donderdag 9 april 2015

STT publiceert toekomstbeelden

De toekomst is rijk aan data, data analist is het vak van de toekomst. Waar zouden die kenniswerkers wonen, wie grijpt de regie over die datasets. Wie heeft de big data van boeren om te adviseren of je de aardappelen vandaag beregent of toch maar even wacht tot morgen. Waar koppelt men de data van wat we eten en hoe we bewegen aan onze kans op hartfalen en adviseert men een broodje zeewier of een verzekeringspolis?
Zonder twijfel heeft Silicon Valley met Google, Apple, UC Davis en Stanford de beste startpositie. Mogelijk komen China Telecom, Alibaba en de Chinese Academy of Agricultural Science snel naar voren gezien het geweldige aantal Chinese studenten. Is India een outsider die we over het hoofd zien?
Zou een innige samenwerking van Wageningse agronomen, Leidse medici, Eindhovense ICTers,
Gentse biotechnologen, Frauenhofer en creatieve Amsterdamse start-ups dicht bij SARA en AMS-IX het oude continent nog een rol van betekenis kunnen laten spelen? Dat moet je niet hopen – daar zou je aan moeten gaan werken.
 
Bovenstaande tekst van mijn hand verscheen vandaag in een publicatie met een toekomstverkenning van de Stichting Toekomstbeeld der Techniek. Vanochtend op BNR, vanmiddag de presentatie in Boerhave, Leiden.



woensdag 8 april 2015

In het Japans

Vandaag kreeg ik een boekje uit Tokyo toegestuurd. Het Norinchukin Research Institute vertaalde ons rapport uit 2012 over het functioneren van Europese coöperaties. Geen nieuws dus en onleesbaar, maar toch leuk.

dinsdag 7 april 2015

microbiologie: qua vadis

Nog een interessante controverse die ik afleid uit dezelfde editie van The Economist van 28 maart 2015. Over de ontwikkelingsrichting van de microbiologie. Een onderwerp waar ik absoluut geen verstand van heb, maar onlangs werd ik er in Wageningen mee geconfronteerd omdat een aantal mensen die het kunnen weten ineens het onderwerp Synthetische Biologie uit de hoed hadden getoverd voor een investeringsplan.
In dat vak gaat het om het op maat maken van bacteriën en schimmels zodat ze bepaalde taken kunnen verrichten, zoals het opruimen van chemische verontreiniging (en dan niet overal gaan spuiten natuurlijk) of het voor vergisting beter afbreekbaar maken van planten.
Als je dat wil mag er wel een forse portie sociale innovatie bij, want The Economist wijst erop dat er ook een tegenovergestelde trend in hetzelfde vakgebied is: het beter begrijpen van fermentatie en daarmee de bestaande schimmels en bacteriën. Het aardige is dat je dat vooral in voedsel kunt doen: waar in het wild (bv. in de oceaan) het krioelt van bacteriën en schimmels en je de effecten door alle interactie nauwelijks kunt isoleren, kan dat in voedsel wel. In de kaas (Roquefort en andere) of worst of zelfs chocola zijn maar een of enkele schimmels werkzaam en kun je hun gedrag makkelijker begrijpen. Inmiddels is er ook de sterke aanwijzing dat je het terroir van wijnen daarmee kunt verklaren want de schimmels in de fermentatie zijn vaak schimmels die vanuit de bodem op het blad komen.
En als je zo de schimmels en bacteriën begrijpt kun je uit de natuur degene zoeken die je kunt inzetten voor het behandelen van afvalwater of omzetten van voedselafval in brandstof etc.

Hier kun je rond een investeringsbeslissing dus mooie dilemma's creëren: gaan we zoeken in de natuur of gaan we ze maken. Maakt het daarbij uit of je een risico loopt dat "maken" aan het GMO debat wordt gekoppeld?. Maakt het wat uit dat je in Europa misschien door al die recepten van voedsel waarmee we schimmels en bacteriën hebben leren inzetten, misschien een concurrentievoordeel op onderzoek in de VS hebt? Is zoeken in de natuur wellicht aantrekkelijker omdat het zich meteen zou kunnen terugbetalen omdat je de kennis toepast in nieuwe wijnen en worsten? Of gaat maken sneller en gerichter? Maakt het wat uit of je het onderzoek moet co-financieren in een PPS biobased met chemieconcerns in Nederland of als je dit doet in kader van voedingsonderzoek in Franse kaas en Spaanse worst ?
Allemaal afwegingen die een investeringsplan compliceren. Hopelijk worden ze goed en expliciet gemaakt.

maandag 6 april 2015

melk moet?

Het is bon ton om beweren dat dieren maar een omwegproductie zijn voor voedsel. Als je veel mensen te eten wil geven, dan moet je niet eerst je grond gebruiken om veevoer te telen en dan melk drinken of vlees eten. Ga meteen voor vegetarisch. De Japanse route zou je kunnen zeggen: veel vis en plantaardig voedsel. Want er was weinig ruimte in het overbevolkte eilandenrijk.
Historisch onzin, zo beweert Justin Cook van de Universiteit van California impliciet in een paper in de Journal of Economic Growth, en waarover The Economist vorige week een stukje schreef dat eigenlijk een vertaling waard is.
Cook keek welke bevolkingen in 1500 melk konden drinken. Dat deed hij door van bevolkingsgroepen te schatten of ze tegen lactase kunnen (Zweden: 96%, delen van zuidelijk Afrika en Zuidoost Azië vrijwel niet), op basis van de huidige lactase-tolerantie (of zo je wilt: persistentie na de moedermelkperiode) en de historische migraties. En wat blijkt: een standaardafwijking lactase-persistentie extra en de bevolkingsdichtheid kon 40% hoger zijn.
Met andere woorden: wie tegen melk kon, ging efficiënter met resources om. Want de dieren waren in een tijd zonder kunstmest nodig voor mest, en voor kleding (wol), vlees, en bovenal als trekkracht om te ploegen. En je kwam efficiënt aan voedingsstoffen als ijzer en vitaminen en nog wat zaken. Bovendien kon de bevolking in gebieden met een te lage bevolkingsdichtheid (die net waren gekoloniseerd door de mens) sneller groeien omdat de speentijd van baby's afneemt, ofwel de intergeboortetijd afeemt als melk als substituut voor moedermelk wordt ingezet.
En die hoge bevolkingsdichtheid leidde natuurlijk tot agglomeratie-effecten: meer infrastructuur, meer handel en specialisatie, meer administratieve systemen. En dat blijft vaak in stand door de eeuwen heen, dus daar waar je in pre-koloniale tijden hoge bevolkingsdichtheden vond, je die nog vindt. (ja er zijn uitzonderigenn: de Maya's en Inca's). The Economist vindt dat het idee verder uitgemolken kan worden: zo waren er in zuidoost Azië redelijk lactase-tolerante groepen die anderen er niet uitdrukten. Rara?
En - zo voeg ik daar aan toe- zitten deze dynamische effecten in de modellen die ons tot de conclusie leiden dat de dieren inefficient zijn als we in een wereld zonder kunstmest zouden leven?

zondag 5 april 2015

kapitalisme en democatie

Veelal wordt beweerd dat (volks)kapitalisme en democratie hand in hand gaan: het kapitalisme leidt tot welvaart en rijkere mensen willen inspraak voor ontplooiing.
De NRC van vrijdag had een interessant interview met de Duitse socioloog Wolfgang Streeck, die in 1946 in het mij bekende Lengerich is geboren (mocht je er komen: er is een uitstekende ijssalon).Streeck beweert dat kapitalisme en democratie in essentie onverenigbaar zijn of althans fors botsen
Hij vindt de periode na de oorlog een uitzondering: de wederopbouw en de gemeenschappelijke vijand van het communisme. De stappen daarna schetst Streeck als volgt:
  • eind jaren 60: dalende groei, bedrijven willen meer ruimte voor groei, burger loonverhogingen, dat was men gewend. Oplossing: regeringen kiezen voor inflatie
  • VS eind jaren 70 inflatie loopt op tot 20%. Overheden gaan geld lenen om sociale voorzieningen in stand te houden of uit te breiden. Om die leningen gemakkelijk te krijgen werden financiële markten geliberaliseerd. Tatcher en Reagan.
  • In de jaren 90 waren de overheidsschulden zo hoog dat de markten dat niet meer pikten. Gevolg: privatiseringen en bezuinigingen. Naast nog meer deregulering.
  • Ook burgeres kunnen nu makkelijker lenen: staatsschuld daalt wel, maar de private schuld explodeert. In 2008 klapt de boom.
  • Overheid nam veel schulden over, o.a. van banken. Daarom extreme bezuinigingen. Stagenerende economie, met als gevolg dat we nu geld bijdrukken
Volgens Streecker zitten we nu in de consolidatiestaat: slank en geprivatiseerd. Ik vraag het me af, als het om slank gaat (nog altijd de helft van de economie, en de staat als eigenaar van bedrijven en onroerend goed). Maar een interessant aanvulling op een eerdere meer gedetailleerdw historie van de crisis in stappen.

vrijdag 3 april 2015

discussie

Geen blogs de afgelopen dagen, de avonduren werden besteed aan een discussie op Foodlog. Over de rol van onderzoeksinstituten in berekeningen rond de Veewet en modernere vormen van beleidsevaluatie. Voor wie het na wil lezen: zie hier.

dinsdag 31 maart 2015

De start van het melkquotum

Morgen komt er een einde aan zo'n 30 jaar melkquotum. De kranten staan er vol van. En ik hoorde dat het Ministerie van EZ er morgen nog eens een (besloten) lunchbijeenkomst aan wijdt - goed voor het historisch besef van de jeugd van tegenwoordig.
Daar voeg ik hier dus niet veel aan toe. Wel een kleine les van dertig jaar geleden uit de tijd van de totstandkoming van de quota. Die juist ook in deze tijd van betaald onderzoek in opdracht niet vergeten moet worden.
In de aanloop van de quotering was Nederland fel tegen quotering van de zuivel. Zo fel dat er ook niet gestudeerd mocht worden op wat zo'n voorstel van de Europese Commissie zou betekenen. Voor een politicus is immers alles politiek en er was angst dat een officiële LEI studie zou leiden tot ondermijning van dat standpunt - in Den Haag (waar voorstanders zouden vragen of de minister bezig was te draaien) en in Brussel (waar de onderhandelaars wellicht minder serieus genomen zouden worden). Een goed ambtenaar zorgt dat zijn minister geen problemen krijgt, dus geen reden te studeren op deze ongewenste ontwikkeling.
Wie het initiatief precies genomen heeft weet ik niet (kan dat nog eens worden uitgezocht?) maar op een gegeven moment had het LEI het bij zijn bestuur toch voor elkaar gekregen een studie te doen. Die was uiterst geheim, en dat werd er niet beter op toen onderzoeker Leen van der Giessen tot de conclusie kwam dat er heel veel voordelen zaten aan zo'n systeem. Om de melkplas in te perken, de druk op het overheidsbudget te verminderen en bovenal ook voor de boereninkomens. Dat kwam de gezagdragers niet uit. Die wezen bovendien op andere, niet-onderzochte aspecten zoals de technische uitvoerbaarheid. Die zou met 60.000 melkveehouders onmogelijk zijn.
De geheimhouding hield niet lang stand. Ik keek er vandaag aan de lunch nog eens op terug met een oud lid van de Wageningse Boerengroep. Die hadden lucht gekregen van de studie en zetten het Ministerie van LNV (eigenaar en financier van het LEI) voor het blok. Door berichten te ventileren over een geheime studie die onder de pet werd gehouden. En te speculeren over de uitkomsten. Zo doe je dat.
En zo kwam het dat de auteur van de studie in een winter een auto versleet, zoals ik hem eens heb horen zeggen: het regende spreekbeurten in zaaltjes van cafe's voor lokale afdelingen van de standsorganisaties. Met veel vragen.
En uiteindelijk kwam de studie misschien wel te laat. Toen Brussel de quota invoerde was Nederland niet goed voorbereid. Niet alleen moesten de boeren nergens zover in productie terug als hier, maar er kwamen hele lijsten knelgevallen. Zoals de SLOM-boeren die tijdelijk de melkproductie tegen betaling hadden gestopt en vleesvee waren gaan houden, en nu een quotum werd onthouden. Ik heb nog jaren aan hun schade mogen rekenen, tot en nadat het Hof in Luxemburg ze uiteindelijk gelijk gaf.
Kortom de quota kunnen vergeten worden, wat onthouden moet worden is dat je ook onderzoek laat doen naar scenario's die je zelf niet wil maar anderen wel. Zorg voor een politieke en bestuurscultuur waarin dat goed management is. Leiders organiseren hun tegenspraak.




zaterdag 28 maart 2015

jaar van de bodem

We besteedden hier nog geen aandacht aan het Jaar van de Bodem (in Limburg: het jaar van de mijnen). Een pagina-groot stuk in de International New York Times ("Farmers drop the plow for more productive soil") van 11 maart is een goede aanleiding om dat alsnog te doen.
Het artikel verhaalt hoe steeds meer boeren in de mid-west van de VS overgaan tot no-tillage: geen grondbewerkingen meer zoals ploegen, dus meteen doorzaaien van de oude stoppel en het toepassen van groenbemesters ('green manure').
De heeft milieuvoordelen (minder afspoeling van nitraat) maar daar gaat het de boeren natuurlijk niet meteen om, dat wordt niet beloond. Het gaat om de opbrengsten doordat de bodem beter water vasthoudt, er minder kunstmest nodig is en de organische stof zorgt voor een beter bodemleven waardoor minder kunstmest nodig is.  En het helpt tegen erosie. Grondbewerking gebeurt voor een groot deel om het onkruid de baas te blijven, Dat kan met de groenbemester grotendeels ook.  Het doodspuiten van de groenbemester vraagt dan wel weer om een dosis Round-up, dat dan weer wel.
Omschakelen vraagt overtuiging en is niet altijd eenvoudig, zo meldt de NYT. Het vraagt wat investeringen (andere, steviger zaaimachine, met goede GPS om tussen de rijen van vorig jaar door te zaaien). En zoals een boer het uitdrukt: "We have a saying in our area: you can't no-till because you haven't burried your father yet". Innoveren is een overwinning op jezelf en op de vorige generaties.

donderdag 26 maart 2015

Innovation Platforms

We vergaderen vandaag en morgen in Antwerpen. Over interactieve innovatie en de toekomst van ons Agrarisch Kennis en Innovatie Systeem. Goed moment om even een recent paper ((Decentralised innovation systems and poverty reduction: experimental evidence from Central Africa) uit de ERAE (februari 2015) vast te leggen.
Haki Pamuk, Erwin Bulte, Adewade Adekunle en Aliou Diagne gingen in de Afrikaanse context na welke systeem van voorlichting en innovatie het meest bijdroeg aan armoedebestrijding: bottom-up Innovation Platforms of Centraal geleide voorlichting, beide afgezet tegen helemaal geen interventie. De eerste scoorde duidelijk het best.
Mooi resultaat, dat nog verder werk verdient. O.a. over kosten en baten van de systemen zoals de auteurs schrijven. En nog betere datasets want deze heeft wat probleempjes (waarvoor men tracht te corrigeren), het is geen echte random control trial en er zit veel self-reporting in de meting van het effect.
Ook opvallend is dat de Innovation Platforms zich vooral richten op verbetering van crop management. Lagen hier de grootste kansen voor resultaat? Bijvoorbeeld omdat de heterogeniteit in bodems, waterbeschibkaarheid en lokale cultivars en teeltmethoden zo groot is dat je dit vanuit een centrale aanpak niet rond krigt? Of was het een bias van de boeren die vooral naar technische resultaten kijken en is het instrument minder geschikt voor marketing innovaties, laat staan systeem-innovaties ?
Goed onderzoek roept vraag op. Ook de vraag waarom we in Afrika zo wel de geldsbesteding monitoren en niet in Europa zelf.

dinsdag 24 maart 2015

big mother

En uit dezelfde editie van 14 maart van The Economist nog een mooi verhaal. Over Big Data en de verzekeringsindustrie. Daarin de tem Big Mother die ik nog niet kende. De verzekeringsbranch kan door ict (IoT) steeds beter monitoren hoe de klant zich gedraagt. En dus de premie differentieren. Waardoor sommige zaken verzekerbaar worden en andere juist niet meer (roekeloos gedrag, risk pools die te klein worden). In ieder geval gedifferentieerde tarieven, zodanig dat je de monitordevices wel zult nemen en je gedrag gaat aanpassen. Daarmee wordt schade meer voorkomen in plaats van vergoed.

maandag 23 maart 2015

lever je data in bij de huisarts

Onderzoeksdata komen voortaan deels vanuit de telefoon. Dat hadden we ook al bedacht in ons project EuroDISH, maar intussen blijkt dat Apple er al een open source kit voor programmeurs voor heeft. Zie hier het artikel.

zondag 22 maart 2015

een kleine Japanse sociologie

De snelle overgang van de agrarische naar de metropolitane samenleving en de nadelen van het agglomeratie-effect (zie de blog van gisteren) hebben behoorlijke onvoorziene effecten of het Japanse gezinsleven en de bevolkingsontwikkeling.
De overgang van ruraal naar stedelijk is sneller gegaan dan de emancipatie van de vrouw. De traditionele rol van de echtgenote in het boerenhuishouden en aan de aanrecht heeft zich in de jaren 50, 60 en 70 maar matig ontwikkeld: het was vooral de Japanse man die in de industrie of op kantoor ging werken, de vrouw bleef voor het huishouden zorgen. Dat gevoegd bij een behoorlijk werkethos in de opbouw met lange werkdagen en de nadelen van de metropolitane agglomeratie, nl. lange reistijden tussen wonen en werken, betekende dat het sociale leven van de werknemer verschoof van thuis naar collega's: samen eten en borrelen bij het overwerken.
Dat heeft ook geleid tot de categorie van office-ladies die wel op kantoor werken (veelal in ondersteunende functies, maar het is aan het veranderen). Een grote groep daarvan vindt het huwelijksleven nu zo onaantrekkelijk (opgesloten met kids in de suburbs) dat ze er van afzien zich in die huwelijksmarkt te begeven. Als ze dan ook nog thuis blijven wonen, dan zijn ze zeer kapitaalkrachtig, leven in een zekere subcultuur en zijn een interessante doelgroep. Winkelwijken in Tokyo als Ginza, met zijn dure winkels die je in de PC Hooftstraat niet tegenkomt, varen er wel bij.
Met als gevolg dus een sterk vergrijzende en krimpende bevolking. Waar immigratie zo ongeveer een taboe is (zelfs als het om vluchtelingen gaat), dus hier zal nog heel wat robottechnologie ontwikkeld worden. En het nationaal inkomen krimpt, maar de Japanner lijkt er niet onder gebukt te gaan: de werkeloosheid is laag, per persoon blijven de inkomens op peil, en de grootste persoonlijke financiële lasten als eigen huis of studerende kinderen zijn achter de rug. En men erft wat staatsschuld van de vorige generatie.

zaterdag 21 maart 2015

agglomeratie-effecten

Japan, waarover ik afgelopen week hier al wat agrarische reisindrukken blogde, is ook op het vlak van sociologische instituties boeiend. De snelle ontwikkeling van een agrarische samenleving naar een metropolitane, heeft gezorgd voor grote steden met veel agglomeratie-effecten waar de ontwikkelingen in het gezinsleven bij achter zijn gebleven.
Agglomeratie-effecten ontstaan daar waar je concentraties van mensen of bedrijven hebt: er ontstaan dan dikke arbeidsmarkten met veel specialisatie. Je ziet dat in Tokyo waar er niet alleen grote wijken met hoogbouw zijn met de kantoren van de (grote) Japanse ondernemingen (en waarbij de Amsterdamse Zuidas een calimero-gevoel krijgt) maar ook een wijk die zich specialiseert in uitgaan en vooral winkelen voor tieners en twintigers en iedereen die zich zo voelt (21 forever). En dat terwijl Japan een vergrijzende samenleving is met weinig kinderen, de bevolking krimpt en kinderwagens heb ik er niet veel gezien.
Bij economen zijn die agglomeratie-effecten in de mode, en voor Nederland wordt nog wel eens geconstateerd dat we daarin met onze Randstad-structuur en Brabantse stedenrij achterblijven. Maar, zoals we o.a. recent in de Zuidhollandse PAL vaststelden, je kunt de zaak moeilijk afbreken en rond Alphen aan de Rijn opnieuw beginnen. Je kunt op zijn best zorgen dat de verbindingen tussen onze steden en stadjes zo goed mogelijk zijn. En dat we de positieve kanten van ons model uitbuiten.
Daarbij horen in onze situatie lagere woonlasten, lagere reiskosten en meer groen en leefbaarheid. De Japanse collega's die ik sprak klagen zeer over de hoge woonlasten in Tokyo en het feit dat velen dan daarbij ook nog een uur moeten reizen naar hun werk. Ik vrees dat die private lasten helemaal niet meegenomen worden in de berekening van de agglomeratie-effecten, dat zich op nationaal inkomen baseert, niet op een MKBA-achtig kengetal of vrij-besteedbare huishoudinkomens..

dinsdag 17 maart 2015

Zen and the art of escalator maintenance

Japan is een goed georganiseerd land met vriendelijke en zeer beleefde omgangsvormen. Maar niet uniform, het leent zich zelfs voor onderzoek met natuurlijke experimenten. Zo moet je bij sommige bussen voorin instappen en betalen (ongeacht hoe ver je mee gaat) en achterin uitstappen. Bij andere moet je achterin instappen en vooraan betalen en uitstappen. Soms een uniforme prijs, soms moet je bij het instappen een kaartje met een nummertje trekken en speelt de afstand een rol in de af te rekenen prijs. Ik heb niet kunnen ontdekken wat de logica achter de systemen is en welke het beste werkt. Mogelijk speelt een rol dat Japan zijn openbaar vervoer aardig geprivatiseerd heeft. Zo zijn er verschillende spoorwegmaatschappijen en in Tokyo zelfs 2 metro-exploitanten. Het lijkt dus wel te kunnen, dat splitsen van infrastructuur (Pro-Rail) en de exploitatie (NS).
Enfin ik wou het hebben over roltrappen. Daarvan kent ook Japan twee typen gebruikers. Je hebt mensen die een roltrap of lopende band zien als een hulpmiddel om zonder de inspanning van (trap)lopen ergens te komen. En je hebt mensen die het een hulpmiddel zien om meer vaart te maken. De eerste groep blijft staan op de roltrap, de tweede loopt door over de bewegende trap. Om dit mogelijk te maken houdt de stilstaande groep goed links, of rechts.

Dat laatste verschilt. In linksrijdend Japan houden de stilstaanders meestal links, maar rond Osaka houdt men rechts. En dus is er een overgangsgebied waar de situatie onduidelijk is (zoals rond Nara, ook met veel toeristen – mooie oude tempel met grote Buddha trouwens, ondanks de hertjes).
Dat heeft gevolgen voor het onderhoud van de roltrappen. In linkshoudend Tokyo zijn de linker mechanismes van de trappen eerder versleten, in Osaka de rechter. Dat weten de onderhoudsmonteurs nog wel, of kun je ze meegeven, maar in het schemergebied is het niet helder. En is dus de planning van onderhoud lastig. Men doet het te vroeg (of te laat, met stilstaande trappen als gevolg) of houdt dezelfde tijd aan maar schroeft eerst de verkeerde kant open.

Maar nu is er Big Data, zo legde een meneer van IBM Japan uit op een seminar aan de Universiteit van Tokyo waar ik een key note presentatie gaf over ons EU Future Internet werk. De video control beelden helpen al, want daarmee kun je monteurs meegeven of mensen op de roltrap vooral links of rechts hebben gestaan.
Maar dan nog doe je het onderhoud op regelmatige tijden, na X draaiuren. Die X is een inschatting van de kans op storing en de kosten ervan versus de kosten van tijdig(er) onderhoud plegen. Dat is dus meestal als het nog niet nodig is, omdat stilstand grote schade heeft.
En daarom gaat Internet of Things helpen want dat leidt tot wat in het vakjargon inmiddels “predictive maintenance / voorspellend onderhoud” heet: de storingsgevoelige onderdelen worden uitgerust met een goedkope sensor die of continu is uit te lezen of die bij een bepaald slijtage- of belastingsniveau gaat piepen. En dan vindt onderhoud plaats. Ook dat niveau kan worden bepaald op basis van schade bij stilstand en kosten van onderhoud. Maar nu wordt dat niet meer bepaald op gemiddelde ervaringscijfers van alle roltrappen (in een regio) maar op basis van de werkelijkheid die een forse spreiding kent. En dat is stukken goedkoper. Leve big data.

En sinds lange tijd weer eens een luistertip: de enige Japanse internationale pop-hit, het 1963 nummer Sukiyaki van Kyo Sakamoto  (althans in het Japans, Yoko Ono is een ander verhaal). Ik leer van Youtube dat de Japanse tekst en aanleiding niet helemaal gedekt wordt door de food-titel van het nummer. 

maandag 16 maart 2015

waterschappen

Voor Boerenbusiness schreef ik een column over de waterschapsverkiezingen van woensdag. Lees alhier.