Posts tonen met het label uitgelezen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitgelezen. Alle posts tonen

woensdag 12 augustus 2020

Jac. P. Thijsse en Wageningen

 

In het brievenboek Wanhoop nooit aan vooruitgang, dat ik hier gisteren introduceerde, kwam ik ook nog wat interessante passages tegen waarin Thijsse zich uitlaat over Wageningen. Er was blijkbaar de nodige strijd tussen de natuurbescherming en de bosbouwers (die vonden dat je het bosbeheer aan hen over moest laten). 

In 1930 schrijft Thijsse over de Zuiderzeedebatten. Blijkbaar was er vanuit sommige hoeken de nodige kritiek op het door Lely gestarte project. Bezorgster Marga Coesel annoteert in een voetnoot met een stuk uit het Algemeen Handelsblad waarin termen vallen als "Wat zijn we begonnen"en "een groote riskante onderneming". Thijsse: "Bij het lezen van de Zuiderzeedebatten doet zich de vraag op (sic!: doet voor / doemt op), of het met het oog op de kolonisatie van de Zuiderzee ook raadzaam zou zijn om de ontginning van de woeste gronden (vooral die van de Moergestelsche Broek), toch liever stop te zetten. Zodoende wordt dubbel nadeel voorkomen. [ik neem aan dat hier gedoeld wordt op behoud natuur en voorkomen prijsbederf in landbouwproducten, het was crisis- kjp]. Er wordt toch eigenlijk niet geregeerd, iedereen gaat maar zijn eigen gangetje, en niemand overziet heel Nederland, dat anders toch zo buitengewoon groot niet is. de landbouw-enquête onderstreept het feit dat Wageningen niet up to date is. 

Op welk punt dat Niet up to date dan geldt en waarom dat uit de landbouw-enquête blijkt, blijft helaas onduidelijk. Een jaar later was Thijsse in een brief aan de Wageningse landbouwingenieur Willy Burdet, die jaren in de VS had gewerkt, al een stuk positiever:

"Trouwens, heel Wageningen is in de opgaande lijn en je zult daar sinds je studietijd in allerlei opzicht belangrijke vooruitgang kunnen constateren."

En in mei 1943 lijkt Wageningen hem een betere bestemming dan een carrière op zee (gezien de datum niet zo raar). Aan Hans Warren schrijft Thijsse; "Ik zou zoo graag willen, dat mijn jongste kleinzoon Willy, die naar zee wil. liever Wageningen koos en land- en boschbouw ging studeren. Hij is nu onlangs met zijn vader den Noordoostpolder in geweest en heeft gelukkig een beetje 'erg' gekregen.". Waarna Warren advies krijgt over onderduiken, overigens geheel los van de NOP. 

zondag 6 oktober 2019

historische kaartjes

Onlangs was ik bij de Drukkery in Middelburg, een van de betere boekhandels in dit land, en daar hadden ze nog een pallet staan met een uitgave uit 2006, De Grote Historische Atlas Zeeland. Het gaat om topografische kaarten uit het begin van de vorige eeuw. De atlassen zijn overigens voor alle provincies gemaakt. Voor nog geen tientje nam ik er een mee; mooie lectuur voor een regenachtige zondag.
Leuk om wat bekende locaties op te zoeken. Bij Boudewijnskerke heette de Baaiweg nog Oostweg, Bij Oostkappelle liep de Baaijenhovense weg nog voor de boerderij van die naam langs, die er nog niet was. Maar op Oud-Vossemeer was de Hikkepolder met de boerderij Welgelegen (maar zonder Speelhuys) al zoals ik hem van mijn fietstochten naar de lagere school herinner - inmiddels is dat door het Rijn-Schelde kanaal met een nieuwe brug ook al weer veranderd.
De auteurs hebben ook last van die nostalgie. Ze schrijven dat er een onwaarschijnlijke schoonheid van het toenmalige landschap verloren is gegaan. Dat is zo, maar deels is dat een bewering vanuit onze optiek. Deels ging het verloren door het zoute water van de oorlog en de ramp en dat waren in de ogen van die generatie goede reden het landschap maar eens even gereed te maken voor de tractor.
Overigens een mooie beknopte geschiedenis van het landschap ter inleiding in de atlas: hoe rond het jaar 1000 Zeeland en omliggend gebied er nog uitzag zoals nu het land van Saeftinghe - een veengebied dat sinds het jaar 0 was verzonken en waar de zee zijn klei op had afgezet waardoor schorren weer hoger werden. Zodat er in de zomer herders met schapen verschenen en in de Karolingische tijd mensen op wat kreekruggen ringwalburchten opwierpen, om zich tegen de Noormannen te beschermen: Burgh, Souburgh, Oostburg, Middelburg (dat 500 jaar later de 2e stand van Nederland zou zijn). En vanaf het jaar 1000 wordt er dan ook bedijkt. Dat Middeleeuwse landschap was rond 1900 op veel plaatsen nog in stand. Mooie atlas, voor geen geld.

dinsdag 28 augustus 2018

gezinsbedrijven

Politici willen nog wel eens claimen dat gezinsbedrijven efficienter zijn dan niet-gezinsbedrijven. De theorie geeft daar ook 5 mogelijke oorzaken voor, die Philip Kostov, Sophia Davidova en Alistair Bailey nog eens samenvatten in een paper in de ERAE:

  • in situaties met weinig mogelijkheden tot specialisatie en veel taken
  • korte productiecycli
  • geringer aantal productiecycli (in deze 3 gevallen loont specialisatie onder leiding van een manager niet erg)
  • hogere risico's door shocks in productie, variatie in opbrengsten en meer onzekerheid (dat leidt tot lage winst/risico verhoudingen en vooral onvoorspelbaarheid daarvan)
  • hoge kosten van monitoring van personeel.
Ik zou daar aan toevoegen het feit dat door sociale lasten, hoge uurlonen bij nacht en weekend etc ingehuurde arbeid duur is. Maar dat terzijde. Het trio heeft ook gekeken in een aantal Europese landen of gezinsbedrijven het beter doen dan de corporate farms, die vooral in midden- en oost europa voorkomen. Dat is lang niet altijd het geval. 


zondag 22 juni 2014

property rights, transactiekosten en incomplete contracten

In de bundel van Enrico Colombatto, overigens uit 2004 alweer, die ik weer ter hand nam (zie de blog van gisteren) las ik een paper van Pierre Garrouste. Hij legt de verschillen uit tussen de theorie die de onderneming als een bundel van eigendomsrechten ziet (met een oude en nieuwe variant van de property rights theorie), de theorie van de incomplete contracten en de transactiekosten-theorie van de onderneming. Een paper voor insiders en mogelijk dat er 10 jaar later al een betere versie is of meer integratie.
Dat ik het toch noem komt doordat hij een paper aanhaalt waarin de theorie werd getest. Uit de Amerikaanse bedrijfstak van vrachtauto-vervoer (trucking). De introductie van on-board computers leidde tot meer mogelijkheden voor contracting, en tot meer geintegreed eigendom van het productiemiddel, met andere woorden tot meer integratie. Kunnen we bij de introductie van de drone in de wijnbouw (foto) dus ook verifieren.

Pierre Garrouste: The new property rights of the firm in E. Colombatta (ibid).

maandag 14 april 2014

Flower power: de ongemakkelijke kant van MVO

is de titel van een column in The Economist van een week geleden, waarin het blad de bloemenindustrie in Kenia even doorlicht en een paar fraaie constateringen doet over het omver halen van ideologische zekerheden.
Het blad ziet 3 trends: om te beginnen twee tegengestelde consumenten eisen waar de machtige Britse retail zeer sterk op stuurt: meer waar voor je geld (lagere prijzen dus) en maatschappelijk verantwoord (CSR). De derde zijn lokale omstandigheden in Kenia. met 3,2 miljard US$ omzet en 4.5 miljoen directe banen beginnen grond en arbeid duur te worden en ontstaan er inderdaad ook allerlei milieu-effecten op beschikbaarheid van water en migratieproblemen. Waarbij overigens het debat bij de consument doorgaat of je nu duurzamere bloemen uit het Westland of uit Kenia haalt.
Gevolg hiervan: er ontstaat een golf van consolidatie en verticale integratie waarbij bedrijven als VP-Group (die de Longonor Farm bezitten die in het artikel beschreven wordt) dichter tegen de retailers aankruipen. Ze breiden ook uit naar Tanzania, Ethiopie, Zanzibar, Namibie. En gaan in toegevoegde waarde: bij het vliegveld van Nairobi staat een fabriekshal waar 2000 mensen continue groentes omzetten in kant-en-klaar salades.
Dat brengt allemaal inkomen, zodanig dat het ook een middenklasse in Afrika helpt ontstaan. Maar de keerzijde is dat deze integraties de traditionele onafhankelijke tuinders ("many of them white and sharp-eyed middlemen, many of them Indians") er uit concurreren. Precies overigens wat je in theorie mag verwachten van deze aandacht voor andere zaken in de transactie dan prijs en volume.
Het leidt ook tot veel innovatie, omdat die grotere integraties daar tijd, geld en management voor vrij kunnen maken (die blijkbaar ontbrak bij de kleinere bedrijven of de overheids-onderzoeksstructuur daar omheen), waarmee de CSR doelstellingen en lagere kostprijzen tegelijkertijd worden gerealiseerd.
En daarmee leidt de hele aandacht voor CSR tot twee ongemakkelijke waarheden, zo concludeert The Economist: ter linkerzijde is men verward omdat de beweging naar CSR leidt tot machtige agri-business concerns ten koste van het gezinsbedrijf. En aan de rechterzijde is men verward dat de CSR eisen leiden tot meer innovatie en hogere productiviteit tegelijk (de verklaring is natuurlijk dat je er meer management instopt, maar dat is nu eenmaal slecht meetbaar).

The Economist: Flower Power, Schumpeter column, 5..4.2014

maandag 23 december 2013

Mercosur - EU

Hoe zou het eigenlijk met de handelsbesprekingen tussen de EU en de Mercosur zijn, zo vroeg ik me onlangs nog af. Omdat het mede de toekosmt van de veehouderij bepaalt. The Economist van 14 december komt met het antwoord. Er zit na jaren stilstand weer voortgang in, met name Brazilie wil de boot niet missen in de regionale handelsdeals (zoals EU-Canada en TTIP). Argentinie heeft minder haast.
"Success would help stagnant Europe to export its way back to growth and open new markets for Mercosur's efficient farmers. Failurs would leave Europeans overpaying for food (..)", zo schrijft het blad. En het denkt dat goedkoop voedsel aan belang op de agenda gewonnen heeft om koopkracht in stand te houden, terwijl een extern argument om in de GLB kosten te snijden ook welkom zou zijn.

In het zelfde blad overigens de constatering dat er geen wetenschappelijke argumenten zijn tegen GMO-voedsel (en de suggestie dat zij die klimaatveranderings-sceptici terecht van niet-wetenschappelijk denken betichten, consequent moeten zijn) maar dat juist in China de onrust over GMO toeneemt als gevolg van voedselveiligheidsproblemen.

The Economist: Strategic patience runs out. 14.12.2013

zondag 4 augustus 2013

Payback


De opbrengsten van innovatie zijn in een bedrijf lastig te meten (en in de economie in zijn geheel nog lastiger). Toch zijn er af en toe auteurs die er licht op proberen te werpen. Zoals James Andrew and Harold Sirkin (van de BCG groep) die in 2006 het boekje Payback - reaping the rewards of innovation publiceerden bij de Harvard Business School Press.
Ooit ergens cadeau gehad en het lag al een paar jaar op de Te lezen stapel. Op een vlucht naar Washington (waar de KLM zo aardig was om mij naar de bussiness class te upgraden, en zo voor perfecte leesomgeving zorgde) nam ik het door.
Centraal in hun boek staat de cash curve - hoeveel geld moet erin en wanneer krijg je het er weer uit. Er zijn namelijk 3 fasen: Idea Generation (werk het product of de dienst uit tot iets wat je zou kunnen produceren (technisch prototype) en vermarkten (business plan), Commerialisation (werk het idee uit van de top management go/no-go tot de product launch), en Realisation. Die eerste twee kosten veelal bakken met geld.
De cash-curve wordt over deze 3 fasen bepaald door de 4 S-en:
  • Startup-cost
  • Speed (time to market)
  • Scale (time to volume)
  • Support Costs
Overigens erkennen de heren dat innovatie ook om andere reden kan plaats vinden (of bij-voordelen knnen hebben): Kennis (voor andere producten, innovaties), Merk / imago (bedrijf herpositioneren), Ecosystem (partners binden) of Organisatie (mensen binden, cultuur).
En de auteurs zien 3 modellen die bedrijven toepassen in het managen van de cashcurve: Integratie (veel zelf doen), Orkestratie (het econsysteem mee laten innoveren aan jouw product) of Licensing (de realisatie fase uitbesteden via patenten, Dolby Labs met zijn geluidsknowhow is een mooi voorbeeld).

woensdag 5 juni 2013

Sorteren van euro's

Er zijn economische experimenten die alleen Europeanen kunnen bedenken. Michele Belot (Edinburgh) en Marina Schroeder (Magdeburg) gebruikten op creatieve wijze de euro. Ze gaven aan vrijwilligers een doos munten ter waarde van 780 euro, met de vraag die te sorteren op hun unieke voorkomen. De euro heeft 160 verschillende munten (heb je ze al compleet?), naar waarde (van 1 cent tot 2 euro) met per land een verschillende afbeelding. Voor 17 eurolanden plus Monaco, San Marino en Vaticaanstad, die ook euro's uitgeven. Beloning voor het sorteren: 20 euro.
Dat is een simpel klusje, zeker als je er lang over mag doen en de doos mee naar huis mag nemen. Veel kennis of vaardigheid is er niet voor nodig. Belangrijk voor dit experiment. Mede daardoor is ook slecht werk goed meetbaar: slecht gesorteerd, laat opgeleverd en diefstal. Met opzet bevatten de dozen namelijk munten van het Vaticaan en die zijn meer waard in de verzamelmarkt dan de waarde die er op staat: een munt van 50 cent doet on-line 3 euro, dus door zo'n munt om te wisselen met een eigen munt kon een vrijwilliger 2 euro vijftig verdienen, meer dan 10% bonus.

wel of niet monitoren?
Economen wisten al dat een externe (financiele) beloning de intrensieke motivatie kan aantasten. Bekend is het voorbeeld dat als je voor bloed afgeven gaat betalen, sommige mensen niet meer mee doen, het is teveel handel geworden. Dat geldt vooral ook als je een tijdje betaalt, en daarna niet meer, of minder.Het euro-experiment was ook bedoeld om te zien of je veel tijd en kosten moet besteden aan het meten van prestaties van mensen, en ze daarop moet uitbetalen, of dat je het wel aan de eigen motivatie van medewerkers kunt overlaten.
Het euro-experiment leert dat matig monitoren een slecht idee is. Bij niet-monitoren heb je geen kosten van toezicht en van een bonus, je betaalt meteen bij het opleveren van het resultaat de 20 euro die is afgesproken. 10% van de vrijwilligers ontvreemde de Vaticaanmunt, maar dat was in de andere groepen niet hoger of lager.
Het andere uiterste was intensief monitoren. Die groep kreeg een strafkorting van 15 euro als meer dan 2 munten fout gesorteerd waren. 16% maakte meer dan 10 fouten (blijkbaar is het niet zo simpel als het lijkt) maar sommigen gingen langzamer werken en leverden de doos pas laat weer in.
De middenweg (1 euro strafkorting bij meer dan 10 fouten) leverde de meeste problemen op: 30% maakte meer dan 10 fouten, slechter dan de groep die helemaal niet gemonitored werd. Ook waren er meer laat-sorteerders. Kortom de kosten van die monitoring waren weggegooid geld.
Conclusie: fors monitoren of helemaal niet monitoren. Een beetje monitoren irriteert de goede werknemers en  vermindert hun resultaten ten opzichte van niet begeleiden of zeer intensief begeleiden.

Ontleend aan The Economist: 25 mei 2013

woensdag 29 mei 2013

De heerschappij der wet

En voorlopig de laatste beschouwing over eigendomsrechten (zie de blog van maandag): Ronald Cass buigt zich over de Rule of the law. John Adams (de 2e president van de VS) en David Hume stelden ieder dat de heerschappij van de wet er is om te zorgen dat we een overheid van wetten en niet van mensen hebben. Recht zonder aanziens des persoons, vrij van willekeur en daarmee minder gevoelig voor corruptie.
Hayek gaf daar een mooie economische gevolgtrekking aan: het betekent dat de overheid zelf in al zijn handelingen is gebonden aan de vaste regels die van te voren aangekondigd zijn - regels die het mogelijk maken om met een redelijke zekerheid in te schatten hoe de autoriteit zijn macht in bepaalde situaties zal gebruiken zodat een individu op basis van deze kennis zijn handelingen kan plannen.
Dat betekent vier elementaire onderdelen:
  1. betrouwbaarheid van de regels
  2. voorspelbaarheid van de toepassing van de regels
  3. deugdelijkheid van de regels in de afleiding ervan
  4. aanvaarding van een externe autoriteit die de regels stelt.
Cass past een en ander toe in het beschrijven van de landhervormingen / onteigeningen in de VS en in Zimbabwe, met natuurlijk duidelijke verschillen.

R.E. Cass: Property right systems and the rule of law in E. Colombatto: The economics of property rights.

zaterdag 11 mei 2013

Common law of Civil law?

Discussies onder economen over wetgeving gaan onherroepelijk ook over de vraag wat er voor de welvaart beter is: de civil law zoals wij die op het continent van Europa hebben, of de common law van de angelsaksische landen.
Gezien de innovatieve economieen van de UK en US (met de uitzondering van Lousiana, dat aan de Franse tijd civil law heeft overgehouden - leuke quizvraag) lijkt de common law goede papieren te hebben, in ieder geval is er correlatie. Civil law, ons burgerlijk recht, gaat via de wetgeving van Napoleon terug op het Romeins recht. In het common law systeem is er een minder grote rol voor de wetgever, en een veel grotere voor de rechter, die zijn oordeel vooral ook velt op basis van eerdere soortgelijke gevallen. Dat lijkt flexibeler in de zin van makkelijker aanpasbaar aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen - een wet wijzig je minder snel (maar biedt dan misschien weer meer zekerheid).
Common law heeft in de regel minder verschillende soorten rechtbanken, met hun eigen procesregels. Er zijn veelal ook geen specifieke rechtbanken die zich met staatsrecht (administrative law) en de verhoudingen tussen de staatsorganen bezig houden. Economen vinden veelal dat dit betekent dat er minder complexiteit is en minder transactiekosten zijn. Geen idee of er is uitgezocht of er ook een verlies aan specialisatie is.
Waar de economen ten aanzien van de common law vooral enthousiast over zijn, is het rechterlijk bevel (de injunction). Daarmee legt de rechter een partij de plicht op iets niet meer te doen (of te doen). Op basis daarvan kunnen partijen dan gaan onderhandelen en de meest efficiente oplossing vinden of de claim afkopen. Dat in contrast tot ons burgerlijk recht dat de aansprakelijkheid via een schadeclaim afhandelt.
Het rechterlijk bevel lijkt daarmee beter aan te sluiten op het ideaal van Coase die aantoonde dat het voor de efficiency (en dus onze welvaart) niet uitmaakt wie van de kemphanen een eigendomsrecht (om iets te doen) heeft als er maar weinig transactiekosten om te onderhandelen zodat -mocht dat aan de orde zijn- de andere partij de goedkoopste schadebeperkende maatregelen neemt.
Als de transactiekosten (de kosten van zakendoen: vinden van een business partner, monitoren van de transactie, handhavingskosten etc) laag zijn dan is een uitspraak over een aansprakelijkheid via een rechterlijk bevel als startpunt van onderhandelingen een efficiente oplossing - de rechter creeert een eigendomsrecht. Zijn ze hoog, dan is een actie voor schadevergoeding beredeneerd vanuit een bestaand eigendomsrecht efficient, de rechthebbende kan dan de schade claimen en hoeft ook nog eens duur te gaan onderhandelen of betalen wel het handigst is.
Wie dit een interessante materie vindt, leze Norman Barry: Property rights in common and civil law, in: E. Colombatto - The economics of property rights.

donderdag 9 mei 2013

lijstje: typen insitituies

Rechtsystemen kunnen door elkaar lopen. Een fameus voorbeeld is het oude Nederlands Indie waar lokale wetgeving, religieuse wetgeving (islam) en Nederlands koloniaal recht gedeeltelijk overlapten. Bruidschatten (in India), drugs en (in de Amerikaanse drooglegging) drank zijn verboden maar bestaan en mensen handelen er in - waarbij soms de maffia het voor het zeggen heeft hoe met de eigendomsrechten omgegaan moet worden.
Kortom co-existentie van eigendomsrechten komt vaak voor - en wordt gezien als een probleem voor ontwikkeling omdat het onduidelijkheid schept. Maar het sechtp ook kansen, zo beargumenteert Stefan Voigt in een paper over dit issue in het hier besproken boek (zie de blog van gisteren).
Hij onderscheidt alleraardigst 5 soorten instituties, ieder met hun eigen type van controle;
1. Conventie, waarbij iedereen uit zichzelf zich aan de regels houdt en dus controle (enforceement) niet nodig is. Het bekendste voorbeeld is rechts rijden. Dit bepaalt het eigendomsrecht van het schaarse goed dat we de Weg noemen. Niemand kan zijn positie verbeteren door links te gaan rijden, en dus is controle niet eens nodig. Het is overigens een Nash-evenwicht, er is ook nog een andere oplossing mogelijk, zoals in Suriname: links rijden.
2. Ethische regel, waarbij de actor uit zichzelf zich aan de regel houdt.
3. Gewoonte (custom), ook een morele norm (net als 2) maar dan afgedwongen door de gemeenschap. Als reputatie belangrijk is, kan dat een zeer machtig controlemiddel zijn (denk aan wat sommige Koerdische vaders doen bij ongwenst gedrag van hun dochter).
4. Private regels, afgedwongen door georganiseerd private regels zoals boeteclausules en arbitrage.
5. Overheidswetgeving, waarbij de staat toeziet op effectiviteit.

Voigt ziet vier soorten samenhang tussen de diverse niveaus:
1. neutraal omdat de regels over verschillende domeinen van ons gedrag gaan
2. complementair omdat de staatsregels en de private regels hetzelfde gedrag uitlokken en langs beide wegen sanctioneren
3. subsitutie: de beide instituties lokken hetzelfde gedrag uit, maar sanctioneren gebeurt maar door 1 van de twee, privaat of via de staat
4. conlicterend: wie zich aan de ene institutie (bv. een traditioneel gewoonterecht of religieus recht) houdt komt in conflict met overheidswetgeving.

Groei van de economie lijkt niet gebaat met conflicterende instituties. Maar er zijn uitzonderingen denkbaar. Zoals de beroemde studies van Herman de Soto in de sloppenwijken van Peru. Het staatsrecht liet het daar afweten als inefficient en er onstonden informele eigendomsrechten die wel werkten en ontwikkeling mogelijk maakten maar juridisch in strijd waren met de wet.

woensdag 8 mei 2013

eigendomsrechten in de Mid West

Eigendomsrechten veranderen als gevolg van de veranderingen in de relatieve prijzen van goederen en de technologie die nodig is om die goederen te produceren. Zo stelde Harold Demsetz al in 1967. Daarbij zijn transactiekosten belangrijk. Die hebben allerlei oorzaken, maar in het bijzonder zijn ze terug te voeren op informatie-problemen.
In een paper in het boek dat we hier de afgelopen dagen bespraken, geeft Gary Libercap twee mooie empirische voorbeelden uit de landbouw. De ene gaat over waterrechten in het westen van de VS. De andere vat ik hier samen en gaat over de landbouw in de Great Plains (het verre wilde westen) van de VS, zoals Montana
De Amerikanen waren gewend om bedrijven uit te geven (wie het eerst was kon er 1 claimen) van 160, later (sinds 1909) 320 acre (een acre is ongeveer even groot als een gemet in ZW Nederland: 0,4 ha, er gaan ca. 2,5 acre in een ha).
Oregon, USA
Ook ten westen van de 98ste meridiaan, de zeer droge Great Plains, was dat de maat. Zo stond het nu eenmaal in de wet. Er was weinig (wetenschappelijke) kennis van landbouw onder zeer droge omstandigheden en de periode waarin de kolonisten arriveerden was ook nog een vrij nat decennium. Historische neerslagcijfers ontbraken. Er was zelfs het idee dat ploegen goed was voor de regenval (the-rain-follows-the-plough doctrine).Hoewel al in 1879 John Wesley Power in zijn Report on Arid lands of North America beredeneerde, dat een bedrijven in zo'n klimaat toch wel 2560 acres, dus bijna 10 keer de gebruikelijke grootte, zou moeten zijn.
Politici wilden er niet aan, aan grotere bedrijven. Ze hadden teveel belang bij bevolking: het aantal inwoners bepaalt het aantal zetels in het huis van Afgevaardigden. Op county niveau gold hetzelfde.  De belastinginkomsten van de counties waren afhankelijk van levendige lokale gemeenschappen.
In de jaren dertig zagen de federale ambtenaren de armoede op dit platteland en stelden dat migratie naar de steden de oplossing moest zijn. Trek naar California (en dat gebeurde deels, zie John Steinbeck). Grotere bedrijven waren nodig. En men begon kleine bedrijven uit te kopen. Dat leidde echter tot sterke tegenstand van lokale politici, gesteund door kleine bedrijven die het nog even konden uitzingen omdat ze alleen variabele kosten hoefden goed te maken, en in deze tijd van werkeloosheid (Depressie) niet naar de stad wilden. Het was deze groep kleine bedrijven die met regionale politici voor een pro-family farm beleid lobbyde. Uitkopen werd vervangen tot subsidies.
Het zijn die subsidies die de transactiekosten van consolidatie in grotere bedrijven sterk deed oplopen. Onrendabele bedrijven werden in stand gehouden en de grondprijs in de benen. Die kleine bedrijven boerden te intensief en hadden minder belang bij het bestrijden van winderosie, waarvan de voordelen benedenwinds lagen, bij kleine bedrijven dus bij de buurman.
Uiteindelijk is de consolidatie van bedrijven er toch gekomen. Het heeft 60 jaar geduurd, en kwam tot stand doordat kleine boeren geen opvolger hadden. Dat maakt het wel een socialer proces, maar tot die conclusie komt Gary Libecap niet: die is het te doen om het feit dat de politieke economie geleid heeft tot hogere transactiekosten om tot een optimale bedrijfsgrootte te komen.
De water-case laat ik voor zelfstudie, evenals het uitwerken van de analogie met ons eigen GLB.

Gary Libecap: The effect of transaction costs in the definition and exchange of property rights: two cases from American experience. In: E. Colombatto - the economics of property rights.

dinsdag 7 mei 2013

Cultuur en export van instituties

Soms houd ik een pleidooi om onze instituties zoals de gouden driehoek (v/h OVO3luik) met daarin ook LEI, VWA, DLG, DR activiteiten van de overheid te kopieren in landen in de groei, van Saoedi Arabie tot diep in Afrika.
Daarbij moeten we dan wel goed rekening houden met cultuur, zo werd me gewaar uit het paper van Seth Norton ("Empirical issues in in culture and property rights") in het handboek dat ik aan het lezen ben en hier bespreek (zie de blog van gisteren).
Het begrip cultuur staat niet erg centraal in de economie, zo constateerde Chicago econoom Gary Becker al eens spijtig. Het begrip is ook niet erg eenduidig gedefinieerd: de een kijkt meer naar symbolisme, de andere meer naar 'a way of life'.
De guru op dit vlak is Geert Hofstede die het meetbaar maakte: de VS kenmerkt zich door extreem individualisme, Maleisie door groot belang van macht, Zweden (en in zekere zin heel Scandinavie, incl. Nederland) als feminien.
Americana uit Boston
Seth Norton voerde een empirische analyse uit waarin hij de Hofstede indicatoren koppelde aan metingen van eigendomsrechten, zoals respect voor de wet (corruptie e.d.) en voor eigendomsrechten (kans op onteigening en openbreken van contracten door de overheid). Dat is van belang omdat er mensen zijn (de institutionele kijk) die stellen dat instituties niet alleen heel belangrijk zijn voor een economie maar dus ook kunnen worden geexporteerd als ze superieur zijn. Daar tegenover staat dat de culturele kijk, die stelt dat instituties ook sterk cultuur-gebonden zijn en mede omdat cultuur zeer lastig is te veranderen, moet je niet al teveel verwachten van de exporteerbaarheid. Ofwel (in mijn voorbeeld): hoewel Malta en Cyprus delen van de Engelse instituties hebben overgenomen en omarmd, hebben ze ook te maken met een daarmee deels strijdige Mediterraanse cultuur (Griekenland is het land met de hoogste mate van ontlopend van onzekerheid).
Welnu de regressies van Norton geven veel steun aan die tweede hypothese. Beneficial human arrangements "are not more common because nation-states seems to be locked in to some long-standing institutional endowments. These conditions are affected by religion and ethnic diversity (controle-variabelen in het onderzoek - kjp). However, the most striking fact is that they are not more common because cultural values and beliefs seem to profoundly effect the institutional configuration. The data are only suggestive, but they do indicate that reforming institutions might require a lot more than the imposition of a set of desirable legal arrangements". 
Niet opgeven dus, maar wel slimmer exporteren van instituties.

maandag 6 mei 2013

eigendomsrechten veranderen naar behoefte

Met de Paasdagen schreef ik hier enkele posts die aantekeningen waren uit een boek over de economie van eigendomsrechten. Het ging om de rol van de kerk, een Robinsonade, en de spanning tussen historische rechten en de analyse van Coase bij transactiekosten. Ik hervat de serie bij gebrek aan ander nieuws en bij tijd om te lezen.
Framcesco Parisi geeft een historisch overzicht van de veranderingen in systemen van eigendomsrechten. Bij de jagersvolken spelen eigendomsrechten geen grote rol. Je kunt de huid nu eenmaal niet verkopen voor de beer geschoten is. Op zijn best is er dus een recht op de stroom van opbrengsten. Bij de veehouders speelt eigendom een grotere rol, zo constateerde Adam Smith al. Daar is er bezit (van de kudde) en indringers worden van het erf geweerd. Het zijn vaak ook samenlevingen met nogal ongelijke inkomensverdelingen.  Het eigendom is ook meer in handen van het gezin dan van de clan (die een grote rol speelt in jagers-samenlevingen)
absolute rechten zijn handig
voor stadsontwikkeling
Bij de opkomst van de landbouw, 12.000 jaar geleden, zet de trend zich door en komen er veel meer eigendomsrechten in de samenleving. Maar die zijn vaak wel beperkt. Het zijn functionele rechten. Naast het recht op akkerbouw op een perceel (als dat in een shifting cultivation al niet tijdelijk is) hebben anderen op hetzelfde perceel een jachtrecht of een graasrecht. Op den duur worden sommige van die rechten (zoals het jachtrecht, als er niet veel meer te jagen is) ondergeschikt aan het hoofdrecht.
En dan komen we bij de Romeinen die de laatste stap zetten in deze ontwikkeling. De eigenaar van een perceel is absoluut eigenaar. Met absolute rechten is veranderen makkelijker (sic!): als je een stuk land wilt bebouwen, hoef je maar met 1 eigenaar te praten en hem uit te kopen.
In het middeleeuwse feudale systeem bleef daar weinig van over. Dat was gebaseerd op gebruik / pacht en op persoonlijke relaties. Dat gebruik was steeds vaker partieel (voor een bepaald doel) en de persoonlijke relaties mondden uit in een feudale piramide.
Dat was te knellend voor de ontwikkeling en ging met de Franse Revolutie ten onder. Daarmee werd het absolute eigendomsrecht herstelt. De Amerikanen gingen meteen ver: je bent daar ook eigenaar van de mijnbouwschatten in en onder je grond. Geen wonder dat je dan positief over schaliegas denkt.
Het absolute is volgens de auteur Parisi hier en daar aan slijtage onderhevig. Dat zie je bij stadsplanning en ook bij open access van infrastructuur. Als je daar de facto monopolist van bent kun je iemand geen aansluiting weigeren.
Kortom: eigendomsrecht-systemen veranderen met de behoefte van de samenleving.

F. Parisi: The origins and evolution of property rights systems in: E. Colombatto (ed): The economics of property rights.

zaterdag 23 februari 2013

Schaduwprijs

Economen gebruiken schaduwprijzen als echte prijzen niet bekend zijn. Ze schatten dan een prijs. Bijvoorbeeld voor de prijs die een boer bereid zou zijn om nog een uur extra te werken. Of de alternatieve waarde van een ha landbouwgrond.
Recent hebben een aantal economen met tal van geavanceerde econometrische berekeningen geprobeerd zulke schaduwprijzen te berekenen. Het ging ze er om welke methode de meest aannemelijke resultaten zou opleveren. Daar zal ik je niet mee vermoeien (als was het maar om dat die methoden me te ingewikkeld zijn om uit te leggen). Maar wel met wat die schaduwprijzen dan zijn. Die werden geschat op individueel bedrijfsniveau voor akkerbouwbedrijven.
In Frankrijk, West-Duitsland en het VK bedraagt de schaduwprijs voor de arbeid 9 euro per uur (prijspijl 2005). Dat is dus wat de mediane (pakweg gemiddelde) boer maximaal wil betalen om nog een uur arbeid in het bedrijf te stoppen. Of omgekeerd: waar hij bereid is nog een uur extra voor te werken. In Oost-Duitsland, Italie en Polen is het nog geen 2 euro. Nederland zat niet in het onderzoek, maar de Denen spannen de kroon met een gezonde 20 euro - akkerbouwers hebben daar blijkbaar alternatieve inkomensbronnen.
De schaduwprijs voor grond is overal bijna gelijk aan nul. Dat mag je verwachten: er is in de regel geen alternatieve opbrengst van landbouwgrond, anders dan landbouw. Productie-elasticiteiten zijn dus erg laag en er is een overschot aan vaste productiemiddelen, zoals gebouwen en machines - zo constateren de onderzoekers.
 
Martin Petrick and Mathias Kloss: Identifying factor productivity from micro data. Factor Markets working paper, januari 2013

zondag 22 januari 2012

Rational optimist


Economen worden er nog wel eens van beticht dat ze het niet eens kunnen worden, maar biologen lijken daar ook last van te hebben. Na Jared Diamonds Collpase (zie de vorige blogs) las ik The Rational Optimist, een bestseller uit 2010 van Matt Ridley, ook een bioloog. Maar misschien geldt mijn indruk alleen voor biologen die over economie schrijven.
Waar Diamond weliswaar verklaart niet pessimistisch te zijn maar toch een sombere kijk op de problemen heeft, begint Ridley zijn boek met een fraai verhaal over hoe het steeds beter gaat met de mensheid. En hij laat even zien wat de werkelijkheid van ziekte, geweld en honger is achter de nostalgische beelden van bv. het landleven van honderd jaar geleden, of het leven in (de sloppen van) de grote steden. Dat alleen al is het lezen waard, maar het boek is bovenal een mooi overzicht van de evolutie van de mens en de creatie van welvaart.
Economie dus, en Ridley gaat zover dat hij veronderstelt dat de mens geworden is wat hij is, juist door economie en ruil. Dat begint bij de uitvinding (adoptie is wellicht een beter woord) van het vuur. Door vlees te koken of braden is er veel minder tijd nodig voor vertering. Dat zorgde voor verkleining van ons maag- en darmstelsel ten gunste van de groei van de hersenen.
Zo’n 100.000 jaar (en misschien 200.000 jaar) geleden was er een groepje Afrikanen die over ging tot ruilhandel. Misschien wel ook vanwege dat vuur en het koken. Want vuur is moeilijk aan te krijgen maar daarna makkelijk door te geven. En ook de resultaten ervan: een stukje extra [marginaal !] vlees in de pot kook je zo mee, daarmee kan een moeder langer en beter voor haar kind zorgen en de arbeidsspecialisatie is geboren. Vrouw is aan kind gebonden en zorgt voor het verzamelen van groente en fruit, mannen zijn voorzien van in ieder geval enig eten en kunnen langer op jacht voor af en toe vlees, en hebben bij een langere jachttijd ook meer succes. Man en vrouw specialiseren zich (bij de Neanderthalers gebeurde dat niet) en ruilhandel is een feit. Dit gebeurde ook in groepsverband, maar ook los daarvan is het het onderscheiden criterium voor Ridley ten opzichte van dieren. Die kennen wel reciprociteit (you scratch my back, I scratch yours, en ook werkverdeling binnen de familiekolonie, zoals mieren) maar geen ruilhandel waarin het ene goed tegen het andere wordt geruild in een beperkte tijdsspanne.
En vervolgens ontstaat er een innovatie-spiraal. Ruilhandel leidt tot specialisatie en in specialistische functies is het eerder zinvol te investeren in werktuigen. Daarmee krijg je een innovatiespiraal. Die is het sterkst in gemeenschappen die groot zijn, met veel arbeidsdeling (kleine groepen verliezen juist vaardigheden, Ridley komt met mooie voorbeelden – ook interessant is de opmerking dat mutaties / systeemveranderingen altijd in niches buiten de mainstream gebeuren). En je krijgt afnemend geweld: handel leidt tot samenwerking tussen vreemden, terwijl dieren elkaar meteen zouden aanvallen. Voor handel is niet alleen vertrouwen nodig, het genereert ook vertrouwen. Juist ook omdat handel geen zero-sum deal is – beide partijen winnen erbij. Sterker nog, het genereert beschaving, dat kun je van totalitaire systemen niet zeggen.
Al die handel zou wel eens gestart kunnen zijn door vrouwen, die bij huwelijk de groep verlieten voor hun schoonfamilie, maar dus ook in hun oude groep veel verwanten hadden die ze konden vertrouwen voor handel.

Landbouw
Ridley geeft ook een mooi overzicht van het ontstaan van de landbouw, op verschillende plekken in de wereld min of meer tegelijk: doordat na de ijstijd het klimaat stabieler werd, wat een voorwaarde is wil het risico niet te groot zijn. En het ontstond in het Midden-Oosten bij handelsnederzettingen (steden is een te groot woord), waar tot dan toe op verzameld materiaal werd geleefd (inclusief brood bakken). Dat is geen toeval: daar was er behoefte aan, verzamelen van granen leverde niet meer genoeg op. Landbouw hoorde bij de stad, het platteland bleef nog even verzamelen en jagen (aan dat laatste kwam een eind omdat er door de landbouw meer tijd beschikbaar kwam om te jagen en soorten werden uitgeroeid). De volgende stap was dat de landbouw echte steden mogelijk maakte.
Steden die bestonden door specialisatie en dus handel. Ridley trekt de conclusie dat dat goed ging zolang het bestuur contact had met de handel als bron van welvaart en daarvoor de instituties leverde. Maar veelal ontstond vroeg of laat een zelfstandige klasse van bestuurders, keizers, koningen die niet alleen rents naar zich toe trokken, maar wier conspicous consumption, veroveringsdrift en administratieve lasten de handel en specialisatie bezwaarden. Ineenstorting is hier niet het gevolg van externalities en uitputting van hulpbronnen, maar verkeerd gebruikte macht (hoewel elders in het boek Ridley wel stelt dat tot de industriele revolutie de groeikernen stuk liepen op uitputting, resp. oplopende kosten (bomen moesten verder weg worden geveld) en dat Engeland daar onderuit gekomen is door kolen te gaan stoken).
Na zo’n ineenstorting moest iedereen weer terug naar meer zelfvoorziening in het dorp of het klooster en liepen steden leeg. Maar dat waren dan vaak ook weer periodes van uitvindingen, veelal in andere regio’s. Ridley geeft in een notendop een overzicht van de wereldgeschiedenis met handel als leidend thema.
In al deze beschrijvingen gaat Ridley de discussie niet uit de weg. De “nostalgie voor modder” bij sommige westerlingen past zo wie zo niet, net als food miles. Prima dat steeds meer mensen in de stad wonen, dat is prima voor het milieu en de natuur en de mensen zijn beter af in de krottenwijken dan op het platteland – daarom kiezen ze er ook voor. Landbouw is (of in ieder geval was) hard werken voor weinig geld. Biologische landbouw gebruikt teveel areaal en gaat ten koste van natuur. Biologisch-vegetarisch vind Ridley helemaal inconsequent vanwege de noodzakelijke mest. En hij heeft een overtuigend verhaal over biotechnologie, ook in biologisch: daardoor komen we van de bestrijdingsmiddelen af en bt werd er ooit gebruikt. Verder ziet hij weinig in alternatieve energie en zeker niet in biobrandstoffen: we moeten de vierkante meters per persoon verminderen, willen we 9 miljard mensen huisvesten bij de huidige productiviteit, en dus niet vermeerderen met iets wat nuttige grond beslaat, of dat nu windmolens, zonnecel-farms laat staan biobrandstoffen zijn.
De Malthusiaanse problematiek van overbevolking is er in het verleden vaak geweest (het leidde ertoe dat Japan afstand deed van technologie zoals trekdieren en ploegen: te duur, arbeid was goedkoper) en de industriele revolutie met arbeidsbesparende technologie hebben we vermoedelijk te danken aan het feit dat Engeland ook Amerika had, als emigratiebestemming voor goedkope arbeid en als graanleverancier (zodat de wet van de dalende meeropbrengsten niet toesloeg). Wat Malthus mogelijk over het hoofd zag, zo redeneert Ridley, is dat het aantal kinderen per gezin een economische beslissing is. Als vrouwen vrij in hun keuze zijn (en opgeleid) en een redelijke zekerheid hebben dat hun kinderen in leven blijven, blijft het bij een paar. Zeker in de stad in een omgeving van welvaart, waar kinderen al snel een luxe consumptiegoed zijn, waar ze op het land veel goedkoper want al snel een productiemiddel zijn.
Verder bespreekt de Brit Matt Ridley kritisch alle onheilsvoorspellingen en milieuzorgen die dagelijks over ons heen gestort worden. De fout die we maken is teveel uit te gaan van extrapolatie en “als we zo doorgaan”,  waarmee innovatie (en mogelijk de steeds snellere innovatie) wordt genegeerd. We leven niet in een evenwichtssituatie maar in een van dynamische verandering. Wat betreft het klimaatprobleem is zijn kritiek dat het vooral een probleem is als de hele wereld veel rijker wordt (en de technologie niet schoner), maar in dat geval is er in 2100 ook veel geld om de effecten op te vangen. Dus kun je nu je geld beter aan malaria-netten besteden. En ach, de wereld heeft eerder een paar graden warmer overleeft. Daar zal niet iedereen het mee eens zijn.
Enfin, dit boek is een fraaie economische geschiedenis van de wereld en een optimistisch tegengeluid bij alle onheilsvoorspellingen (heeft iemand je de laatste 50 jaar verteld dat we nu veel beter af zouden zijn dan in 1960, 1970, 1980, 1990 en zelfs 2000?). Zeer sterk aanbevolen. En dat geldt in het bijzonder voor Wageningse studenten die iets met biologie hebben gedaan (en iets van economie willen weten of niet te eenzijdig milieukunde willen studeren) – het boek is een leuke manier je in economisch denken te verdiepen.

En de luistertip uit Cyprus: het is nog geen 2 voor 12 - It's 5 o' clock Aphrodites Child

zondag 27 november 2011

Koeien zonder quota

De afschaffing van de melkquota in 2015 heeft al heel wat (wetenschappelijke) pennen in beweging gebracht. In de nieuwste uitgave van de European Review een paper van een Belgisch team, dat overigens al drie jaar geleden op een congres in Gent werd gepresenteerd en op data uit 2006 is gebaseerd. Het duurt blijkbaar even voordat in de wetenschappelijke wereld een bijdrage is nagekeken.

De berekeningen zijn desalniettemin het vermelden waard. Als de melkprijs 20% zou dalen bij quota-afschaffing, dan gaat 56% van de Belgische bedrijven uitbreiden, 44% krimpt in. Per saldo stijgt het melkaanbod met 2% en dalen de inkomens van de Belgische melkveehouders met 4%. Er zijn dan wat meer koeien nodig, meer aangekocht voer en wat meer akkerbouwgrond (snijmais?) en minder grasland. Het zijn overigens niet per definitie de kleine boeren die er minder van worden. Velen daarvan hebben overcapaciteit en breiden uit. De onderzoekers denken dan ook dat de landbouw met het voorgestelde beleid wel uit de voeten kan.

Bruno Henry de Frahan et al.: Dairy farms without quota's in Belgium: an estimation and simulation with a flexible cost function in: European Review of Agricultural Economics 38-4, october 2011

dinsdag 18 oktober 2011

political economy

Boeren in rijke landen krijgen vaak subsidie en die in arme landen worden vaak belast. Economen rekenen in de regel uit dat beide maatregelen de welvaart verlagen. Waarom blijven deze praktijken toch in stand, en waarom op die manier?
Op dat type vragen probeert de political economy een antwoord te geven. Een recent boek met onderzoeksresultaten op dat vlak is Kym Anderson (ed): The political economy of agricultural price distortions.
Aanbevolen.

maandag 3 oktober 2011

landbouw versus / met natuur

Ook naar aanleiding van de "kopakkergras-blogs' van vorige week, nog 1 keer over onze kijk op de relatie landbouw - natuur en de beleidsrelevantie daarvan.  Dit omdat in EuroChoices er een mooi verhaal stond over de verschillen tussen de EU en de US in deze.

Er zijn nog al wat verschillen tussen beide blokken: in de EU zien we landbouw en natuur als complementair: ze gaan goed samen, boerennatuur bestaat. In de VS zien ze het als substituten, je doet het een of het ander. Een tweede is dat in de EU landbouwmilieubeleid zich vooral richt op het schade van te intensief landgebruik. De Amerikanen richten zich vooral op het uit productie nemen van grond voor de landbouw, dan kun je er tenminste natuur van maken. Een derde onderscheid is dat de VS aan doelgerichte (targetted) maatregelen doet voor meetbare vervuiling. De EU richt zich veel meer op milieuvriendelijke processen.

De verklaring voor deze verschillen kunnen, zo halen de auteurs ander onderzoek aan, vermoedelijk gezocht worden in historisch-geografische gegevenheden. Zo wonen de Europeanen veelal in steden temidden van het landbouwgebied, die soms ook (te) intensief worden gebruikt. De Amerikanen hebben het meer gescheiden: steden aan de kust en rivieren, landbouw in de Mid-West en natuur in en rond de bergen. Amerikanen kennen ook vrij recentelijk nog echte woeste natuur, in Europa is die tot ver in Finland en tot op grote hoogte in de Alpen al lang ver teruggedrongen. Voor sommige Europeanen zijn landbouw en natuur dus bijna synoniem (sommigen zien in wegbermen ook natuur), voor de Amerikaanse stadsbewoners zouden positieve externe effecten van de landbouw ver weg zijn. Europeanen hebben ook te winnen bij minder intensief lokaal grondgebruik, voor Amerikanen is het niet al te duur extensieve landbouwgrond uit productie te nemen. En zo eindigen we met multi-functionality versus productivist.

En toch vind ik die Amerikaanse manier van kijken ook voor Europa zo gek nog niet. Ook al omdat voor te intensieve productie het polluters-pay-principle zou moeten gelden. Leerzaam paper dus.

Kathy Baylis, Stephan Peplow, Gordon Rausser and Leo Simon: Agri-environmental programmes and trade  negotiations in the United States and in the European Union. in: EuroChoices 10(2) 2010.

vrijdag 16 september 2011

Slowfood in de Balkan

delicatessen in Zurich
Mostar, helaas bekend van de brug.  Ook de hoofdstad van Herzegovina. De rector van de universiteit stuurde me een heel fraai boekje "Journey through Herzegovina" van Andrea Semplici en Mario Boccia. Het zal hier wel moeilijk verkrijgbaar zijn (probeer http://www.buybook.ba/), en dat is jammer. Want het zijn mooie verhalen over voedsel en boeren, met mooie foto's. Over slowfood in Herzegovina.