Posts tonen met het label mythes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mythes. Alle posts tonen

maandag 29 maart 2021

Maandag Mythedag: lange afstandtransport

 Ik zit vandaag via de digitale snelweg op het AES congres in Engeland. En dus was ik van plan maar een kleine bijdrage hier te doen in de maandagreeks over mythes. Wat ligt er dan meer voor de hand dan de stremming van het Suez-kanaal door het containerschip de Ever Given. Ook gegeven het feit dat de witte druiven die ik gisteren van AH op het bord kreeg uit India blijken te komen. 

Ik weet het, het is niet het Europese seizoen voor druiven, maar in India en Chili willen ze er ook vanaf en kunnen ze wat welvaart wel gebruiken. Alle aanleiding dus voor de mythe:

Langeafstand transport belast het milieu en mag daarom in ons voedselsysteem geen rol spelen. 

Blijkt dat ik daar in 2009 al een blogpost over heb gemaakt. Die uitlegt dat er de nodige misvattingen zijn rond regionalisatie van voedsel. En lange afstandstransport in LCA's niet de grootste vervuilende post is. Rij dus niet vanuit Amsterdam naar de Betuwe voor een paar kg appelen, maar koop de met een oceaanstomer aangevoerde Chileense bij de grootgrutter. En al helemaal niet met de oldtimer diesel naar de Betuwe. Tenzij je het straks met de bloemenpracht een toeristisch uitje vindt (in plaats van Bali) en een kistje mee terug neemt. 

Prima dus om te kiezen voor dichtbij productie, maar alleen als die concurrerend is ten opzichte van de producten van verder weg in kostprijs incl. alle externe kosten. Afstand zelf zegt niet veel.

Enfin, ik volsta dus met de link naar het 2009 stuk.

maandag 22 maart 2021

Maandag Mythedag: het EU budget

Van tijd tot tijd, bij discussies over het Europese budget, duikt hij weer op. De mythe:

Het Europese landbouwbeleid is onbetaalbaar geworden.

De achtergrond is dat een groot deel van de Europese begroting naar het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gaat. Dat lag ooit boven de 40%, inmiddels is het wel behoorlijk teruggezakt in relatieve termen, maar toch altijd nog meer dan een derde. Voor een sector die pakweg 2% van de economie uitmaakt is dat heel wat. En er zijn natuurlijk heel wat andere doelen waar je het geld aan zou kunnen geven. grensbewaking, onderzoek (gebeurt al), defensie, klimaat, hogesnelheidstreinen, etc. 

Toch is de stelling een mythe, en niet alleen omdat het dezer dagen heel makkelijk blijkt om nieuwe miljarden uit te trekken voor het steunen van de economie. Het landbouwbeleid is een van de weinige beleidsterreinen die echt Gemeenschappelijk mag heten. In de jaren 60 zijn vrijwel alle bevoegdheden overgeheveld naar Brussel. 
De tegenhanger is dan ook dat de Nederlandse begroting voor landbouw de kleinste is van alle beleidsministeries. Sociale zekerheid en onderwijs zijn een veelvoud. Als je de overheidslagen van Brussel. de lidstaten en eventueel de provincies en gemeenten zou consolideren, wordt er betrekkelijk weinig aan landbouw besteed.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat je nog steeds kunt discussiëren over de vraag of het wel efficiënt is alle grondbezitters een bedrag per ha te geven. Evenzo kun je vaststellen dat het in het verleden voor de interne markt en veiligheid van Europa blijkbaar nodig was dit geld via Brussel rond te pompen, maar dat je nu ook kunt afvragen of dat nog nodig is. De interne markt is bereikt, de prijzen geharmoniseerd, vrij verkeer van goederen is mogelijk. Het landbouwbeleid verschuift naar lokaal milieubeleid, betaling voor regionale eco-systeemdiensten en subsidie op innovatie. Wellicht zou je aan een staatssteuntoets genoeg hebben om oneerlijke concurrentie te voorkomen en zou je binnen dat kader Drenthe of Zuid-Holland of Letland of Andalusië zelf kunnen laten besluiten hoeveel geld ze in landschapsbeheer willen steken. En hoef je dus geen geld rond te pompen. Misschien zijn de huidige GLB plannen met hun nationaal strategisch plan wel een klein stapje in die richting. 

Maar voorlopig lijkt dat nog niet echt aan de orde. En omdat andere beleidsterreinen in Brussel populairder worden, zullen we van tijd tot tijd toch nog wel mensen horen zeggen dat landbouwbeleid te duur is. Mythes zijn hardnekkig. 

maandag 15 maart 2021

Maandag Mythedag: export en kostprijs

Om concurrerend te zijn moet je een lage kostprijs hebben. En dus verzetten we ons tegen kostprijsverhogende maatregelen, bang om een afzetmarkt te verliezen. Dat is niet helemaal juist, volgens de theorie van de internationale handel hangt die handel niet af van het absolute niveau van de kostprijs. Kostprijsverhogende maatregelen leiden wel tot verlies van inkomen of vaak beter nog, van waarde van (grond)eigendommen. Maar export hangt lang niet altijd van de absolute kostprijs af. We bespreken dan ook de mythe: 

Voor internationale handel is de (absolute) kostprijs van een product doorslaggevend. 

Het is zo klaar als een klontje dat als Nederland goedkoper kaas kan maken dan de Duitsers, en de Duitsers beter zijn in auto’s en auto-onderdelen, dat de containers met kaas de Rijn opvaren richting Duitsland, en met auto-onderdelen terug komen. Die handel is gebaseerd op absolute kostprijsverschillen. Maar wat als Duitsland nu ook goedkoper kaas (en alle andere producten) kan maken dan wij in Nederland? Hebben wij dan straks niets meer te doen, zijn we werkeloos en verdienen we geen inkomen meer?

Nee, want ook hier komt de econoom David Ricardo ons te hulp, en dit keer met de theorie van de comparatieve kosten. Landen specialiseren zich niet in waar ze absoluut de laagste kostprijs hebben, maar relatief de laagste. Een voorbeeldje met een simpele wereld van twee goederen (kaas en auto’s) en één productiemiddel (arbeid): stel een Duitsers heeft een week nodig om een auto te maken, en een Nederlander doet daar 4 weken over; een Duitser heeft twee weken nodig voor een ton kaas, tegenover een Nederlander 3 weken. Dan ligt de kostprijs van kaas en auto’s in Duitsland dus lager dan in Nederland. Maar dat is sterker het geval voor auto’s (1 week tegenover 4 weken) dan voor kaas (2 weken versus 3 weken).

Als de Nederlanders nu stoppen met het maken van auto's, dan kunnen ze in die 4 weken die per auto vrijkomt, 1,3 ton (4/3) kaas maken, en die kunnen ze naar Duitsland exporteren. De Duitsers besparen daarmee ruim 2 weken werk uit, waarin ze ruim 2 auto’s kunnen maken, dubbel zoveel als de Nederlanders. Die winst kunnen de landen dus delen.

Kortom handel is al interessant als de relatieve kostprijzen verschillen. En eigenlijk weet ook iedereen dat wel uit eigen ervaring: als je als Nederlandse ondernemer in Polen werkt en je bent zowel een betere manager van het grootlandbouwbedrijf, als dat je beter kunt ploegen dan je Poolse medewerkers, kun je meestal toch maar het beste de Polen laten ploegen en zelf blijven leiding geven, de Polen leren ploegen en intussen de zaken doen met de handel en de bank. Want daar verdien je meer mee dan het iets beter ploegen. Zou dat niet zo zijn, dan moet je het bedrijf snel opdelen of verkopen.

In de internationale handel betekent dat dus dat je inkomen vooral afhangt van de productiviteit die je haalt. En die gaat erop vooruit als je je specialiseert in datgene waar je relatief het best in bent. Sluit je de grens voor handel, of maak je die handel moeilijker dan ben je een dief van je eigen portemonnee. Helaas is het inzicht van de comparatieve kosten niet voor iedereen overtuigend, want handel leidt er toe dat de mensen zich moeten aanpassen. In het voorbeeldje moeten de Nederlandse autobouwers DAF sluiten en bij Campina kaas gaan maken, of naar Duitsland verhuizen om BMWs te maken. Dan zijn er al snel allerlei argumenten te bedenken om te lobbyen tegen internationale handel. Want waar geen wil is, is wel een argument.

Kortom: export en import zijn vaak al snel welvaart verhogend omdat relatieve kostprijzen veel sneller verschillen dan absolute. Kostprijsverhogende maatregelen hoeven dus ook niet meteen tot minder export te leiden: als in het voorbeeldje de kaasproductie in Nederland 10% meer tijd gaat vragen (3.3. weken) vanwege een overheidsmaatregel op rustpauzes, dan blijft de handel in stand. Ook als er 10% staatssteun in Nederland komt waardoor maar 2.7 weken meer nodig zijn, is er geen effect op handel. In beide gevallen verandert wel het inkomen van de kaasproducent. En vermoedelijk uiteindelijk vooral de waarde van het grondbezit. 

Kortom: het is prima om tegen kostprijsvehogende maatregelen te zijn. Vaak niet omdat de export zo in gevaar komt (en exporteurs en verwerkers zullen zich dan veelal ook niet al te veel zorgen maken) maar juist omdat het inkomen en vermogen kost. Wel zo slim om dan dat argument in te zetten: u pakt mijn inkomen af. Want van die export liggen niet zoveel mensen wakker, en dat lijkt terecht. 



maandag 8 maart 2021

Maandag Mythedag: waterbed

 

Afgelopen week bekeek PBL de groene kant van de verkiezingsprogramma's en daar dook het weer op: het waterbed-effect. De directeur van PBL wees er volgens de media op dat maatregelen tegen emissies hier kunnen leiden tot het verplaatsen van de productie naar andere landen en daar dan evenveel of nog meer uitstoten. Meer omdat de efficiency daar lager is. Daar zijn fikse kanttekeningen bij te zetten. Vandaag dus in de vorm van de mythe (wat sterker geframed dan genoemde spreker hem bezigde):


Landbouwmilieumaatregelen verliezen snel aan effectiviteit omdat ze leiden tot verplaatsing van productie naar andere landen waardoor eerder hogere dan lagere emissies het gevolg zijn en we dus slechter af zijn.

Een eerste bemerking bij deze stelling is dat er best wel boeren naar het buitenland zijn vetrokken, en dat daarbij regelgeving in Nederland soms ook wel een rol speelde (naast gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden) maar dat dit effect niet moet worden overschat. Boeren zijn behoorlijk honkvast en zullen al snel opdraaien voor de rekening van de verplichte milieu-investeringen of de lagere oogst door de maatregel.

Wat hier eerder bedoeld wordt met verplaatsing is niet de verplaatsing van boeren maar het feit dat als de maatregel zou leiden tot minder productie in Nederland, dat betekent dat die terugval in aanbod wordt opgevangen door productie in het buitenland. Daarbij wordt er dan op gewezen dat gemiddeld genomen de productie per ha relatief hoog is en de emissie per kg product relatief laag. Maar let op: bij zo'n verplaatsing zijn gemiddeldes gevaarlijk. In de praktijk is de spreiding enorm. Het zijn niet per definitie de minst efficiënte bedrijven die hier stoppen maar als we aannemen dat de stoppers toch in het laagste kwartiel met verouderde gebouwen produceert en die productie wordt vervangen door de beste, uitbreidende ondernemers in Duitsland of Denemarken, dan is nog maar de vraag of de emissie door verplaatsing vermindert. We hebben wel heel goede boeren maar vaak zijn de verschillen in de bovenste 40% helemaal niet zo significant groot.

Een andere wezenlijke kanttekening is, is dat veel milieuvervuiling lokaal is. Bijvoorbeeld door teveel concentratie van bedrijven of omdat de stad is opgerukt. Het duidelijkst is dat bij geur en ook wel fijnstof: wie dicht bij de dorpsrand zit veroorzaakt meer overlast met dezelfde hoeveelheid geur dan wie achterin een polder in Noord-Groningen zit. Dat is niets nieuws: in het verleden zijn boerderijen die binnen de stadsmuren stonden uitgeplaatst. De laatste bij mijn weten in de jaren 60. En vrijwel al onze landbouwmilieuproblemen zijn lokaal of regionaal. Kan dus best zijn dat eenzelfde bedrijf elders in Europa dus aanmerkelijk minder schade veroorzaakt. Daar komt nog bij dat een goede leefomgeving deels een luxe goed is, waar wij rijke mensen meer voor over hebben dan armere delen van Polen of Bulgarije. 

Ik heb lang gedacht en geschreven dat CO2 hierop de uitzondering is. Die is overal ter wereld even schadelijk voor de opwarming van de aarde. Maar zelfs daar geldt een kanttekening: sinds het akkoord van Parijs hebben we een nationaal quotum en concurreert het gebruik van dit quotum tussen de verschillende bedrijfstakken. Kan dus best zijn dat bij ons een aanwending van dat quotum in transport en distributie relatief veel opbrengt (en een hoge biedkracht heeft) en in Denemarken de landbouw. Dan is binnen het systeem van Parijs verplaatsing dus zo gek nog niet.

Dat is natuurlijk zuur en je kunt dan betreuren dat die afspraak van Parijs niet ideaal is. Net zoals die rond de EU melkquota dat indertijd niet was. Toen moesten we ons ook aan een quotum houden terwijl we best efficiënter waren dan de Fransen. Een betere afspraak zat er blijkbaar niet in. Dat is overigens ook een goede illustratie dat het aandragen van argumenten van wat er goed is voor de wereld wel aardig is in de wetenschap, maar lang niet altijd in de politieke economie. Daar moet je letten op de maximale welvaart in je eigen land - maar dat is een aparte mythe ter bespreking waard.

Kortom, het lijkt en is soms vrij onzinnig hier maatregelen te nemen in bv. dierwelzijn die leiden tot echte verplaatsing van bedrijven naar een paar honderd of paar duizend km naar het oosten (en dan de producten hier weer te importeren). Maar in een behoorlijk aantal situaties is verplaatsing nog helemaal zo gek niet. En vergelijkingen van emissie per kg product helpen daarbij ook niet altijd, het gaat de bewoner hier om emissie per ha.

De discussie moet gaan over de vraag hoeveel uitstoot/vervuiling we hier gedogen voor het er mee gerealiseerde inkomen en de vraag of we boeren voor die kosten van het terugdringen willen laten opdraaien of hen compenseren. Verplaatsing hoeft in die argumentatie geen heel grote rol te spelen. Daar waar dat toch naar voren wordt gebracht is het niet per definitie een goed argument en horen er duidelijke cijfers bij die aantonen dat de wereld heel veel slechter af is en dat we daarom bereid zijn die vervuiling voor het buitenland hier te dragen. 


maandag 1 maart 2021

Maandag Mythedag: EU steun

In onze reeks over mythes die de wereld uit moeten, vandaag maar eens aandacht voor de steun die boeren krijgen van de Europese Unie in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Dat levert boeren ca. 375 euro per ha op. En de maatschappij de nodige discussie. Vandaar aandacht voor de stelling

 De Nederlandse landbouwsector wordt in leven gehouden door steun van de EU 

Het feit dat de Europese belastingbetaler elk jaar vele honderden miljoen over maakt naar boeren wil nog niet zeggen dat de boer zelf daarvan profiteert.  Een deel wordt doorgegeven aan de grondeigenaar via pacht en voor een deel wordt daardoor ook de grond zelf duurder, bedrijfsovername door de volgende generatie lastiger en de benodigde bedrijfsuitbreiding kostbaarder. Hoe groot die kapitalisatiefactor is, weten we niet precies. De schattingen lopen fors uiteen en bij mijn weten is het voor Nederland in de laatste jaren bij het huidige systeem niet echt goed geschat. In Beieren komt een redelijk recente schatting op 30%: van elke euro steun gaat er 30 cent naar de grondeigenaar. Voor zgn. less favoured area payments is dat nog hoger (Klaus Salhofer et al in de ERAE 2021 #1)

En soms moet de boer er ook nog wat voor doen of voor laten, zoals het telen van drie gewassen. Dat deden boeren veelal toch al, maar sommige eisen brengen wel degelijk kosten met zich mee.  Maar er resteert dus na aftrek van kosten en afdracht aan de grondeigenaar nog een aardig bedrag aan steun. Op een beetje normaal akkerbouw- of melkveebedrijf (voor aftrek van die kosten) al snel iets tussen de 20 a 30.000 euro ofwel 40% en meer van het inkomen, afhankelijk van het jaar. 

Sommigen bagatelliseren dit door het uit te drukken in een percentage van de omzet van een bedrijf, en dan is het maar een klein percentage. Maar dat is niet een heel erg juiste voorstelling van zaken. Er is geen enkele reden waarom de ondernemer met deze betaling uit Brussel moet gaan ondernemen en kosten maken.. Het mag rechtstreeks als inkomen worden gezien. En dus is een groep boeren wel degelijk zeer afhankelijk van die steun en komt in de problemen als je die in 1 keer afschaft.

Wat de stelling echter tot een mythe maakt is dat een grote groep van deze bedrijven het ook wel zou redden zonder die steun als het langzaam wordt afgebouwd. Sommigen zouden dan niet worden opgevolgd door de volgende generatie, maar anderen zouden daardoor goedkoper kunnen uitbreiden. De sector komt dus zeker niet in gevaar en de meeste bedrijven vermoedelijk uiteindelijk ook niet. Maar een pijnlijk aanpassingsproces kan het wel worden, vooral als je er snel een streep door zet.

Dat veel bedrijven het zullen redden komt ook doordat er een heel grote groep is die maar weinig krijgt of zelfs niets krijgt of aanvraagt en in het verleden er ook niet voor in aanmerking kwam. Dat zijn de tuinders inclusief boomkwekers, bollenboeren en fruitbedrijven. Ook de varkens- en kippenbedrijven hebben nauwelijks grond en daarmee ontvangen ze nauwelijks betalingen per ha. Sommigen van die tuinders krijgen ze pas sinds 2014, voor die tijd kwamen ze niet in aanmerking. Die groep wordt dus al helemaal niet in leven gehouden door de uitkeringen.

Kortom: dat de Nederlandse sector zou leven op de steun is een mythe. Dat geldt ook voor veruit de meeste bedrijven. Maar als je de directe betalingen in korte termijn helemaal zou afschaffen dan heeft een groep bedrijven wel een fors probleem. 

Wie af wil van de betalingen moet ze langzaam in hoogte verlagen waarbij je de bedrijven die ze toch niet nodig hadden en hebben verder met rust kunt laten en het geld kunt besteden aan contracten voor groenblauwe (biodiversiteit)diensten waar de bedrijven die ze nodig hebben dan een inkomen mee kunnen verdienen. Die krijgen dan per saldo meer, maar zullen er ook kosten voor moeten maken zodat ze op hetzelfde inkomen uitkomen - zonder dat ze voortaan nog hun hand hoeven op te houden. 

maandag 22 februari 2021

Maandag Mythedag: ik vertrek?

 We hervatten de reeks van mythes waar mee moet worden afgerekend. Vandaag:

"De landbouw vertrekt uit Nederland"

omdat sommige mensen denken dat de primaire sector niet voor niets is opgevolgd door de secundaire (industrie) en tertiaire sector (diensten) waarmee in een geavanceerde maatschappij meer is te verdienen.  Het geklaag over lage inkomens van boeren ondersteunt die gedachte: blijkbaar kunnen we de concurrentie niet aan en als het dan ook nog overlast geeft, dan zal het wel weg gaan. 

Niets is minder waar. De landbouw is tegenwoordig sterk verknoopt met andere onderdelen van het voedsel eco-systeem en buitengewoon kennis- en kapitaalsintensief. Het is een sector waarbij je dicht bij andere partijen, van dierenartsen en accountants tot veevoerbedrijven wilt zitten. Internet verandert dat niet, sterker, je wilt een goede glasvezel infrastructuur. Het is makkelijker om arbeid hier naar toe te halen dan je bedrijf  te verplaatsen naar de plekken waar arbeid goedkoop is. Het is kapitaalsintensief met veel vaste kosten en dus zit de landbouw op een plek met een goede kapitaalmarkt voor financiering en goede juridische garanties die je bezit beschermen. 

Naast deze concentratie (cluster)voordelen geldt ook dat het bij concurrentie om relatieve verhoudingen gaat. De 1.8 mln ha die we aan landbouwgrond hebben gaan we niet allemaal met huizen en zonnevelden bebouwen, noch bebossen. Een deel(tje) wel maar de rest blijft. En dan is landbouw een veel aantrekkelijker activiteit dan er natuur van te maken, dat beheerskosten met zich meebrengt. Boeren kunnen dat beheer goedkoper doen dan een terrein-beherende organisatie. 

En iets dergelijks geldt ook aan de grens: ook met een hoge kostprijs kun je exporteren, het hangt af van je relatieve kostprijs. Maar dat is een verhaal dat bij een aparte mythe hoort. Conclusie hier is: de landbouw in Nederland is een blijvertje, ook al geldt dat gezien de lage inkomens niet voor alle boeren. 

maandag 8 februari 2021

Maandag Mythedag: Level Playing Field

Vorige week mocht ik wat mini-colleges geven bij een verkiezingsdebat over landbouw en voedsel met Tweede Kamerleden (in spe). Na anderhalf uur constateerde ik dat we het nu eens echt gehad hadden over wat ons te doen staat en niet over de wereldvoedselvoorziening of level playing field. Dat laatste vertelde ik en bracht buiten beeld nog wel een glimlach op het gezicht bij enkele debaters. Vandaag dus de mythe 

"maximale welvaart vraagt om een level playing field".

Het beeld is ontleend aan de sport: concurrentie brengt het beste boven, maar je moet wel eerlijk kunnen concurreren. Het moet geen scheef veld zijn zodat een van de partijen een up-hill battle moet voeren. Dat is geen fair play. Niet voor niets wisselen we in de rust van helft, voor het voordeel van wind en zon mee. Een sterk beeld dus, maar vanuit de economie zijn er veel kritische kanttekeningen mogelijk. Net als bij ethische begrippen als 'eerlijk' of 'fair' is de economische wetenschap zo amoreel dat ze het begrip niet kent, ook al is er inmiddels een slechte wiki-pagina over het onderwerp. Economen vragen zich overigens ook af of de concurrentie tussen Manchester United en Willem II wel eerlijk is als je het verschil in economische kracht (geldstroom om dure spelers te kopen) ziet maar dat terzijde.

Het probleem is dat de concurrentiepositie tussen landen of sectoren door enorm veel factoren wordt beïnvloedt, en niet alleen door het feit of een bepaalde productiehandeling (een bepaald gewasbeschermingsmiddel of huisvestingssysteem voor kippen) wel mag. Het World Economich Forum heeft er wel eens een stuk of honderd geïnventariseerd. Als ik Oost-Europeanen spreek dan klagen ze over een gebrek aan level playing field omdat boeren hier 375 euro per ha krijgen, en daar maar 100, terwijl ze dezelfde graanprijs krijgen en de John Deere tractor en de olieprijs daar ook niet lager zijn. (daar valt overigens nog wel meer over te zeggen, maar dat doen we een andere keer).Maar ook de infrastructuur, de diepe arbeidsmarkt (specialisten op elk terrein die zo op je bedrijf staan), scholing, belastingsysteem en nog heel veel andere factoren spelen een rol in de concurrentie. Wie klaagt over een milieumaatregel in Nederland hoor ik nooit aanbieden om dan die premies per ha ook te egaliseren. 

Een tweede reden is dat veel maatregelen helemaal niet zoveel invloed hebben op de internationale markt, bijvoorbeeld omdat de schade wordt gedragen door de boer en grondbezitter, en het niet leidt tot minder productie en minder aanbod op de Europese markt. We hoeven dus niet bij elke maatregel die Vlaanderen neemt op het vlak van milieu te staan juichen dat onze concurrentiepositie verbetert. Bovendien geldt dat handel plaats vind op basis van relatieve kostprijzen (comparatief) en niet op basis van absolute (ook daar komen we nog wel eens op terug). Het idee van level playing field suggereert dat je kostprijs omhoog gaat en daardoor je product in het buitenland te duur wordt. Maar boeren zijn prijsnemers. De prijs in de internationale markt staat vast en een kostenverhogende beleidsmaatregel heeft dus tot effect dat de marge op je productieproces lager wordt. En je tot schaalvergroting of een andere efficiency maatregel wordt gedwongen, of een ander product gaat maken (bv. dat verkoopt op duurzaamheidsbeleving) of met een lager inkomen genoegen neemt. 

Ten derde is het soms ook niet onlogisch dat wij in Nederland, waar we boeren in een metropool dicht bij water meer milieumaatregelen nemen dan op de armere Spaanse hoogvlakte, ver weg van steden en waterwegen. De schade is hier hoger, en die metropool en waterwegen (goedkoop transport) brengen ook voordelen mee. En soms is het rationeel dat de productie zich verplaatst.

Tot slot, soms zijn de maatregelen in Nederland ook maar een voorloper van enkele jaren op de buurlanden. En is er dus hooguit een wat tijdelijk nadeel, dat soms later weer een voordeel wordt omdat we de techniek kunnen verkopen, of er bij de invoering van dezelfde huisvestingsystemen in het buitenland een productiedip ontstaat met forse prijsstijgingen.

Is er dan helemaal geen probleem? Nee, soms zijn maatregelen niet goed doordacht (niet wetenschappelijk onderbouwd) of echt kostenverhogend. Wellicht zelfs zodanig dat de productie hier wordt gestaakt "en naar het buitenland dreigt te verdwijnen". Er kan dus alle reden zijn om aan de bel te trekken. Soms is de winst bij de natuur en consument groter en kun je boeren compenseren voor het offer dat zij brengen (een eco-schema of zo). Soms kan dat ook niet en wordt de rekening bij boeren en grondbezitters neergelegd. Dan kan er reden zijn om protest aan te tekenen. Maar beroep je dan op inkomensschade of planschade of onteigening van een recht, maar laat in de regel het argument van level playing field (en voor economen: het rekenen met handelsmodellen om de internationale concurrentiepositie en goederenstromen te analyseren) maar achterwege. Ja - zoals altijd zijn er ook uitzonderingen maar op dat advies, maar ik heb ze zelden gezien. Meestal is de juiste discussie: wint de natuur of de burger wel genoeg en is de boer niet degene die in zijn eentje het gelach betaalt. Het level playing field hoort op het rugby- of voetbalveld.

maandag 1 februari 2021

Maandag Mythedag: bedrijven en sectoren

Het komt regelmatig voor dat uitspraken over de landbouw (of een onderdeel als de melkveehouderij) en over individuele bedrijven door elkaar worden gehaald. Dat zie bijvoorbeeld in mythes als 

"het gaat slecht met de landbouw want het aantal boeren neemt af" 

waarbij je dan voor boeren ook boerenbedrijven mag lezen. Dit duidt echter op enig onbegrip over wat er gebeurt als een bedrijf geen opvolger heeft. In dat geval wordt de productiecapaciteit in termen van hectares grond of productierechten verkocht aan een andere producent, die er vrolijk zijn bedrijf mee vergroot. En dan wat goedkoper kan produceren.

Als de welvaart stijgt en daarmee ook de arbeidskosten, betekent dat dat je de arbeidsproductiviteit per arbeidskracht moet vergroten: meer produceren. Daartoe wordt er geïnnoveerd door bv. grotere machines of robots in te zetten. En als we dan niet meer gaan eten, en er is niet meer grond beschikbaar, dan is het dus nodig dat er bedrijven stoppen. Bij een arbeidsproductiviteit van pakweg 1,5% moeten er dus ook 1,5% van de bedrijven stoppen, en omdat het de kleinste zijn die stoppen, in de praktijk dus nog een hoger percentage. Zie ook de eerder besproken mythe over bedrijfsopvolging die dezelfde achtergrond heeft. 

Het principe werd me ooit helder uitgelegd door mijn eerste directeur Jan de Veer. Die ging zover om te concluderen dat er een minimale hoeveelheid stoppers per jaar nodig is om te zorgen dat het goed gaat met de sector. 

Ofwel, de maatschappij en de rest van de keten heeft belang bij een sector waarin een beperkt percentage boeren per jaar stopt. Je verkoopt makkelijker 10.000 ton veevoer aan 1000 boeren dan aan 2000 boeren. Ze vinden economen aan hun zijde. Politici die opkomen voor de belangen van boeren vinden dat maar vervelend, die willen vaak het liefst al die boeren van een opvolger voorzien. Die vinden soms sociologen aan hun zijde. 

Toch is het in boerenland niet anders dan in het mkb: het gaat niet per definitie slecht met de detailhandel als de bakkers stoppen of met de hotelbranche als de ketens gaan domineren. Interessant is dat er wel sectoren zijn die soms de tegenovergestelde trend laten zien: de microbrouwerijen die de bierindustrie vernieuwen. Wie veel boeren wil, moet op dat soort processen van beleving inzetten. 

maandag 25 januari 2021

Maandag Mythedag: export

 Gewoontegetrouw, hoewel dit keer niet op de Grune Woche, verschenen de export- en importcijfers van CBS en Wageningen Economic Research voor het agribusiness complex. Er is weer iets meer exportwaarde. Vooral door een wat hogere prijs en doordat producten van niet-Nederlandse makelij meer werden doorgevoerd. Dat zijn dus producten die van elders komen, hier niet worden bewerkt en weer de grens overgaan. Ofwel Re-export, ook wel doorvoer genoemd maar in doorvoer zitten ook weer producten die vanuit Spanje of Zuid-Amerika komen waar een Nederlands bedrijf geen eigenaar van wordt maar door een Duitse handelaar zijn gekocht en over de Rijn worden getransporteerd. Die zitten helemaal niet in de statistiek. Ik heb jaren geleden wel eens in een powerpoint uitgelegd hoe het ongeveer zit. 

Enfin, de exportcijfers dus. Dit keer bleef het feit dat we 2e exporteur ter wereld zijn in de bladen buiten beeld. Maar goed ook want dat heeft de nodige misverstanden opgeleverd. Ik kom steeds meer mensen tegen die stellen dat we "moeten stoppen met exportlandbouw vanwege de negatieve effecten op de leefomgeving". Maar het is de vraag of hier de export het probleem is. We bespreken dus de stelling: 


"Internationale handel (of export) zijn de reden van de aanslag op de leefomgeving en moet worden afgebouwd".

De historische achtergrond van dit idee is dus helder; de sector is trots op zijn prestaties en wil graag dat de rest van de samenleving dat ook is, dat geeft een licence to produce. and to pollute, die elke bedrijfstak nodig heeft. De exportcijfers zijn daar lang voor aangegrepen. Een simpel getal waar iedereen zich iets bij voor kan stellen (wat bij toegevoegde waarde nog maar de vraag is). 

In de tijd dat Nederland nog een eigen munt had was een exportsaldo ook een goede bijdrage aan de betalingsbalans. Niet voor niets riep Mansholt op na de oorlog tot hogere arbeidsproductiviteit om concurrerend te worden op de wereldmarkt, want we zaten op zwart zaad. Landbouwproducten waren een grootverdiener van vreemde valuta. Dat werd sinds de jaren 60 alleen voorbijgestreefd door energie, het Groningse gas (en veredeling van aardolie in de Botlek) maar nu we van de gaswinning afgaan, is de landbouwexport weer de belangrijkste categorie (wat natuurlijk ook afhangt van je indeling in producten en bedrijfstakken). Maar sinds de euro hebben we geen eigen betalingsbalans meer, dus dit belang is vervallen, maar het resoneert nog na.

Nu de sector geconfronteerd wordt met eisen van de samenleving inzake duurzaamheid, is die export ineens in een ander daglicht komen te staan. Grotendeels ten onrechte, lijkt me. Om te beginnen is veel van de export binnen een straal van 600 km, wat je in een dag met een vrachtauto kunt bereiken (en dan kun je nog net laden en lossen). Dat noemen ze in de Verenigde Staten een regionaal product. De afstand van Venlo naar het Ruhrgebied is ook kleineer dan naar Amsterdam. 

Ten tweede is afstand een slechte maat voor milieuvervuiling. De aanslag op de leefomgeving zit vooral in de productie, niet zozeer in transport. Trouwens al helemaal niet in zeetransport. Je kunt vermoedelijk beter een boot met appelen in april uit Nieuw-Zeeland laten komen en in Amsterdam nuttigen dan in je auto naar het oude Zeeland rijden om daar zelf een doosje appelen uit de koeling te gaan halen. Al helemaal als je het in je oude 2CV doet. (Maar wel doen, als je het als een toeristisch uitje ziet.)

Ten derde is een deel van de export naar verder gelegen oorden vaak een afvalproduct dat hier niet gegeten wordt. De beroemde varkenssnuiten en -poten die het in China goed doen zijn een klassiek voorbeeld. Of het zijn producten die men bv. in Afrika niet kan maken zoals klinische voeding of babyvoeding. Die hebben daar eenzelfde rol als dat wij hier bananen importeren.

Kortom export en import zijn niet per definitie fout. Welvaart ontstaat doordat wij goed zijn in aardappelen en de Duitsers in auto's en we dan ruilen. Niet doordat wij de handel stoppen, dat kost heel veel welvaart. En bij minder welvaart is er minder geld voor klimaat- en biodiversiteitsmaatregelen. Natuur is niet gratis.

Dat export sec ook niet het probleem is, kun je ook snel aantonen door een gedachtenexperiment. Stel dat wij ons aanmelden als het 17e Bundesland van de Duitse Republiek, of Brabant en Limburg zich afscheiden en zich bij België voegen of Friesland zelfstandig wordt. Dat heeft allemaal geweldige effecten op onze import en exportcijfers, maar de leefomgeving verandert er helemaal niet door. 

Het probleem van de leefomgeving is serieus. Dat los je op door innovatie of door de productie te verminderen en te verplaatsen naar bv. Duitsland of Polen, aannemend dat daar meer ruimte is. Dat heeft dan inderdaad effect op de import- en exportcijfers. Het idee is dat de export daardoor afneemt en dat de productie dus relatief meer voor eigen land is gebaseerd. Achterliggend idee: wat je exporteert is wat je over hebt. 
Deels zal dat wel waar zijn, maar dat hoeft helemaal niet. Het kan best zijn dat de consument de voorkeur geeft aan goedkope kip uit Duitsland of Polen en wij vanwege de beperkte capaciteit ons toeleggen op duurdere varianten (3 sterren beter leven of zo) en dat de vraag naar die producten in Duitsland zit. Of in Afrika als het om die babyvoeding gaat. Kan zelfs zijn dat de waarde van de export helemaal niet daalt, maar alleen het volume en dat wordt goedgemaakt door hogere prijzen. 

Dat zou dan deels aansluiten bij het verleden: de beste producten gingen in de export: In mijn jonge jaren mocht ik in de winter wel eens meehelpen uien te sorteren. Klasse I en II gingen de grens over, als de keurmeester ze van die kwaliteit vond. Klasse II NL was voor de goedkoop inkopende Nederlandse consument.

Kortom: exportcijfers zijn leuk, maar een slechte indicator voor de bijdrage van de bedrijfstak aan de nationale economie. Dat meet je in netto-toegevoegde waarde, gecorrigeerd voor milieuschade. Ze zijn ook niet nuttig in een discussie over de optimale omvang van de productie in de land- en tuinbouw. Die ligt op het punt waar de netto-toegevoegde waarde gecorrigeerd voor milieuschade negatief wordt. Ministerie en sector zouden de moed moeten hebben om die cijfers jaarlijks te laten presenteren om de Duitse producenten  en beleidsmakers op de Grune Woche te laten zien dat we ze niet beconcurreren door onder de kostprijs te verkopen (en hun consumptie te subsidiëren met ons milieu). 




maandag 18 januari 2021

Maandag Mythedag: bedrijfsopvolgers

Vorige week kwam het CBS met zijn vierjaarlijkse cijfers over de bedrijfsopvolgingsdruk in de landbouw. Gezien inkomens, opkoopregelingen en demonstraties van boeren zou je een afname verwachten in de mate waarin bedrijven een opvolger hebben. Daar blijkt echter weinig van, zie de figuur met de cijfers vanaf 2000 per grootteklasse, die ik kon maken dankzij de cijfers die het CBS bij zijn figuren beschikbaar maakt (ik ben zo eigenwijs om dit de meer inzichtelijke figuur te vinden).


Desalniettemin had het persbericht van het CBS een interessante uitwerking. Het NOS Journaal berichtte dan 16.000 boeren geen opvolger konden vinden (daarmee suggererend dat die boeren ook zoeken, maar op veel van die bedrijven kiezen kinderen voor wat anders en wordt er helemaal niet gezocht).

En de belangenbehartigers deden natuurlijk meteen reacties de deur uit dat de boer het zwaar heeft en dat er perspectief moet komen voor opvolgers en dat ze gesteund moeten worden in hun ambities om het bedrijf over te nemen. De mythe die we daarom vandaag bespreken is: 

"Er is een problematisch gebrek aan bedrijfsopvolgers in de landbouw."

Deze positie komt voort uit de gedachte dat het een probleem is dat een aantal bedrijven geen opvolger heeft. Dat wordt mogelijk versterkt doordat bedrijfsovername een lastig proces is. Er zijn grote bedragen mee gemoeid en voor sommige betrokkenen (m.n. broers en zussen van de warme en koude kant, maar soms ook ouders die hun pensioenvoorziening veilig moeten stellen) zijn de belangen tegengesteld aan de opvolger. Bedrijfsbeëindiging waarbij de ouders er kunnen blijven wonen, en de rest een fors bedrag uit grondverkopen meekrijgt om elders een huis te kopen kan aantrekkelijk zijn. Voor de jonge boer of boerin is dat een lastige positie waarin een grote gunfactor nodig is om het bedrijf in stand te houden voor de volgende generatie. Een beetje steun daarbij in opleiding en begeleiding kan geen kwaad. Financiële steun kan in zo'n proces al snel weglekken en is maar een druppel op de grote vermogensbehoefte. 

Empirisch lijkt er geen probleem: de cijfers zijn al jaren stabiel voor de grootste bedrijven en op de kleinste stijgt de overnamebelangstelling. Blijkbaar zijn kleine bedrijven steeds beter door 1 van de partners parttime te doen. Alleen op de middelgrote bedrijven dalen de cijfers.  (het zijn trouwens door de jaren heen absolute grenzen tussen de klassen en omdat de gemiddelde grootte toeneemt, zou je alleen al daarom bij de grootste bedrijven een kleine daling mogen verwachten). 

Dat in de middengroep de belangstelling van de volgende generatie afneemt is verklaarbaar en een goede zaak. De bedrijven zijn blijkbaar te klein voor het tafellaken en te groot voor het servet. De achtergrond is innovatie waarmee de arbeidsproductiviteit toeneemt: door grotere machines of bv. de melkrobot kan de boer meer produceren (er zit minder werk in) en wil hij meer hectares. Ook omdat in die situatie de opbrengstprijzen dalen (melk kan goedkoper worden gemaakt met minder uren). Maar de hoeveel grond neemt eerder af dan toe. Dus voor een optimale bedrijfsontwikkeling is het goed dat er ook bedrijven zijn die plaats willen maken. Hun productiecapaciteit wordt door de buurman overgenomen en de productie daalt niet. Het inkomen kan weer wat stijgen, in totaal (minder kosten) maar vooral per persoon (het moet met minder gedeeld). Dat gaat in alle bedrijfstakken zo en zorgt voor welvaart. 

Blijft de vraag wanneer er wel een probleem ontstaat. Dat hangt dus van de bedrijfsstructuur af, als die relatief goed is zoals in Oost-Duitsland of de glastuinbouw dan valt er weinig welvaart te generen met samenvoegen van bedrijven, er is weinig overcapaciteit en voor de boer die stopt moet je een werknemer zien te vinden. In berekeningen voor Vlaanderen van een groep Duitse onderzoekers ontstond er bij een overname-percentage van 25% nog geen probleem.  Hier staat hun paper. 

Een simpel sommetje voor de Nederlandse melkvee bevestigt dat inzicht: als we nu 16.000 bedrijven hebben met een omvang van 100 koeien en de optimale omvang is minstens 200 koeien gegeven de huidige prijzen voor melk en voer, dan zou je aan 8000 bedrijven genoeg hebben als je ons land opnieuw inpoldert. Als die boeren ruim 40 jaar werken, en van hun 28e tot 68e als ondernemer, dan heb je dus elk jaar 200 opvolgers nodig in die sector voordat er een maatschappelijk probleem is. Een aantal dat zal dalen in de tijd omdat de technologie nog verder doorzet, de zelfrijdende tractor is in beeld. 

Wie daar met hart en ziel bij wil horen en een bedrijf over wil nemen moet dat vooral doen. En enige steun in het emotionele proces van overname is wel op zijn plaats want de bedrijfsovername-kandidaat zit niet in een makkelijk pakket bij zijn eerste grote beslissing als ondernemer. Maar verder heeft de maatschappij er niet veel last van als een aantal mensen een andere toekomst kiest. Sterker: andere sectoren kunnen soms wel wat handjes erbij gebruiken. En de nieuws- en lobbywereld kan zich met dringender problemen bezig houden (zoals het opkopen van bedrijven in plaats van het overnemen?) want de situatie is al 20 jaar en langer stabiel. 

maandag 11 januari 2021

Maandag Mythedag: Nederland voedt de wereld

In discussies over het gewenste productievolume in Nederland, wat overigens geen doel op zich zelf zou moeten zijn, hoor je nog wel eens dat we uit moeten kijken met meer woningbouw of datacenters (en volgens sommigen zelfs immigratie) want:

"Nederland voedt de wereld". 

Het is niet zo heel duidelijk waar die stelling vandaan komt. Het feit dat Nederland de tweede exporteur is van voedsel (na de Verenigde Staten c.q. na Brazilië als je corrigeert voor importen en kijkt naar het export-saldo) zal er wel aan bijgedragen hebben. En dan was er dat artikel dat in september 2017 in de National Geographic verscheen: Tiny Holland is feeding the world. Dat natuurlijk in Nederland trots werd geciteerd. 

Maar wie even nadenkt kan nog zonder rekenmachine bedenken dat het meeste voedsel min of meer lokaal wordt geproduceerd en geconsumeerd. Er wordt veel met voedsel over de wereld gesleept, maar uiteindelijk eten de meeste mensen in India, China, Afrika, Amerika en ook Europa iets uit eigen land of in ieder geval eigen continent. Al die calorieën komen echt niet uit Nederland. Levensmiddelen zijn geen mobiele telefoons die maar uit een paar landen ter wereld komen (vooral China) maar dan ook weer zijn samengesteld met onderdelen of machines van all over the world. Het overgrote deel van onze export gaat niet voor niets naar de buurlanden.

Er is natuurlijk niets mis mee als men in Afrika geld over heeft voor onze babyvoeding (een mooi teken dat het daar beter gaat) of zelfs onze uien. Of dat men in China meer over heeft voor de poten en snuiten van onze varkens dan de destructor alhier. Als ze milieutechnisch een beetje duurzaam zijn geproduceerd is ook het exporteren van hele varkens naar China prima, maar zelfs als dat 10% van onze productie is, is dat maar een heel klein deel van de Chinese consumptie. 

Kortom, de wereld voeden wij niet. En dat artikel in the National Geographic dan?  Die legden heel veel nadruk op de veredeling van zaden in de Nederlandse tuinbouw en de kennis in Wageningen en elders van landbouw. En op de technologie, zoals aardappelbewaring. De kop was dus vooral overdrachtelijk bedoeld. 

Moeten we met die rol van Nederland rekening houden als het gaat om de productie in Nederland? Misschien wel: het mag dan de verdienste zijn van de veredelaars en techniekontwikkelaars, maar die moeten hier in NW Europa wel boeren en grond hebben om innovatieve zaken te met boeren uit te ontwikkelen en de eerste vermeerdering. En ook zo interessant zijn dat jonge mensen voor deze bedrijfstak kiezen. Dat kan betekenen dat je sommige bodems beschermt en niet bestemt voor zonnevelden, woningbouw of data-centers. We hebben genoeg matige gronden die daar beter geschikt voor zijn. En waar je niet per se voedsel voor Afrika of China hoeft te telen, want Zimbabwe en Nigeria kunnen zichzelf voeden. 



maandag 4 januari 2021

Maandag Mythedag: Goedkoop voedsel verzet zich tegen milieubeleid

In de discussies over landbouwbeleid passeren heel wat claims en gedachtenkronkels die het als lobby-argument misschien wel doen, maar vanuit de economische wetenschap toch bedenkelijk zijn, zo niet onwaar. Ik noem ze meestal maar mythes, naar aanleiding van een artikel in ESB van 2009 van de hand van Gerrit Meester waarin er enkele zijn verzameld (en die ik hier opnieuw ten tonele zal voeren). Mijn voornemen voor deze blog in het nieuwe jaar: elke maandag een mythe (suggestes welkom). Ik denk dat je na verloop van tijd wel een boekje kunt vullen. Om te beginnen: 

Zolang er in Nederland mensen naar de voedselbank moeten, moet je voedsel niet duurder maken door agro-milieubeleid. 

Deze stelling refereert aan de vijfde doelstelling van het Europees landbouwbeleid: Het GLB is er ook om "redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren". Waarbij dit de officiële vertaling is met het Vlaamse 'verbruikers', in de Engelse tekst staat consumenten, en zo wordt het ook vaak geciteerd. Het doel wordt overigens nog wel eens vergeten, vooral als er gelobbyed moet worden tegen goedkopere importen in bv. handelsovereenkomsten met Canada. 

Het doel is begin jaren 60 in het GLB opgenomen om een rem te zetten op al te grote bescherming van boeren via kunstmatig hoge prijzen. Daar had de socialist Mansholt alle reden toe: Europa was toen veel minder rijk, en een groot deel van het inkomen ging toen in het huishoudboekje op aan voedsel, en het sociale stelsel was nog niet ver ontwikkeld. Dat aandeel is inmiddels teruggelopen tot 10 a 15%, met uitzondering van een paar zeer arme regio's in Europa. 

Bovendien is het aandeel van de boer in die winkelprijs steeds kleiner. Dat aandeel verschilt sterk tussen onbewerkte groenten als tomaat (waar de kosten van vervoer, verpakking, reclame en het winkelschap wel meevallen) en bewerkte producten als frites, kaas of pizza. Maar in vermoedelijk alle gevallen is het aandeel van de primaire productie gedaald omdat daar grote productiviteitsstijgingen zijn gerealiseerd. Om nog maar van het geringe aandeel van de boerenprijs in de buitenshuis-maaltijden te zwijgen.

Kortom een verhoging van de consumentenprijs met bv 3% (zoals Farmers' Defence Force wil), of een vleestax (zoals anderen voorstellen op basis van true cost berekeningen) of een normaal btw percentage (hoog niveau dus), is allemaal best mogelijk. 

En de voedselbank dan? De mensen die daar komen (en anderen) hebben een inkomensprobleem, dat je niet oplost door het voedsel 10% goedkoper te maken. Daar moet je inkomensbeleid voor voeren: een hoger minimumloon, een hogere zorgtoeslag of een basisinkomen. Bij maatregelen als een hogere btw kun je die groepen dan ook gericht compenseren. Het landbouw- of landbouwmilieubeleid zijn geen efficiënt beleidsinstrument voor een inkomensprobleem van consumenten.

De 5e doelstelling van het GLB kunnen we nu dus nog steeds interpreteren als een nuttige check dat het landbouwbeleid economisch rationeel blijft, maar het is geen argument om maatregelen af te wijzen die de duurzaamheid van de productie verbeteren. Zo worden de discussies weer wat simpeler.

vrijdag 11 januari 2013

meer mythes

Een tijdje heb ik hier blogs gepubliceerd met de tag Mythe. Om te wijzen op verkeerde redeneringen. Aanleiding was een 2009 artikel van Gerrit Meester in ESB die er een aantal benoemde.
Tijd om er twee aan toe te voegen die ik in de loop der jaren noteerde als veel gemaakte fout door ondeskundige journalisten:
  • "het gaat slecht met de landbouw want het aantal boeren / boerenbedrijven neemt af".  Nee, ze worden groter, met individuele bedrijven gaat het wellicht slecht maar met de sector niet. Mijn oude LEI directeur Jan de Veer zei zelfs: structurele ontwikkeling is nodig, dus bij een normale hoeveelheid stoppers (een aantal procenten per jaar) gaat het juist goed met de sector en de economie.
  • de variant waar ook Meester al op wees: "De landbouw verdwijnt, want aantal boeren neemt af". Ecquivalent dat je minder snel in de krant aantreft: "brood bakken sterft uit want het aantal bakkers neemt af, c.q ze verdwijnen".

dinsdag 8 januari 2013

Geitenwollensokken-economie

Aan slechts 1 passage in het boek De Duurzame Voedingsketen dat ik hier zaterdag besprak (zie onder) heb ik me toch een tikje geergerd -  omdat het voor een econoom wat al te kort door de bocht is. Ik wou er in de recensie (als je mijn blog zo mag noemen) niet over vallen, temeer omdat het gastauteurs waren, maar het verdient wel repliek.
Wouter van Dieren en Janne van den Akker (IMSA Amsterdam) schrijven: "Sinds ongeveer 1990 worden pogingen gedaan om de landbouw zijn beschermende subsidies te ontnemen en in z'n geheel naar de vrije markt over te hevelen. De protagonisten hiervan zijn economen, managers en vrije-marktideologen, geen landbouwdeskundigen en dat blijkt. Landbouw wordt immers overal gesubsideerd, om de eenvoudige reden dat alleen zo de voedselzekerheid wordt gegarandeerd. Een vrije markt is slechts mogelijk indien je alle productiefactoren kunt flexibiliseren, zoals arbeid, kapitaal en grondstoffen. Dat lukt redelijk in de glastuinbouw, maar verder niet. Een vrije landbouwmarkt leidt tot rampen: uitputting van de grond, uitbuiting van arme boeren, land grabbing, misbruik van chemische bestrijdingsmiddelen, opdrogen van waterbronnen, overdosis antibiotica, bedreiging van de volksgezondheid en dierenmishandeling. Dat alles is al dagelijkse praktijk: overheden lopen er hijgend achteraan en slagen nog maar nauwelijks in hun controle-taken."
 
Geitenwollensokken-economie
is misschien de beste term voor deze normatieve bedenksels die voortkomen uit de klok horen luiden en vervolgens alle kwaad maar aan de vrije markt, en de verdigers daarvan in de vorm van economen en managers toe te schrijven.
Eerst maar even een paar feitelijke onjuistheden rechtzetten: Sinds 1990 proberen we in de EU de productgebonden subsidies om te zetten in inkomenstoeslagen. En sommigen (inclusief mijzelf) bepeleitten dat die langzaam afgeschaft kunnen worden als de voedselprijzen zo hoog zijn. Maar er zijn nog volop subidies (alleen al in NL een miljard per jaar), dus met die pogingen valt het nog best mee / tegen - de afschaffing van subsidies kan niet al de genoemde ellende hebben verooraakt.
Ten tweede: er zijn grote delen van de wereld waar de landbouw niet wordt gesubsidieerd of zelfs wordt belast (Argentinie bv.). Omdat armere landen daar het geld niet voor hebben of de voorkeur geven aan goedkoop voedsel voor de stadsbevolking. De auteurs hebben gelijk dat als je daar wel zou subsidieren de productie zou stijgen en wellicht de voedselzekerheid zou verbeteren (net als hier in de jaren 50 en 60), maar hun steling "de rest doet het en dus dan hier ook" lijkt me onhoudbaar.
Een vrije markt voor producten en inputs is ook best mogelijk als die factor-markten niet zo flexibel zijn. [terzijde: de glastuinbouw is niet het enige voorbeeld waar er enige flexibiliteit is, denk eens aan de intensieve veehouderij]. Ook in de chemie of de mijnbouw of bij de Hoogovens zijn de productiefactoren niet zo flexibel: kapitaal ligt voor jaren vast, arbeid is zeer gespecialieerd, je kunt het hooguit ontslaan, mijnen liggen daar waar ze liggen. En daar hebben we toch vrije productmarkten.
Wat de auteurs mogelijk bedoelen is dat bij inflexibiliteit je een lange tijd lage prijzen en lage boereninkomens krijgt (wat voor de samenleving niet zo erg is, zeker niet als er een bijstandsregeling met sociale zekerheid voor boeren is) en dat die gepaard gaat met onderinvestering in landuitbreiding en onderzoek. Met daarna dus een cyclische periode van hoge prijzen, die in arme landen tot voedselzekerheidsproblemen leidt (rationering). Dat laatste rechtvaardigt overheidsingrijpen, en je ziet dat overheden in succesvolle landbouwlanden als Nederland, Frankrijk, Brazilie dan met name ook op die onderzoekskant actief zijn. Met daarnaast een vrije markt voor export producten.

Geitenwollensokken-problemen
Een vrije markt leidt dus niet tot rampen. Het verband tussen de lijst van problemen (waarom laten ze trouwens de invloed van landbouw op de klimaatsverandering weg uit de lijst?) en de vrije markt is veel ingewikkelder en lang niet zo eenduidig als in de gewraakte passage wordt beweerd. De vrije markt kan leiden tot tal van misstanden, omdat er geen overheidstoezicht is op kinderarbeid, gebruik van pesticiden, clenbuterol e.d.  Overigens zijn er weing economen (buiten enkele Tea Party aanhangers) die een wildwest vrije markt zonder instituties en overheidsregels bepleiten (de markt met de invisible hand is het grootste collectieve goed dat we hebben).
Overgang naar een vrije markt (met overheidsregels voor wat in het handelsverkeer mag en niet mag) verergert het probleem van de slechte structuur met teveel kleine bedrijfjes die wellicht te intensief en milieuvervuilend gaan produceren - als die markt een keer vrij is dan is het probleem veelal kleiner dan in een beschermde markt (prijzen zijn lager en de technische ontwikkeling is minder snel).
Mijn punt is dat juist ook marktbescherming en hoge prijzen kunnen aanzetten tot forse milieuproblemen: juist dan is het aantrekkelijk om water op te pompen of dure antibiotica te gebruiken. Misschien herinnneren de auteurs zich nog Carson's Silent Spring over DDT, of de clenbuterol problemen in de veehouderij: op het hoogte punt van die geweldige subsidieperiode zonder vrije markt. Of het mestprobleem. Niet in de laatste plaats veroorzaakt omdat de melkprijs ten opzichte van de veevoerprijs omhoog gemanipuleerd was en vooral omdat de varkenshouderij beschermd werd (en wordt): anders had een deel van de vleesproductie in Brazilie of Canada of Roemenie plaats gevonden - met de mineralen uit de mest daar weer op de akker.
In zijn algemeen geldt bovendien dat voor veel van de middelen als antibiotica of pesticiden het gebruik maar tot op zekere hoogte prijsgevoelig is. Hier is sprake van externalities in de productie waar de retail en de overheid regels voor moeten stellen (en controleren) omdat de vrije of minder vrije markt dat niet volledig regelt. Met al of niet ingrijpen in productprijzen heeft dat relatief weinig te maken.

Kortom deze alinea had in dezelfde ruimte veel genuanceerder opgeschreven moeten worden. En ook dan had de kop (nieuwe bedreigingen) en de conclusie (een transitie naar Duurzaam is aan de orde) gehandhaaft kunnen worden. De hang naar slow food vereist soms ook slow analysis en niet te snel schrijven.

vrijdag 20 augustus 2010

Lowlands

Lowlands dit weekend, in Biddinghuizen. Reden voor de Belvedere Scheurkalender om er vandaag even bij stil te staan. En voor mij om me af te vragen of de demografische ontwikkeling op het platteland niet overdreven wordt. Het aantal banen in de landbouw loopt terug, de bevolking stabiliseert (en zal wellicht teruglopen als de immigratie uit andere EU landen niet toeneemt).
En dus schrijven de kalendermakers "De werkgelegenheid in de agrarische sector is echter sterk afgenomen en dorpen als Biddinghuizen en Swifterbant lopen langzaam leeg". En vragen zich af of de frequentie van Lowlands niet omhoog moet en het dorp er van zou moeten profiteren.
Toevallig ken ik het dorp: onzin. Wie vanuit de polder naar Lowlands rijdt moet even opletten: er is net weer een boerderij tegen de vlakte voor een nieuwe woonwijk. Dronten is zelfs booming, toegegeven dat komt ook door een nieuwe spoorlijn.
Interessanter is wellicht dat er tussen Biddinghuizen en de Knardijk die Oostelijk en Zuidelijk Flevoland scheidt, al heel lang mensen 25 km van een dorp wonen. Net als in Zuidelijk Flevoland trouwens. Dat gaat al jaren goed. Kan iemand eens uitrekenen hoeveel mensen er in 2030 meer dan 25 km van een dorp met een paar winkels wonen? Zou me niet verbazen als dat er erg weinig zijn. Waarmee de leegloop misschien geen mythe is, maar de gevolgen dan toch beperkt.

maandag 1 februari 2010

vijf mythes


Het verzamelen van mythes over de landbouw begint populair te worden. Ik had er op deze site al een tag voor. De Stichting Natuur en Milieu heeft nu zelfs een meldpunt ingesteld, en publiceert een brochure met de eerste 5 die haar beleidspunten onderstrepen:


  1. De Nederlandse landbouw is een motor van de economie

  2. Nederland is medeverantwoordelijk voor de wereldvoedselvoorziening

  3. De boer is overbelast en moet al aan zoveel regels voldoen

  4. Boeren onderhouden het landschap

  5. De Nederlandse landbouw produceert veel natuur- en milieuvriendelijker dan de landbouw elders.

Voor de argumenten, zie de brochure,

donderdag 21 januari 2010

Schaarste en Overvloed

Een groot gedeelte van de dag bracht ik door met discussies over Schaarste en Transitie. De gelijknamige interdepartementale projectgroep deelde zijn gelijknamige boekje uit (een aanrader), met als subtitel Kennisvragen voor toekomstig beleid. Uitgegeven bij de ministeries van BuZa en VROM.
Ook het Planbureau voor de Leefomgeving werkt op dit vlak. Eerder refereerde ik aan hun Growing within Limits. Vandaag kregen we ook Getting into the Right Lane for 2050.
Onder deskundige leiding probeerden we vandaag wat van die kennisvragen uit te werken.
We spraken over verduurzaming en minder foodprint / footprint. Er is een beeld dat we als Nederlander niet vier keer Nederland nodig zouden moeten hebben. Daar kun je al over discussieren (de Argentijnen hebben misschien maar de helft van hun land voor zich zelf nodig), maar wat ik niet begrijp waarom sommige mensen dat meteen vertalen in zelfvoorziening op regionaal niveau. Als er iets niet duurzaam is dan is het druiven in Schotland telen. Handel helpt tekortsituaties oplossen. We hielden het op angst dat het wereldvoedselsysteem naar analogie van de banken een tijdje niet zou functioneren (naast de fun van stadstuintjes en de zorg voor groenten in achterstandswijken en subsistence farming in verlaten wijken van Detroit).
.
Bij dit soort sessies komen de echte zaken boven water bij een borrel na afloop. En daar stelde iemand de terechte vraag: waarom maken we alleen scenario's met schaarste en niet eens eentje met overvloed. Prima plan, dat ga ik binnenkort eens uittesten: is er een geloofwaardig verhaal mogelijk waardoor we helemaal niet in een schaarste maar in een overvloedsituatie terecht komen? Suggesties welkom.
Komende dagen als illustratie wat oude posters uit de tijd dat je uit de afbeelding van de poster helemaal niet meteen kon afleiden wat er werd aangeprezen. De Flyer was geen submerk van Fokker maar een sinasappel

zondag 17 januari 2010

economie en boekhouden

Het meest interessante paper in het boek Van Boterberg Tot Biobased (zie blog van gisteren) vond ik dat van prof. Gerrit Meester. Hij schreef "Bij het wisselen van de wacht: enkele reflecties over het EU landbouwbeleid". Ik vond het om drie redenen boeiend het papier te lezen.
Allereerst wordt met genegenheid teruggekeken op een vorige generatie leermeesters in de landbouweconomie (ik citeer): Jan Horring, leerling van Jan Tinbergen, eerste directeur van het LEI, scherp analyserend met een liberale insteek; Jan van Riemsdijk die al in de jaren zestig een plan maakte voor directe inkomenstoeslagen, Pieter van den Noort en Arie Oskam die meer neturaal-analyserend te werk gingen, en Jerrie de Hoogh als sociaal bevlogen en wat meer interventionistisch van aard. En natuurlijk Jan de Veer die zijn analytische diepgang inbracht. Er staan nog veel meer namen in, men leze het paper voor meer who is who.
.
Ten tweede bevat het artikel een paar mooie verhalen over het verschil tussen boekhouden en economie, en vooral het feit dat veel overheidsfunctionarissen in Den Haag dat verschil niet weten (of wensen) te maken. Het gaat dan om de vraag of we profijt hebben van de EU. Die vraag hoef je gezien onze export nauwelijks te stellen, maar in de jaren 90 werd dat toch een issue.
Als je hem dan toch stelt, moet je een economische analyse maken. Maar Den Haag keek naar de boekhoudkundige netto-betaalstroom. Niet alleen was dat al dieptriest fout, maar Meester documenteert een aantal cases waarin die betaalpositie ook nog volstrekt verkeerd werd geinterpreteerd. Die stroom nam namelijk af om de meest vreemde reden.
Een daarvan was de melkquotering: voor die tijd ging veel Nederlandse boter de interventie in (wat EU geld opleverde) en importeerden we om agri-monitaire reden Franse boter. Na de quotering was dat over, was er economisch winst, en waren wij geen kassier meer voor Parijs, maar we kregen wel minder geld uit Brussel.
Om dezelfde agri-monitaire reden voeren veel schepen uit Franse havens in de jaren tachtig met hun suiker en oliezaden even naar Vlissingen "om de kade te kussen" en hun douanepapieren te halen alvorens het ruime sop van de wereldmarkt te kiezen. Met als gevolg EU gelden via Den Haag naar Franse exporteurs en boeren stroomde. Vooral werk voor de Nederlandse ambtenaren en weinig economische voordelen. Na 1990 verlegde de geldstroom zich naar Frankrijk omdat het GATT soyapanel dwong tot een andere landbouwpolitiek.
Ook de uitbreiding van de EU werd aanvankelijk vooral boekhoudkundig benaderd in termen van budgetlasten. En tot slot is er de case van de graanprijsdaling in de jaren negentig: die leidde tot een sterke kostendaling van de veehouderij. Maar er kwamen wat minder exportrestituties binnen in Den Haag en de stroom van directe betalingen van Brussel naar Parijs nam sterk toe. Meester pleit er voor het economische voordeel van die kostendaling nog eens uit te rekenen (hoewel m.i. het dan eerlijk zou zijn om te zien of de concurrentiepositie van de mestvarkenhouderij niet verslectherd is doordat het graanvervangersvoordeel minder is geworden).
Mooie verhalen, die eigenlijk ook dieptriest zijn als je ziet wat het effect ervan op de houding van Nederland ten opzichte van de EU is geweest.
.
Drieklapper
De drieklapper van het paper is compleet met beantwoording van de vraag waarom de landbouw niet uit Europa verdwijnt, zoals sommigen nog steeds lijken te denken. Meester gaat terug tot de 19e eeuwse internationale handelstheorie die de twee landen twee producten specialisatie bij handel uitlegde met een kapitaalintensief product (bv. stoommachines) die dan in Engeland werden geproduceerd en een arbeidsintensief product (katoen) dat dan in een ontwikkelingsland met een arbeidsoverschot wordt geproduceerd. Maar inmiddels is juist de landbouw kapitaalintensief geworden (een John Deere is een stuk duurder dan een PC in een call center). Bovendien is de landbouw inmiddels sterk kennisintensief en heeft 'good governance' nodig (voedselveiligheid, plantenziektekundige dienst etc.). Terzijde: de opkomst van Brazilie is daarbij vooral te verklaren omdat de belastingen op de sector in de liberalisatie verdwenen zijn.
Meester ziet de Europese landbouw in de 21e eeuw dan ook groeien naar een grotere exportpositie. Er verdwijnt hier relatief weinig grond, de bevolking stabiliseert en wordt ouder, dus de consumptie daalt eerder dan ze groeit, de klimaatsverandering is hier eerder positief dan negatief wat betreft opbrengsten: in grote delen van Europa zit er nog een gat tussen de kg-opbrengsten die we oogsten in verhouding tot wat mogelijk is. En we hebben er belang bij om Noord-Afrika en het Midden-Oosten van voedsel te voorzien.

Kortom een boeiend paper:
G. Meester: Bij het wisselen van de wacht: enkele reflecties over het EU landbouwbeleid" in: J. Peerlings en C. Gardenbroek (red.): Van boterberg naar biobased, Wageningen Academic Publishers, 2009

zaterdag 19 december 2009

Terug naar de regio

Transportkosten doen er toe. het verschepen van een container van China naar de VS kost $400. Vanuit India al het dubbele: $ 800.-, en vanuit Sierra Leone in West Afrika: $1.300.- Waaruit je meteen mag concluderen dat de kosten niet van de afstand in zeemijlen afhangt, maar ook van andere zaken zoals het functioneren van zeehavens en de omvang van de transportstroom. Laden en lossen kost meer dan varen. Ook hier gelden agglomeratie-effecten.

Veel mensen denken dat als de transportkosten onder invloed van de energieprijzen of een CO2 belasting omhoog gaan, dat dat vooral ten koste gaat van de handel over verre afstand, en dat de handel binnen een continent wel in stand blijft.
Dat is echter nog maar de vraag, het zou wel eens een onzinnig idee kunnen zijn. Neem de situatie van Engeland. Toen de transportkosten in 1910 nog relatief hoog lagen ging 35% van de export naar het Europese continent en 24% naar Azie. Na de daling van de transportkosten ging in 1996 niet meer naar Azie, maar relatief juist minder: slechts 10%, en 60% ging naar Europa. Deels kan de val van het British Empire en de toetreding tot de EU een rol gespeeld hebben, maar bovenal is de stelling dat bij lagere transportkosten de verre handel relatief hard groeit, niet juist. Bij lage transportkosten gaat men juist op kortere afstand aanmerkelijk meer handelen en integreren economien: geen leuke T-shirts in Zoetermeer, dan rij ik toch even naar Gouda.
Omgekeerd kan dus bij hoge transportkosten de verre handel in stand blijven. De reden is dat de producten die je van ver haalt relatief ongevoelig zijn voor een prijsstijging (prijsinelastisch): we blijven koffie, ananassen en bloemen uit Kenia importeren, want ook al worden die wat duurder, de concurrentie met productie hier of de vraaguitval door hogere prijzen is relatief beperkt. Maar het verschil tussen Hollandse en Belgische peren of tussen varkensvlees uit Nederland of uit Duitsland is gering. Deze handel is dus zeer prijsgevoelig.
Wie dus denkt dat door stijgende energieprijzen we meer uit eigen streek gaan eten, kon wel eens gelijk hebben voor het karbonaadje en de aardappelen, maar niet voor de mozarella en de Argentijnse biefstuk. En al helemaal niet voor de mango's en de koffie. De lange afstandshandel kon wel eens behoorlijk intakt blijven.
Worldbank: WDR2009, chapter 6.

dinsdag 15 december 2009

Concentratie brengt voordelen

De laatste decennia zijn economische geografen anders gaan denken over de plekken van productie, handel en ontwikkeling. Een analyse die gebaseerd is op twee elementen. De eerste is dat grote markten (zoals in NW Europa) buitengewoon aantrekkelijk zijn voor bedrijven omdat ze er op grote schaal (economies of scale) kunnen produceren. Lagere kosten en meer winst per eenheid dus. Dat trekt ook weer toeleveranciers aan, of die kunnen uitbreiden. Daarmee ontstaan er gespecialiseerde arbeidsmarkten.

Ten tweede trekken die grote markten dus ook weer nieuwe bedrijven en migranten aan, waardoor er een zichzelf versterkend effect ontstaat. Nabijheid (proximity) is dan erg belangrijk.
Daarmee is er een onderscheid tot het klassieke evenwichtsdenken: als daar een gebied achterblijft qua inkomens en lonen, zal het op een zeker moment bedrijvigheid gaan aantrekken. Hoe verder je achterligt, hoe sneller je bij kunt komen. In bovenstaande nieuwe economische geografie is de conclusie: hoe verder je achterligt, hoe lastiger het wordt, vooral als het niet om miljoenenmarkten gaat. Daar is migratie vooral de oplossing.

Sommigen denken dat het belang van nabijheid door de ICT minder sterk wordt: the world is flat. Maar dat is vooralsnog even discutabel als het papierloze kantoor. De meeste (mobiele) telefoongesprekken vinden plaats tussen mensen die elkaar ook regelmatig ontmoeten. Het brengt het WDR 2009 tot drie stellingen:

  • Concentratie is de regel

  • Convergentie is het doel

  • Integratie is het antwoord

Zie Worldbank: WDR 2009. box 0.4.