In dat kader het laatste weetje dat ik deel uit het boek van Patel en Moore en dan hou ik er over op: Het eerste boek over obesitas, voedingspatronen en de natie was van George Cheyne. Die publiceerde in 1733 (!!) The English Malady
vrijdag 3 april 2020
Haber-Bosch
Bijzondere situaties, zoals nu met Corona, zijn goed voor innovatie. Geldt ook voor oorlogen. Zo leerde ik uit het hier afgelopen week besproken boek van Patel en Moore data het Haber-Bosch proces dat ammoniak maakt, zeer gerelateerd is aan de eerste wereldoorlog. Fritz Haber was een onderzoeker aan de Universiteit van Karlsruhe en kreeg in 1908 een patent op het proces om met hoge druk waterstof (H2) met stikstof uit de lucht om te zetten naar NH3. Carl Bosch was ingenieur bij BASF en lost de mechanische problemen op om dit op industriele wijze toe te passen.
Daar waren dus strategische redenen voor. Guano (de vogelpoep) was al op en men was overgeschakeld op salperterzuur (natriumnitraat) uit de Atacama woestijn in Peur. Maar dit witte goud werd getransporteerd over zee en die werd gecontroleerd door de Britten. Maar het spul was essentieel voor de productie van buskruit (TNT waarop Nobel een patent had) en voor bemesting. Dat laatste is mooi, hoewel ook niet zonder nadelen, het eerste heeft meer dan 100 miljoen doden gekost in gewapende conflicten. Wat geen reden was de heren (in verschillende jaren) de Nobelprijs te onthouden
Daar waren dus strategische redenen voor. Guano (de vogelpoep) was al op en men was overgeschakeld op salperterzuur (natriumnitraat) uit de Atacama woestijn in Peur. Maar dit witte goud werd getransporteerd over zee en die werd gecontroleerd door de Britten. Maar het spul was essentieel voor de productie van buskruit (TNT waarop Nobel een patent had) en voor bemesting. Dat laatste is mooi, hoewel ook niet zonder nadelen, het eerste heeft meer dan 100 miljoen doden gekost in gewapende conflicten. Wat geen reden was de heren (in verschillende jaren) de Nobelprijs te onthouden
donderdag 2 april 2020
Turf
In Engeland werden arbeiders gecreëerd door de Enclosure beweging, die de gemene gronden privatiseerde -veelal op het moment dat ze matig gebruikt werden en in handen van de adel en herenboeren kwamen. In Nederland werden arbeiders gemaakt doordat het veenlandschap werd afgegraven en er geen plaats was voor keuterboeren. Althans dat wil de marxistische visie van Patel en Moore in hun boek over 7 goedkope zaken.
Ze besteden een paar interessante pagina's (187 en volgende in de Nederlandse editie) aan the Dutch disease, zonder de term van the Economist overigens toe te lichten. Ze switchen van Shell naar de oorsprong van de Nederlandse energieverslaving: turf. In de 17e eeuw werd er elk jaar anderhalf miljoen ton turf gestoken. In Amsterdam alleen al arriveerden in 1636 meer dan 8000 scheepsladingen turf.
Het begon in de 11e eeuw door keuterboeren voor eigen verwarming, voor zoutwinning en voor de verkoop. In de 13e eeuw werd het klimaat kouder en natter, en nam de vruchtbaarheid af. De bodem klonk in, graanteelt werd onmogelijk. Het land werd een gatenkaas en de steden kregen goedkope arbeid. De goedkope turf-energie werd vervolgens aangevuld door de alternatieve wind-energie o.a. voor de industrie in de Zaanstreek.
Daarna kwam ook steenkool uit Engeland. dat was vervuilender dan turf. En werd aanvankelijk verboden, met name in de zomer. Maar uiteindelijk ging het stadsbestuur van Amsterdam overstag want turf werd te duur
Ze besteden een paar interessante pagina's (187 en volgende in de Nederlandse editie) aan the Dutch disease, zonder de term van the Economist overigens toe te lichten. Ze switchen van Shell naar de oorsprong van de Nederlandse energieverslaving: turf. In de 17e eeuw werd er elk jaar anderhalf miljoen ton turf gestoken. In Amsterdam alleen al arriveerden in 1636 meer dan 8000 scheepsladingen turf.
Het begon in de 11e eeuw door keuterboeren voor eigen verwarming, voor zoutwinning en voor de verkoop. In de 13e eeuw werd het klimaat kouder en natter, en nam de vruchtbaarheid af. De bodem klonk in, graanteelt werd onmogelijk. Het land werd een gatenkaas en de steden kregen goedkope arbeid. De goedkope turf-energie werd vervolgens aangevuld door de alternatieve wind-energie o.a. voor de industrie in de Zaanstreek.
Daarna kwam ook steenkool uit Engeland. dat was vervuilender dan turf. En werd aanvankelijk verboden, met name in de zomer. Maar uiteindelijk ging het stadsbestuur van Amsterdam overstag want turf werd te duur
Abonneren op:
Posts (Atom)
