Posts tonen met het label gezinsbedrijf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gezinsbedrijf. Alle posts tonen

woensdag 25 januari 2012

Cooperaties of verticaal bundelen

Het tweede nummer van Boerenbusiness (al een tijdje uit) bevatte een paar interessante inzichten. Marktplaatsmiljonair en brandnetelproducent Bas Crebas vind dat de veehouderij op de Maasvlakte thuis hoort. Nog interessanter vanuit mijn werk rond cooperaties vond ik het interview met de top van het Belgische bedrijf PinguinLutosa. Belgisch marktleider in de fritesindustrie. Het concern is een van de belangrijkste Europese producenten van diepvriesgroenten  en conserven (ik berichtte hier al eerder over de Westvlaamse cluster).
Interessant dat aardappelteelt zo groeit in Belgie. Men zit nu op bijna 80.000 ha en dit jaar gaan ze voor het eerst meer frites verwerken dan Nederland. Nog interessanter is dat de Boerenbond via zijn investeringmaatschappij een belang van 10% heeft genomen in het beursgenoteerde bedrijf. COO Dejonghe van PinguinLutosa: "De Boerenbond wil dichter bij de verwaarding in de keten zitten, om zo meer inzicht te krijgen in de relatie tussen handel, verwerking en retail. De transactie is dus niet alleen financieel, maar ook strategisch".
Het zou het bewijs zijn van opvattingen over samenwerking en krachtenbundeling in Belgie aan het veranderen zijn: "Zij hebben hier heel lang geloofd in horizontaal bundelen in cooperaties en verenigingen. Wij geloven daar niet in, maar wel in de kracht van verticaal bundelen. Oftewel de productie afstemmen op de markt. Dat besef is er al dertig jaar in de groenteverwerking".
Als voorbeeld noemt CEO Deprez de vorming van The Greenery: "Daar hebben telers zich ook horizontaal gebundeld zonder zich te committeren aan afspraken over productie en varieteiten. Je ziet waartoe dat geleid heeft: dramatisch slechte prijzen en een bijna bankroet van de glastuinbouw".
Boeren die vrijheid willen van rassenkeuze, gewassen en areaal zijn in de ogen van de geinterviewde niet bezig met ondernemersvrijheid, maar domheid en hebben helemaal geen vrijheid in de strop van de bank. Teel wat je in de markt kwijt kunt, en voel je vrij met het verdiende inkomen, zo redeneren deze Belgen.

In het zelfde blad een interview met cooperatiedeskundige Onno van Bekkum die de 25 grootste zuivelcooperaties bespreekt en internationale clusters ziet ontstaan, bv. van het type Arla-Fronterra

dinsdag 24 augustus 2010

Weg met de kas

Kassen zijn een verouderd concept. Zo claimt PlantLab in Den Bosch dat diverse media haalt met een groentenkweek-concept op basis van LEDverlichting en heel veel wetenschap en groeimodellen. Op een oppervlakte van 100 * 100 m2 en 14 hoog kun je een stad wel van de benodigde verse groente voorzien. Intensivering, industrialisatie en stadslandbouw: het lijkt er aan te komen. Ben benieuwd naar de kostprijs.

zondag 13 juni 2010

Scandinavische bevindingen

Food Economics publiceerde zijn laatste editie van 2009, de nummbers 3 en 4 samen - wetenschappelijke bladen hebben soms de grootste moeite zich professioneel aan deadlines te houden, zo lijkt het wel eens. Maar het nummer is wel de moeite waard.
Ik genoot van een paper uit Estland, al was het maar omdat collega's uit die landen moeite hebben door te breken. In Estland is het aantal boerenbedrijven na de onafhankelijkheid in de jaren 90 gegroeid maar sinds een aantal jaren is weer de daling ingezet. Onderzocht is welke bedrijven meer dan gemiddeld de kans lopen om het bijltje erbij neer te gooien (meestal doordat opvolging uitblijft).
Het paper bevat daartoe allereerst een mooi overzicht van de literatuur over bedrijfsovername en bedrijfsbeeindiging. En daarna natuurlijk het Estse onderzoek. Het concludeert dat de grotere bedrijven en de kleinste gezinsbedrijfjes (die ook veelal als lifestyle of na pensioenering als aanvulling op het pensioen worden aangehouden) de blijvertjes zijn. Middenbedrijven verdwijnen en het verhuren van grond is een goede voorbode voor een definitief einde. Mijn conclusie: Estland (met een booming economy) begint steeds meer zijn aparte ex-USSR karakter te verliezen, de bedrijfsontwikkeling is in ieder geval flink verwesterd.

Succes
Het andere interessante paper komt uit Finland. Daar vroegen ze aan boeren of ze succesvol waren en in welk opzicht. En keken dan of er verband was met het inkomen of andere maatstaven die economen gebruiken als indicator voor succes.
Welnu dat verband is zoek, of althans nauwelijks aanwezig. Dat bevestigt eerder onderzoek in de VS waar ongeveer de helft van de (volgens economen) succesvolle kleine bedrijven zichzelf zag als 'matig succesvol' en waar een derde van de bedrijven die er volgens economen weinig van bakten, zichzelf als succesvol zagen.
Je kunt jezelf dus aardig voor de gek houden als je niet door je baas of iemand anders gecorrigeerd wordt. Op elke tennisvereniging lopen er mensen rond die echt denken dat als ze een paar jaar eerder begonnen waren en een betere trainer hadden gehad, ze nu toch op Wimbledon zouden staan, al was het maar in de voorronde. En veel boeren organiseren geen feed back of kennen ook hun eigen economische resultaten niet (zeker als de belastingdienst er niet om vraagt), dus zo vreemd is dit onderzoeksresultaat niet.
Maar dergelijk onderzoek is ook met tal van methodische problemen behept. Het uitrekenen van het objectieve resultaat is soms al arbitrair (hoe schrijf je melkquotum af?), ook economen erkennen dat er meer is dan alleen winst of inkomen (risico, groei-strategie die eerste jaren geld kost, vermogenswaarde-ontwikkeling, vrije tijd), en daarbij is ook de uitgangspositie (qua bedrijfsgrootte, capactiteiten van de ondernemer) van belang.
En bij het ondervragen van boeren speelt zeg- en doegedrag. Veelal is het sociaal gewenste antwoord dat je niet alleen voor de grootste winst gaat (maar ook voor het gezinsleven of het milieu), terwijl uit experimenten dan blijkt dat mensen soms toch vooral op kosten en baten letten. En het is verleidelijk om succes aan jezelf toe te rekenen en mislukkingen aan de buitenwereld (bij grote bedrijven was een tijdlang Valutaire tegenwind een populair excuus).
Juist zulke puzzels maakt zo'n onderzoek interessant om te lezen.

A. Viira et al: The factors effecting the motivation to exit farming - evidence from Estonia
H. Makinen et al: Measuring the success of Finish family farms
Beide in: Food Economcs vol 6. no 3-4, 2009

zondag 30 mei 2010

schaalvergroting leidt tot zelforganisatie

Een gezellig feestje in Flevoland levert altijd weer wat nuttige praktijkkennis op. Dat schaalvergroting in de landbouw behoorlijk doorzet wisten we al. Wat ik ook wel wist is dat het effect heeft op de grondprijzen: een blok van 100 ha levert meer geld per ha op dan een kavel van 30 of 40 ha omdat er meer vraag is (van elders uitgekochte boeren) naar die 100 ha dan van de buren naar die 30 of 40. Daarmee trekt die blok van 100 ha iets van de 'rent' van de schaalvergroting naar zich toe.
Dat is op zich al een tikje bijzonder, hoewel niet nieuw, verschijnsel. Veelal was het juist de buurman die een hoge marginale biedprijs had en was een heel bedrijf een hele dure affaire, zodat de 40 ha eerder werd opgesplitst over twee buren in 2 keer 20 ha. Maar blijkbaar zit er door het uitkopen van bedrijven door projectontwikkelaars of de overheid, samen met de schaalvoordelen, zoveel geld in de markt dat grote blokken een premium doen.
En het echt nieuwe dat ik leerde is dat dit tot zelforganisatie leidt: boeren die naast elkaar wonen en alle twee of drie wel een keer willen stoppen bij gebrek aan een opvolger (of om andere reden) bieden hun bedrijven in een keer te koop aan om die grote-oppervlakte-premie te incasseren. Zij kennen elkaar situatie, besparen ook nog op de transactiekosten van de makelaar en verkopen gezamenlijk. Marktwerking in optima forma.

woensdag 3 maart 2010

Hay & Horses

De laatste resultaten van de Amerikaanse landbouwtelling laten zien dat het aantal landbouwbedrijven in Denver, maar ook in Texas, Arizona en elders rond de Rocky Mountains sterk groeit. Volgens mij een onzinnig resultaat en in onze sessie over ontwikkelingen in de landbouwstructuur hadden we er een nuttige discussie over, die zich voortzette in het oudste restaurant van Denver (alcohol licentie Colorado #1), een romantische cowboytent uit 1893 met de kogelgaten van de shoot outs uit de tijd van Buffulo Bill nog in de bar.

De nieuwe landbouwbedrijven in Denver en omgeving zijn kleine bedrijfjes die vooral in de business van hay en horses zitten. Wat grasland en een paar paarden. En in de business zitten ze eigenlijk helemaal niet, want je bent in de VS al een landbouwbedrijf als je in staat bent om voor 1000 dollar productie per jaar te verkopen. Of je dat doet is wat anders. En dus is 1 op de 5 bedrijven een zgn. point farm, die mogelijk verkoopt maar dat meestal niet echt doet.

De regio's die ik hierboven noemde zijn de afgelopen 10 jaar allemaal sterk gegroeid kwa bevolking. Om een of andere reden willen de Amerikanen graag in de woestijn wonen (een econoom heeft er op gewezen dat daarom het energiegebruik maar ook het GDP in de VS structureel hoger ligt dan in Europa), en sommigen graag op een boerderijtje met een paar paarden. Niet omdat Denver ook maar enigszins concurrerend is in paardenvlees, maar voor de hobby. Voor veterinair beleid kan het handig zijn te weten wie er een paard heeft, maar met landbouwproductie en landbouwbeleid heeft het m.i. niets te maken en leidt het tot vertekende beelden.

Hoeveel methodes er toe doen bleek ook uit het Braziliaanse paper in de sessie: die hebben hun landbouwtelling eens uitgewerkt met de methodiek van de VS (ook een ondergrens van 1000 dollar, die er daar natuurlijk fors inhakt) en niet de braziliaanse definities van een gezinsbedrijf, die erg kleinschalig is en waardoor ze veel niet-gezinsbedrijven lijken te hebben. De resultaten leiden tot heel andere inzichten, en de structuur in Brazilie is dan veel meer gelijkend op de VS of EU. Ook opvallend: sinds 1986 is er grond verdwenen in Brazilie: er wordt wel veel ontgint, maar rond de grote steden en in het Zuidoosten en Noordoosten gaat er ook grond in bos. Kortom methoden doen er toe, en ze moeten internationaal geharmoniseerd (een typische Europese term en vaardigheid overigens, zei de Amerikaanse voorzitster van de sessie)

maandag 1 maart 2010

JBS: big in meat

Nog een oud nieuwsberichtje dat ik in de voorjaarsschoonmaak bij het opruimen tegenkwam: the Economist meldde eind oktober dat een Braziliaans bedrijf nu de grootste vleesverwerker ter wereld is: JBS, de initialen van de oprichter Jose Batista Sobrinho heeft nu een grotere omzet dan Tyson. Met zaken in Argentinie, Mexico, Italie, de VS (Swift) en Australie.
Het familiebedrijf is voor 49% beursgenoteerd, wat the Economist tot een interessante opmerking verleidt: "As in other parts of the world, family-run agricultural firms in Brazil tend to focus on keeping things intact for the next generation rather than betting the farm. JBS has behaved differently".

The Economist: JBS spreads its wings. 31.10.2009

zaterdag 20 februari 2010

klein en robuust

Middelgrote bedrijven verdwijnen, we houden grote en heel kleine boerderijen over. Agrarisch sociologen en dito economen schrijven het niet-verdwijnen van de kleintjes in de regel toe aan de keuze voor een levensstijl. Eigenaren van die kleine bedrijfjes zouden nut ontlenen aan het continueren van de familietraditie, en bereid zijn daarom de verliezen van die bedrijven voor lief te nemen.

Een wat beperktere groep hard-core economen neemt met die vaak nogal routinues gegeven verklaring geen genoegen en denkt dat ook de eigenaren van de kleine bedrijfjes slimme economische afwegingen maken. Dat denk ik ook, en dus las ik met veel instemming een artikel van een aantal Noordierse collega's in de laatste editie van EuroChoices van vorig jaar.

Die hebben voor een echtpaar dat in 1993 35 was en drie kinderen van 4, 6 en 8 had, nagerekend of achteraf gezien over de periode 1993-2007 het verstandig was om te blijven boeren op een klein bedrijfje (3o ha schapen en vleesvee, dat is 0,4 arbeidskrachten) met inkomen van buiten het bedrijf erbij. Of dat ze beter in 1993 het bedrijfje hadden kunnen opdoeken.

En wat blijkt: part-time farming is een rationele economische keuze die geleid heeft tot een maximaal vermogen over de onderzochte periode. Dat geldt in het bijzonder als beide partners buiten bedrijf werken en het vleesvee erbij doen in een situatie waarbij een van de twee maar 25 uur buiten de deur werkt. Maar ook een scenario waarbij 1 van de twee volledig het bedrijf doet en de ander volledig buiten de deur werkt is nog profijtelijk (alleen moet in 1 jaar wat vee vroegtijdig worden verkocht om de zaak rond te zetten).

De grootste bijdrage aan dit resultaat wordt geleverd door de stijging van de grondprijzen. Daarmee wordt een vermogensrendement gehaald van 7,6 resp 6,4% in reele termen (gecorrigeerd voor inflatie). Dat is een hoog rendement en alleen vergelijkbaar met een investering in aandelen (die mogelijk toch wat risicovoller was over die periode).

De stijging van de grondprijzen is geholpen door de vraag naar grond van buiten de landbouw (de Ierse en Noordierse economie deden het prima in die periode), de 'roll over relief on capital gains' die ook de Noordierse landbouw kent (vergelijkbaar met onze doorschuiffaciliteit waarbij winst op landbouwgrond niet door de fiscus wordt belast bij herinvestering), en door de hoge niveau's van directe inkomenstoeslagen die in die periode de facto aan de grond zijn gekoppeld. De onderzoekers vinden het ook niet vreemd dat er in die periode minder grond verhandeld is, je kon het beter houden, en dat doet natuurlijk de grondprijs stijgen. De verplichtingen van de directe inkomenstoeslagen betekenen ook dat mensen zelf blijven boeren in plaats van verpachten. De verpachte oppervlakte is dan ook gedaald in de onderzochte periode.

Deze effecten moeten dus -via een vermogenseffect- de gezinsconsumptie en de investeringen in de landbouw hebben bevorderd. De onderzoekers merken zelf op dat ze nog geen rekening hebben gehouden met het feit dat de directe opbrengstwaarde van gebouwen en oude machines lager is dan de indirecte door het nog een poos te gebruiken (de sunk cost hypothese). Dan zou het rendement nog hoger geweest zijn.

De auteurs hebben nog een paar kritische noten tot slot: als de direkte toeslagen afgebouwd zouden worden (of de belastingvoordelen), kan het wel eens leiden tot massale verkopen. En verder is dit model erg afhankelijk van een goede regionale arbeidsmarkt en zo mogelijk een stad op werkafstand, want daar zijn de betere banen waar je je voor de arbeidsmarkt relevante know-how kunt opdoen en onderhouden.
Claire G. Jack, Joan E. Moss and Michael T. Wallace: Is growth in land-based wealth sustaining part-time farming? in EuroChoices, 2009-3

woensdag 10 februari 2010

percelen moeten groter

Schaalgrootte kan de kostprijs fors drukken. En dan vooral de schaalgrootte van percelen. Dat geldt zelfs voor groenten als doperwten, waspeen, spinazie en sperciebonen, waar de industrie via contracten al een flinke vinger in de pap heeft.
Kleine percelen leiden niet alleen tot relatief meer kopakkers en lengteranden, maar vooral tot meer kosten omdat grote (oogst)machines vaker moeten worden verplaatst en omdat de kosten van contracteren en teeltbegeleiding zwaar doortikken. Ook zijn er voordelen te halen door de grotere percelen op de beste gronden te leggen en door met minder teeltorganisaties te werken. Voordelen kunnen oplopen tot een kwart van de kosten (excl. die van de boer). Er ligt dus geld op straat, wie raapt het op, en waarom contracteren industrieen nog oppervlaktes kleiner dan 5 ha?
Kortom het LEI rapport waaruit ik citeer geeft weer eens aan dat de trend naar grootschaliger doorgaat en nog veel voordelen biedt. Voor de goede orde: grotere percelen betekent niet grotere kavels (ruilverkaveling).

De foto geeft een beeld van de oogst in Florida, daar heb je nog menselijke, Mexicaanse oogstmachines, die geen grote percelen nodig hebben, maar die er juist wel zijn (en voordelen hebben bij zaaien en irrigeren).
J. Buurma, J. Benninga en S.R.M. Janssens: Naar een sterke grondstofketen voor verwerkte groenten, LEI december 2009

zaterdag 8 augustus 2009

Super en Hyper

Boeren en supermarkten mogen dan bakkeleien over de marge, ze hebben ook veel met elkaar gemeen.
ING bracht gisteren de conclusie naar buiten dat met name de middelgrote bedrijven problemen hebben. De grote supermarkten, met meer dan 1000 m2, draaien een hogere omzet. Ook de kleintjes, met minder dan 400 m2 redden zich wel. Hun klanten zijn zo trouw dat ze niet al teveel met prijzen hoeven te stunten; en de recessie heeft weinig invloed op onze vergeetachtig en we blijven daar dus af en toe langs gaan omdat we bij de grote hypers wat vergeten zijn. Maar juist het tussensegment heeft het moeilijk en met name die van 700-1000 m2 zijn vooral het slachtoffer van de schaalvergroting (als ze niet mee kunnen).
Net als in de agrarische sector dus. Waaruit blijkt dat de landbouw in economisch opzicht helemaal niet zo bijzonder is. Nieuw is het verschijnsel ook niet want in de jaren 70 en 80 ging het ook al over het behoud van wat toen het "middenbedrijf" heette. Wellicht moeten dus middelgrote boeren en de middelgrote supers dus eens met elkaar bedenken hoe zij zich nu zouden kunnen onderscheiden tussen tafellaken en servet.

vrijdag 7 augustus 2009

groot en in trouble, so what?

In aanvullig op mijn blog van gisteren, laat ik mijn licht ook nog maar even schijnen op een andere (onjuiste) stelling die ik van tijd tot tijd beluister: schaalvergroting is niet het juiste spoor want je ziet dat bij een onverwachtse crisis juist nieuwe grote bedrijven in de financiele problemen komen.

Of schaalvergroting het juiste spoor is, is een kwestie van bedrijfsstrategie (multi-functioneel kan ook een hele goede zijn). Maar het feit dat grote bedrijven soms in de problemen komen en kleintjes niet, betekent niet dat schaalvergroting niet doorzet. Mijn verklaring voor het verschijnsel is dat sommige ondernemers de trend naar schaalvergroting en kostprijsverlaging goed inschatten, maar achteraf gezien (altijd makkelijk oordelen) te veel risico nemen in hun eigen bedrijfsfinanciering. De productiekant van die bedrijven en de marge zijn wel op orde, maar er is te weinig buffer in het eigen vermogen (terwijl kleine bedrijven vaak heel veel eigen vermogen hebben en wel tegen een stootje kunnen). Ze zijn dus net even te hard gegroeid of hebben zich van te weinig aandeelhouders verzekerd.
Met als gevolg dat wanneer het tegen zit, het bedrijf gereorganiseerd moet worden of te koop komt. In dat laatste geval zet de schaalvergroting extra hard door want iemand anders kan het dan overnemen tegen aanmerkelijk lagere kapitaalskosten.

Kortom de (technische) ontwikkeling in een bedrijfstak kan best een bepaalde kant op wijzen terwijl de eerste innovatoren er niet al te veel aan verdienen. Dat is niets bijzonders: het gebeurt in de software (er is vermoedelijk meer geld verdiend met Excel dan de voorlopers Supercalc, Symphony en Lotus). En om in de analogie van gisteren rond de cafetaria's te blijven: het eerste McDonalds restaurant in Nederland werd in 1971 in Zaandam gevestigd en medio jaren zeventig probeerde men het nog eens in Amsterdam (bij de Munttoren op de hoek van de Vijzelsstraat en de Reguliersdwarsstraat als ik me goed herinner). Erg hard liep het allemaal niet, naar verluidt omdat men teveel van de (Amerikaanse) toeristen verwachtte. Ahold stapte uit de joint venture. De grote groei (inmiddels zijn er 220 van die restaurants in Nederland) kwam pas in de jaren tachtig en negentig toen men net als in de VS in de nieuwe buitenwijken met kinderen en steeds meer werkende partners nieuwe restaurants neerzette.
Het feit dat het aanvankelijk niet zo hard liep was (alweer: achteraf) geen signaal dat de strategie niet werkte, het was meer dat de eerste implementatie te wensen overliet. Zo eenvoudig is ondernemen namelijk ook weer niet.

donderdag 9 juli 2009

open source landbouw in zicht

Wie wil weten hoe hard het gras bij de buren groeit, kan nu terecht bij een website van Wageningen UR. Per dag kun je zien hoe hard de gewassen groeien op basis van satelietdata.
Volgende stap lijkt me dat je ongevraagd advies krijgt van deskundigen waarom jouw perceel achterblijft. Of je zet je eigen data over zaaien en bemesten online en vraagt wie er adviezen heeft, het crowd sourcen in de landbouw is niet ver meer. We raken het gezinsbedrijf voorbij.

Met dank aan Resource voor het artikel over de website, Resource 25.6.2009

maandag 15 juni 2009

de toekomst van de keukentafel

Gisteren blogde ik hier over de governance structuren van de landbouw of wel de toekomst van het gezinsbedrijf. Vandaag zette Ziezo.biz een column daarover online.
En de literatuurverwijzing heb je nog te goed. Morgen over de andere Romeinse zaken.

James Johnson, Mitchell Morehart, Krijn Poppe, David Culver and Cristina Salvioni: Ownership, Governance and the Measurement of Income for Farms and Farm Households: evidence from national surveys. Paper for the 2nd Wye Group Meeting, FAO Rome, June 2009

zondag 14 juni 2009

governance van het gezinsbedrijf

In Rome vergaderden we afgelopen week twee dagen bij de FAO met de VN Wye Group, die een handboek onderhoudt rond indicatoren voor plattelandsbeleid en inkomensmeting. Ik had het genoegen wel erg goed vertegenwoordigd te zijn in de sessies, als mede auteur van drie papers met Italiaanse en Amerikaanse / Canadese collega's (en LEI-collega's natuurlijk), waaronder het openingspaper.
Dat ging over de organisatievormen in de landbouw en met Amerikaanse, Canadese, Nederlandse en Italiaanse data hebben we definitief (hoop ik) het idee uit grootmoederstijd ten grave gedrage van 1 bedrijf = 1 locatie = 1 ondernemer = 1 manager = 1 eigenaar = 1 gezinshuishouding = 1 inkomensbron. Die bedrijven zijn in de minderheid, in aantallen en zeker in productieaandeel. In veruit de meeste gevallen is het een stuk complexer, hoewel het gezins- of familiekarakter overheerst, en dat zal ook nog wel even zo blijven.
Doelgroepenbeleid of wel targetting is daarmee in het landbouwbeleid ook moeilijker geworden: boeren reageren op beleid en subsidies met de voor hen meest voordelige organisatievorm. Nog een rede minder om een voorkeur te hebben voor een bepaalde bedrijfsvorm. Het gaat er om dat efficiente organisatievormen boven komen drijven. Met of zonder familie-aspecten. En vooralsnog stimuleert de fiscus het gezinsbedrijf zo was de indruk.

donderdag 11 juni 2009

voorbij het gezinsbedrijf

Bij het LEI verscheen een publikatie, waarbij ik ook nog een inhoudelijk rolletje mocht spelen, over de organisatie van het gezinsbedrijf. En de toekomst ervan. Want waarom hebben we hier gezinsbedrijven en geen plantages? Of gaan we daar met megabedrijven naar toe? Voorlopig blijven het wel gezinsbedrijven is onze taxatie, maar ze worden wel meer tot samenwerking met andere partijen gedreven.
Vandaag en morgen praten we er in Rome over verder. Je hoort er nog van.

G. Backus, W. Baltussen, M. van Galen, H. van der Meulen en K. Poppe: Voorbij het gezinsbedrijf? LEI, 2009