We waren er even uit, dus bleef het hier wat stil. En ik stak afgelopen week tijd in het maken van een aantal lezingen voor komende weken. Die deel ik op dat latere tijdstip.
Vandaag dus alleen een fotootje uit Westenschouwen
weblog over de toekomst van de Nederlandse landbouw en het platteland. Gemotiveerd vanuit het werk als econoom, de nevenfuncties als bestuurder en de woonomgeving van de moderator, maar als persoonlijke stellingname geheel buiten de verantwoordelijkheid van mijn werkgevers - zoals het hoort bij een weblog.
Vandaag dus alleen een fotootje uit Westenschouwen
Nog een paar aanvullende opmerkingen bij mijn analyse van afgelopen dagen over de immobiliteit van de boeren in de polders alhier. Het lijkt er dus op dat 2 a 3 generaties de afgelopen 75 jaar op veel boerderijen het maximum was. Het kan natuurlijk zijn dat degenen die er nog zitten, juist wat aan de hogere kant zitten, maar dat is me toch niet heel erg opgevallen. De oude regel dat opa opbouwt, vader uitbouwt en kleinzoon afbouwt lijkt van toepassing.
Veel mobitliteit lijkt er ook geweest te zijn in de periode 1890 - 1930. Eerst omdat het goed ging met de sector en mensen een boerderijtje begonnen op een hoek van een groter bedrijf, of vanuit een dorp een perceel pachtten. En daarna omdat het zeer slecht ging en voor een tweede zoon een bedrijfje werd afgesplitst.
Je komt door de eeuwen heen ook een aantal faillissementen tegen. Alsook boeren die gedwongen zijn hun boerderij te verkopen aan een belegger en dan verder gaan als pachter. Een sale and lease back constructie. Soms zijn ze later weer in staat om te kopen.
Verder valt op dat de beleggers steeds meer vertrekken. Bij de droogmakerijen waren er aanvankelijk veel investeerders betrokken die veelal niet zelf gingen boeren maar een pachter zochten. Dat was op zich al mobiliteitsbevorderend want na een pacht van een aantal jaren werd er soms competatief een pacht aanbesteed. Na de Tweede Wereldoorlog zie je de beleggers vertrekken. Mijn interpretatie is dat de pachtwet met zijn continuiteitsrecht en de pachtprijsbeheersing (en het makkelijker worden van beleggen in de internationale kapitaalmarkt die er na Bretton Woods wellicht minder gevaarlijk uitzag) de verpachters heeft doen vertrekken en we de mythe van het gezinsbedrijf met grond in eigendom hebben omarmd. Het meest spectaculaire afscheid komt voor rekening van een Haagse dame, mevrouw Beelaerts, die zich freule laat noemen.. Zij vererfde haar 10 grote boerderijen in 1959 aan de pachters, die eigenaar werden (en een rekening voor successierechten kregen).
Tot slot, sommige families leveren heel wat boeren en pachten of kopen boerderijen voor meerdere zoons, En sommige van die families zijn ook zeer verbonden, verzwagerd. Het leidt tot typische streeknamen als Van der Spek, Van Eijck, Paul, etc. En in de bijlagen van het boek staat netjes een lijstje van de boeren die anno het jaar voor publicatie GLB-subsidie krijgen, met naam en adres gerangschikt naar grootte van de ontvangst. Men was zo kies het bedrag niet te vermelden, wel dat er een paar hobbyboeren tussen zitten met maar enkele hectares.
In aanvulling op de vorige blogposts hier de uitslag van mijn geturf voor Zevenhuizen. Eerder een Poissonverdeling dan een kromme van Gauss. Op 40 van de 100 bedrijven (die lang niet allemaal meer bestaan) is/was de laatste boer de tweede generatie uit de familie. op nog eens 25% zelfs de eerste generatie. Meer dan 3 generaties is echt uitzonderlijk. Er is 1 boerderij waarop de huidige boer min of meer kan claimen de 6e generatie te zijn. De familie boert in de Tweemanspolder naast de A12 sinds 1801, zij het wel dat de boerderij een keer overgegaan is naar een zwager. Maar dat zien we dan ook maar als continuïteit.
Kortom, er zijn maar weinig bedrijven waar je kunt claimen dat die al vele generaties lang in de familie zijn.
In mijn vorige blogpost beschreef ik een onderzoekje naar het aantal generaties uit dezelfde familie dat achtereenvolgens op dezelfde boerderij actief is. Van bedrijven die in 1945 nog bestonden en ook nu nog bestaan of inmiddels beëindigd zijn ging ik na hoeveel generaties uit dezelfde familie de huidige of de laatste boer voorgingen. Hierboven de uitslag voor Moerkapelle. Drie generaties is de meest voorkomende situatie. Op 1 bedrijf kan men claimen de 5e generatie te zijn, op vier de vierde. Maar veel meer bedrijven blijven of bleven steken bij 2. Kortom: het is all knap als een familie het een eeuw op dezelfde plek volhoudt. In een volgende blogpost de uitslag voor Zevenhuizen.
In menige bedrijfsrapportage over een boerenbedrijf of een interview met een boer of tuinder wordt gerefereerd aan het aantal generaties dat al op die plek boert. Vaak wordt een enorme continuïteit gesuggereerd en daarmee een soort hisotrisch recht op die plek. Ik vroeg me al enige tijd af wat dit argument waard is.
Het viel me afgelopen voorjaar in een boek Eerlijke Verhalen van Wim van der Heide met veel bedrijfsrapportages op dat veel boeren refereren aan hun opa als stichter van het bedrijf. Soms nog een generatie eerder, maar vaak ook niet eens 3 generaties. En dan tel ik een verplaatsing vanwege de ruilverkaveling niet eens mee, dat zie ik dan maar als continuïteit, hoewel iemand best een fors aantal kilometers opgeschoven kan zijn - maar vaak binnen hetzelfde dorp.Nou is 3 generaties niet zo gek, er is heel veel woeste grond ontgonnen in de jaren 1890 - 1940 en in de crisisjaren zijn ook veel bedrijven als een afsplitsing van een groter bedrijf of als keuterboer begonnen. Al met al hield ik er de indruk aan over, dat je dat "generaties op dezelfde plek" met een korreltje zout kunt nemen, hoewel er natuurlijk families zijn die bv. in Twente of de Achterhoek al sinds de 17e eeuw op een erf zitten.
Boerderijboeken, die in sommige gemeenten worden gemaakt, bieden soms boeiend onderzoeksmateriaal. Dus toen ik deze zomer het Boerderijenboek van de Stichting Oud Zevenhuizen - Moerkapelle in handen kreeg, waarin alle boerderijen beschreven staan die ooit in deze toenmalige gemeentes hebben gestaan (inclusief een aantal die zijn afgebroken om een ringvaart van de Zuidplaspolder aan te leggen), met daarop zoveel mogelijk de namen van de pachters / eigenaren, besloot ik te turven.
Ik nam alleen de bedrijven mee die in 1945 nog bestonden, en soms nu nog bestaan, en anders na 1945 zijn opgeheven. Dat zijn er 24 in Moerkapelle en 100 in Zevenhuizen. Ze zijn gelegen in droogmakerijen uit de 18e en 19e eeuw, waaronder de Zuidplaspolder. Daar kunnen dus heel wat generaties boeren. Verder telde ik ruimhartig: een overdracht naar een neef van de boer, heb ik geteld als continuïteit in de familie, ook omdat die neef soms een opa had die ook op die plek had geboerd. Ook verandering van bedrijstype (van akkerbouw naar fruit of zo) heb ik als continuiteit geteld, zelfs als dat van akkerbouw naar loonwerk was.
Daarentegen is er nog al wat mobiliteit: boeren die failliet gaan, boeren (met name pachters) die binnen de twee gemeentes verhuizen van de ene naar de andere boerderij. Soms van klein naar groot, soms ook andersom. Er is zelfs een geval waarin boeren ruilen: een wat ouder geworden boer ruilt met een ander die een kleiner bedrijf heeft. Allemaal geen continuïteit..
Komende dagen de resultaten van mijn onderzoekje. Doe alvast maar een voorspelling van de uitkomst...
Al zo'n 25 jaar geleden was er een discussie hoe het verder moest. Ik was toen betrokken als adviseur en doorrekenaar bij fusiegesprekken van Agrico en de toenmalige directie worstelde met de toekomst: zo'n consumentenmerk is een heel andere business dan bijvoorbeeld pootaardappelen exporteren. Een merk kost investeringen en merken moesten opgeschaald naar een groot aantal landen. En er was productontwikkeling gewenst, het succesvolle merk leende zich voor brandextension naar verwante producten met aardappelen. De consumptieaardappeltelers in de coöperatie was het voordeel van zulke investeringen misschien nog uit te leggen, maar de pootaardappeltelers staken het geld liever in het kweekbedrijf, zo was de indruk. Misschien had het bij Aviko gepast (maar die hadden hun eigen aardappelproducten naast de frites) dat was een bevriende onderneming, dochter van de coöperatie van suikerbietentelers, die een zeer nauwe just-in-time belevering van aardappelen vanuit dat sorteerbedrijf kreeg. Maar Agrioc en Aviko kregen ruzie en gingen uit elkaar.
Daarna heb ik het niet meer gevolgd, maar ik begreep dat McCain jarenlang eigenaar is geweest en het in afgelopen jaren aan een investeringsmaatschappij heeft verkocht. Die trekt nu de stekker eruit. Het leven is er blijkbaar uit bij CelaVita
Op FOodlog brak weer eens een discusie los over Afrika en hoe ontwikkelingspaden verlopen. Er zijn mensen die benadrukken dat vooral het kleine bedrijfje heilig is, terwijl in mijn ogen ontwikkeling vanzelf leidt tot schaalvergroting. Die vaak zelfs te langzaam is. Ik verwoordde mijn bijdrage als volgt:
Schaalvergroting lijkt me geen doel in een ontwikkelingsproces maar een onvermijdelijk gevolg dat helemaal niet zo erg is. Dan heb ik dus de normale schaalvergroting voor ogen, niet mensen van hun land sturen om er een latifundia of grote plantage van te maken. En ook niet eentje waar er maar een paar bedrijven over blijven en geen concurrentie. (Overigens is er nu ook corruptie en kunnen ook veel kleine boeren samen allerlei voordeeltjes bij de machthebbers binnenslepen).
Dat vraagt investeringen, om die arbeiders die je hebt vrijgemaakt te eten te geven, om materiaal aan te kopen in de grote stad of het buitenland. Asfalt valt niet uit de lucht, een drinkwater installatie ook niet. Om die investering te financieren zijn er verschillende oplossingen die meestal betekenen dat je nu afziet van consumptie, ten faveure van toekomstige welvaart. Investeren. En dat moet je financieren.
Dat kan door de boeren een heffing op te leggen: gratis eten leveren aan de arbeiders en een extra belasting om materiaal in de stad te kopen. Je kun ook consumenten belasten. Rechtstreeks of via een GLB met hogere voedselprijzen, waardoor boeren meer gaan produceren en je meer te verkopen hebt aan de grote stad of het buitenland. Derde optie: je bent erg geloofwaardig dat je je schulden in de toekomst afbetaalt, en je overtuigt investeerders in de stad of het buitenland om je geld te lenen voor de investeringen. Vierde: je overtuigt anderen dat ze het je gratis geven, dat noemen we ontwikkelingshulp.
Maar in al die gevallen haal je arbied weg uit de landbouw om die weg aan te leggen, of betere huizen, of de drinkwaterleiding. In het begin kan dat wellicht omdat er teveel mensen in de landbouw rondlopen die weinig werk hebben(verborgen werkeloosheid). Maar er komt een punt dat de welvaart zo stijgt dat de arbeiders meer verdienen en dus de arbeider duurder wordt. Dan kiezen jongelui ervoor geen boer te worden maar monteur bij het leidingwaterbedrijf. En dan gaan ook de boeren een machine kopen zodat hun arbeidsproductiviteit omhoog gaat. En hun welvaart. En met die machine kunnen ze wat meer hectares per man/vrouw doen. Dat heeft schaalvergroting.
Het is de weg die de Europese (en Amerikaanse) landbouw, en totale economie, is gegaan. Je kunt iets vinden van de huidige Nederlandse landbouw, maar terug naar de aardappeleters van Van Gogh van 150 jaar geleden lijkt me niet gewenst en ik gun Afrika dezelfde ontwikkeling. Als het meezit leren ze nog een beetje van onze fouten.
Een excursie bracht me gisteren in Hitland, een 600 ha recreatiegebied tussen Nieuwerkerk aan den IJssel en Capelle aan de IJssel. Dit keer ging het niet om de plantjes, maar de beheersorganisatie. Interessant genoeg om even vast te leggen.
Het recreatieschap met typische veenweide verkaveling ontstond 50 jaar geleden (1965) toen Rotterdam allerlei plannen ontwikkelde voor baggerdepots en een snelwegverbinding tussen de A20 en de A15, ook ter ontsluiting van Krimpen aan den IJssel. Het leek de twee gemeentes maar het best een tegenwicht te vormen en ze bedachten het recreatieschap als buffer tussen hun twee kernen maar vooral tegen Rotterdamse plannen.Het recreatieschap is een Gemeenschappelijke Regeling (die wet was er toen net) waarin de 2 gemeenten (inmiddels is Nieuwerkerk opgegaan in Zuidplas) op basis van inwoneraantallen van de beide kernen de kosten en basten delen en de wethouders de zaak aansturen. Niet alle grond is overigens in bezit van het schap. Sommige percelen zijn van boeren, die wel te maken hebben met het bestemmingsplan en bijpassend waterpeil. Desgewenst kunnen ze hun grond aan het recreatieschap verkopen, maar er is geen voorkeursrecht.
Land wordt verpacht en werkzaamheden aan wegen etc uitbesteed zodat eigenlijk 1 persoon het schap kan runnen. De recreatieactiviteiten zijn gericht op wandelen, fietsen, hardlopen, wat speelveldjes en tuintjes en een ongebruikte ijsbaan (omdat er geen ijsvereniging is die als ijsmeester en exploitant wil optreden). Bijzonder is nog wel dat er ook een openbare golfbaan is, de laatste in Nederland. De exploitatie daarvan is wel in handen van het schap, hoewel ook hier restaurant, golfschool en golfwinkel worden verhuurd zodat alleen het baanonderhoud door 6 semi-ambtenaren gebeurt. Zolang dat een inkomstenbron is voor het schap vindt de politiek dat prima. Grappig is dat by far de grootste goflsport-winkel van West-Nederland ook een gebouw op het terrein huurt. Net als bij een openbaar zwembad is de golfbaan natuurlijk niet gratis (een rondje kost 35 euro) en net als op een openbare school kun je niet zomaar met je hond in en uitlopen op de golfbaan. Hoewel sommigen een ander beeld bij openbaar hebben.
Opvallend is eigenlijk wel dat natuurbeheer helemaal niet zo'n grote rol speelt. 10% van het areaal schijven statuten / beleidsplan voor, zo begreep ik. Met probeert wel met beplanting (een deel is nu oud) de biodiversiteit te verhogen, in de weilanden zitten grutto's en het is er mooi. En er zitten veel ganzen en dus maar weinig zwanen meer. Maar een recreatieschap is geen natuurgebied.