vrijdag 31 augustus 2012

socialistische economie

Eergisteren hadden we het hier over Marx. Dan nu maar even over niet-marxistische socialistische economie. Daar schreef J.E. King een paper over (Non-Marxian Socialism) in het boek waaruit ik deze reeks citeer.
In de 19e eeuw werd het kapitalistische systeem natuurlijk doorlopend bekritiseerd. Mooi al die economische theorie, maar in de praktijk zag je veel armoede, grote inkomensongelijkheid, uitbuiting, kinderarbeid, drank en zie verder Charles Dickens.
Het leek erop dat het systeem toch aanzette tot het inefficient omgaan met mensen, hun onvoldoende te laten ontwikkelen. De discussies gingen er heet aan toe. Marx en Engels betitelden sommigen als "petit-bourgeouis socialisten" (salon-socialisten zeg maar), en in Duitsland had je de Kathedersozialisten die voor veel staatseigendom en strikte arbeidswetgeving pleitten.
George Bernard Shaw, de schrijver, was een van de eerste die ook de neoklassieke economie zelf gebruikte in zijn analyses die het socialisme aanprezen. Vervolgens kregen de socialistische denkers natuurlijk de wind in de rug bij de crises van de jaren 20 en vooral 30, inclusief Keynes' zijn pleidooi voor staatsingrijpen om de vraag op te krikken.
Er ontstond een hele controverse (o.a. tussen Oskar Lange en Hayek) over de vraag of een Centraal Plan Orgaan kon werken. Liberaal Hayek vond van niet. Er is veel te veel informatie nodig (die is niet gratis) en bovenal is er ook rivaliteit nodig om bv. tot innovatie te komen. Het gaat om strijd, niet alleen om trial and error.
De sociaal democratie van na WO II is bekend. Na 1989 leken de liberalen wel gewonnen te hebben in de strijd. Einde van de geschiedenis. Er was geen oplossing gevonden in de praktijk voor de zgn. soft-budget constraint van de socialistische manager - als hij fouten maakt wordt hij gered, zijn kapitalistische evenknie niet. Ofwel (zoals Stiglitz het formuleerde) er is een principal-agent probleem in de bureaucratische controle van de socialistische manager.
En dus stelde iemand de cruciale doodsteek-vraag: waarom zou je alle moeite doen om al die problemen oplossen, als the real thing in de vorm van het kapitalisme al bestaat. In het bijzonder als je -als je dat wilt- ook iedereen een basisinkomen kunt geven zodat iedereen echt "vrij" is.
Mijn gevoel zegt me dat daarmee dit boek niet gesloten is. Want inmiddels hebben alweer het staatskapitalisme (dat wel in deze trend zou passen). En armoede is een relatief begrip, zodat je met een absoluut basisinkomen nog niet iedereen vrij en blij hebt.

donderdag 30 augustus 2012

surplus economie

Wat voor de 19e eeuwse economen een groot vraagstuk was, was het jaarlijkse surplus (voor het gemak: de welvaartsstijging) en hoe die verdeeld werd over de klassen. Want de 19e eeuw was zeker in Engeland die van de vooruitgang met meer welvaart door de effecten van de 1e en 2e industriele revolutie. En Engeland zou Engeland niet zijn als we het niet over klassen hadden.
Die verdeling hing dan af van o.a. de winstgevendheid (profit rate) van investeringen en daarmee de winstquote. Prijzen waren door de veranderende technieken en de nog grote rol van landbouw vermoedelijk erg in beweging en dus moesten er redeneringen worden opgezet van het actuele naar het "natuurlijke" prijsniveau in een bepaalde periode en plaats. Om vervolgens op die geschoonde prijzen een analyse los te laten wat de structurele invloeden op die prijsverhoudingen waren. Ze hadden daarbij de notie van fysieke reele kosten (en dus geen aandacht voor nut of opportunity costs).
Zie hier het centrale vraagstuk van de klassieke politieke economie. Vraag en aanbod speelde daarin een rol, maar minder dominant dan na Marshall.Ook veranderingen in schaalgrootte hadden weinig aandacht. Dat kwam pas later met de marginalisten.

Gebaseerd op H. Kurz: The Surplus Interpretation of the Classical Economists: in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003

woensdag 29 augustus 2012

Marx' Kapitaal

We zetten de historische wandeling door het economisch denken voort, ik begrijp dat er mensen zijn die het een leuke ah-erlebnis vinden vande oude college-stof. Dan zijn we dus toe aan Karl Marx en Das Kapital. Ik kocht mijn versie begin jaren zeventig, natuurlijk in Amsterdam, toen ik aan het Raamplein aan de HES studeerde.
Nooit uitgelezen, wat eigenlijk tegen mijn principe is. We vonden het toen bon ton om in het cafe te beweren dat we op pagina 29 gestruikeld waren over de eerste voetnoot die langer dan een pagina was. Wat dan terecht de hoon opriep van de kant van UvA-studenten die beweerden dat die bewuste voetnoot pas honderden pagina's verder kwam. Enfin, later vertrok ik naar bedrijfseconomie in Rotterdam, en daar was de cafe-uitspraak (inmddels 1980) meer in de sfeer van "wie Marx niet op zijn 20e aanhangt heeft geen hart, en wie het op zijn vijftigste nog doet, geen hersens". Aan dat alles moest ik aan denken toen ik een maand geleden op IJsland een mooi paper over Marx las. Kan ook de invloed van de zwavelvelden zijn geweest.

Een paper van een Nederlandse auteur, zo kwam bij toeval bij terugkomst in Nederland ter sprake, Geert Reuten (jazeker van de UvA, misschien bekender als senator voor de SP). De auteur heeft oog voor detail want hij zit in de tweede alinea al bij de voetnoten. Terecht om even het misverstand weg te nemen dat het woord "communistisch" in Het Kapitaal een rol speelt. Het C- woord wordt zo'n 5 keer genoemd in voetnoten. Ongeveer 5 van de 2200 pagina's gaan over de toekomst van de maatschappij, zo heeft de auteur geteld. Voor het communisme moet je dus bij een eerder manifest van Marx en Engels zijn.
Marx wilde met zijn opus magnum namelijk een uiterst ambitieus project afronden: een complete systeem-analyse van de maatschappij op economisch, sociaal, politiek en historisch niveau. In 6 delen. Dat heeft zijn gezin geweten, en het is uiteindelijk niet gelukt.
Dat analysekader hing dan weer samen met het idee van Marx over het historisch materialisme (ik leerde van Reuten dat de term niet van Marx zelf is). Het idee dat er een economische onderbouw is (base structure) die de basis is voor een sociale structuur (superstructure), de bovenbouw. Bij die lagen horen ook klassen, die het werk doen en die van de rent leven. Ik vermoed dat het lagenmodel in de institutionele economie van Williamson daar een moderne variant van is (maar daar gaat er over verandering en transities van instituties, niet over klassen).
Wat ik ook leerde is dat Das Kapital een Kritik is volgens Duitse traditie. Niet een externe kritiek, maar een doordenken en evalueren van een object op basis van de normen en standaarden van dat object zelf. Van binnen uit dus. Marx drijft de economische theorie van dat moment dus tot zijn uiterste consequentie.
Reuten geeft verder een mooi schema van hoe het boek in elkaar zit. Het wordt er een stuk helderder van. En maakt aan het eind nog een paar boeiende opmerkingen.
De ene is dat het denken van Marx inspiratie zou kunnen zijn voor het nadenken over business cycles. Op dat vlak gebruik ik Carlota Perez' werk veel (uit 2002), we zitten midden in de crisis van de ICT golf. Misschien de citaties toch wat verder terug in de tijd leggen.
Dat brengt me tot de slotzin van het paper: hoewel veel van de theorie rond dergelijke onderwerpen weggedreven is van Marx, wordt Das Kapitaal toch nog vaak aangehaald. Dat is een interessant aspect vanuit wetenschapsfilosofie: sommige bronnen blijven blijkbaar een rijke heuristische bron voor nieuwe ideeen.

Ontleend aan Geert Reuten: Karl Marx: His work and the major changes in its interpretation. In: : Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.

dinsdag 28 augustus 2012

Lijstje: Van Deense Feta en Hollandse Mozzarella

Puffin of Papegaaiduiker
De NRC van 4 augustus documenteerde een opvallende trend in slow food. We hebben in Nederland maar een beperkte aantal (4 kazen en een aardappel) Beschermde Oorsprong Benamingen. De Bob's, beter bekend met hun Brusselse afkorting PDO/PDG.
We zijn gewoon niet trots genoeg op de oesters of het Texels lam of de eerste Texelse bloemkool. En we hebben dat soorten onderscheidingen ook altijd gezien als afleidend van ons succes in grootschalige, ongedifferentieerde ("bulk") productie.
Tal van individuen omarmen nu buitenlandse kwaliteitsproducten en maken die hier, met de gedachte dat voor die versheid of weinig food miles ook een markt is, of gewoon voor de lol. En in een enkel geval omdat men het zelfs beter kan dan gemiddeld in de streek van origine (zoals het brood van Menno 't Hoen). De krant documenteerde er een aantal, ik maar er een lijstje van:
1. Menno 't Hoen: Frans brood (voor toprestaurants)
2. De Pasteibakkerij in Amsterdam met Parijse worst
3. Mieke Bos in Zuidbroek met Franse wijngaardslakken
4. Anna Caviar BV in Eindhoven met Russische kaviaar
5. Fioretti Limoncello  uit Schiedam (internationaal bekroond)
6. Diverse boeren met het Japanse Wagyu vlees
7. Buffelmozzarella uit Grootegast (dat maar een week houdbaar is en dus een transportvoordeel heeft).

maandag 27 augustus 2012

Foute Champginons

 Dat de belangenorganisaties een controlerende functie hebben op de retail (en soms meer dan de wetgever) is duidelijk. Waarbij onze verontwaardiging selectief is (maar dat is hij via de wetgeving ook). Inmiddels is het zo ver dat de producenten van "eerlijke producten" en hun keurmerken openlijk de hulp inroepen van actiegroepen / belangenorganisaties en de retail om de eisen te verhogen.
Een mooi voorbeeld daarvan trof ik bij thuiskomst van vakantie aan in de NRC van 9 augustus die bericht dat een van de grote champignonbedrijven van dit land verdacht wordt van verkeerde arbeidspraktijken. Bart Jan Krouwel, voorzitter van Fair Produce NL, een keurmerk stichting, haalt schattingen aan dat 70% van het volume geoogst wordt via ongepaste arbeidsconstructies.  En vooral grote jongens dus, want het zou om 25% van de bedrijven gaan.
Krouwel: "als supermarkten ook op dit gebied een organisatie als Wakker Dier in hun nek hadden, zouden ze de urgentie wel voelen. Hoewel: het aaibaarheidsgehalte van een plofkip is hoger dan dat van anonieme Polen. Bij uitbuiting van Oost-Europeanen denken de meeste mensen: het zal wel. Of ze weten het eenvoudig weg niet".

Zweedse bessen
Vrijwel tegelijkertijd komt ook the Economist met de aanbeveling om het fair trade logo maar te verbreden van de eerlijke producten uit ontwikkelingslanden naar producten die onder normale productieomstandigheden in Europa, in dit geval in het bijzonder Zweden, zijn geproduceerd. Het is een suggestie van Polarica, een grote Zweedse producent van (ingevroren) blauwe bessen. Het blad vindt het wel ironisch dat juist Zweden, een van de meest werknemersvriendelijke landen ter wereld, in deze situatie is geraakt.
Aanleiding is de bessenoogst. Daarvoor worden o.a. 5700 mensen uit Thailand ingevlogen op een tijdelijk visum. De Zweedse vakbond vindt het "moderne slavernij". Visas worden in principe alleen verleend als een bedrijf voor huisvesting en een minimum loon zorgt. Maar daar wordt omheen gewerkt. Is het niet met Thais, dan met Bulgaren, die geen visum nodig hebben.
Op de achtergrond speelt dat de bessen door iedereen geplukt mogen worden, ook op prive-land. Ze zijn naar oude gewoonte vrij en van iedereen. Public access to a common pool good. Daarmee kun je moeilijk de eigenaren van de bessen aanspreken. Maar de vraag naar bessen is enorm gestegen, niet in de laatste plaats uit het alternatieve circuit vanwege de gezondheid ervan, dus velen willen (laten) plukken.
Dit jaar heeft een magere oogst. Met als gevolg dat sommige Thais niet uit de kosten komen van vliegticket, eten en huisvesting. De Bulgaren zitten in hetzelfde schuitje en de ambassade zet repatriering op.

NRC 9.8.2012: Foute champignons in de supermarkt.
Economist 4.8.2012: Berrypickers Unite - foreign workers in Sweden

zondag 26 augustus 2012

de toekomst van de economische wetenschap

Afgelopen weken was hier aandacht voor de geschiedenis van het economisch denken. Binnenkort hoop ik die serie nog te vervolgen. Maar hier een link (met dank aan de site van Greg Mankiw) naar een Amerikaanse site waarop 8 jonge (dwz jonger dan 40) economen vertellen waar ze denken dat de economische wetenschap heen gaat. Velen zien de groei van de economie (ontwikkelingslanden) en de huidige malaise als centraal, maar ik sympathiseer met de laatste twee in de lijst, die denken dat ICT en big data tot een nieuwe kijk op ons gedrag zal leiden. Want mensen kiezen helemaal niet zelf meer, Amazon.com beveelt ze wat aan. Of toch niet?

zaterdag 25 augustus 2012

duurzame ijslandse vis en het belevingstoerisme

Nog 1 IJslandse ervaring die ik je niet wil onthouden. We waren in Sugandafjordur (voor het gemak: de Suganda-fjord), een vissersplaatsje op de West-fjorden.(de NW punt van IJsland). Een gebied dat vroeger relatief weinig leegloop had vanwege de goede visserij (warm en koud water botsen hier, veel vis dus). Maar inmiddels helemaal is leeggelopen, IJslanders wonen nu in de hoofdstad Reijkjavic - of in Amerika.

Sugandafjordur denkt er wat op gevonden te hebben. De trawlers zijn te duur en te onduurzaam, dus men is overschakeld op duurzamer lijnvissen (er zijn twee vormen, maar het komt neer op een lange lijn met veel haken waaraan een aas wordt vastgemaakt, toen ik een paar jaar geleden met de directeuren visserij-onderzoek op IJsland was, heb ik al eens een ingewikkelderl expose daarover mogen aanhoren). Dat gebeurt veel in IJsland, maar hier gaat men prat op een duurzame en multifunctionele formule.

Om te beginnen heeft men niet alleen de visserij maar ook het dorp en de visverwerking verduurzaamd, zo meldt een groot bord in het dorp. Voor het dorp is dat relatief eenvoudig: vernieuwbare energiebronnen als geo-thermische (warm water) en waterkracht zijn op IJsland vaak niet ver weg.
De visverwerking heeft ook nagedacht over duurzaamheid waarbij de goedkope energie nieuwe mogelijkheden opent: de viskoppen worden nu gedroogd en geexporteerd naar Nigeria, waar ze gekocht worden om in de soep te nuttigen. [het zijn dus niet alleen de mindere delen van kippen die naar West-Afrika gaan]. Datgene wat echt niet eetbaar is, wordt ingevroren en gaat voor visvoer naar Denemarken. Het invriezen gebeurt in de vorm van pallets, zodat er geen pallets nodig zijn en later weer retour moeten (hout blijft schaars op IJsland).

En  het is multifunctioneel: de toerist kan dit alles meebeleven. Je kunt een dagje mee gaan vissen op een professionele boot, je mag je (of andermans) vis helpen verwerken in de visfilleerderij of je kunt een viskookworkshop doen. Wij kozen twee maal voor de beste vorm van participatief onderzoek: visrestaurant Talisman (ook met heel goed lamsvlees): nog nooit zo lekker een perfect klaargemaakte kabeljauw gegeten - vers uit de fjord. Gaat dat zien en vooral proeven.

vrijdag 24 augustus 2012

Gratis: EuroChoices

Hier de link naar een gratis virtuele issue van het blad EuroChoices met zeer leesbare landbouweconomische artikelen, o.a. over bioenergie en dierwelzijn

Duurzaam winkelen op IJsland


Hiernaast een tip om de duurzaamheid in de supermarkt te bevorderen. De Bonus-retail keten (ook verkoper van de Euroshopper-lijn) heeft voor de groenteafdeling en voor de zuivel- en versvlees afdeling aparte ruimtes in de supermarkt, waar het een stuk koeler is. Soms zelfs afgesloten met een automatische deur. Dat komt de kwaliteit van de producten ten goede, zodat er –neem ik aan- minder voedselverliezen zijn.
Aangezien uit de vorig jaar gepubliceerde Voedselbalans van het LEI bleek dat supermarkt-managers bij duurzaamheid o.a. denken aan het verminderen van energieverbruik uit de koeling is dit misschien een ideetje. Bij sommige Bonuswinkels is de groente-afdeling ook de eerste waar je binnenkomt, en dat moet in een groot deel van het jaar dus een aardige sluis zijn tussen de kou buiten en de warmte in de rest van de supermarkt.
Overigens vermoed ik dat het de IJslanders vooral te doen is om de kwaliteit van de producten op peil te houden (en derving te voorkomen). En minder om energiebesparing. Want zoals in dunbevolkt platteland niet ongebruikelijk verkoopt men relatief zeer veel diepvriesproducten, en die vriezers staan dan weer onafgedekt in het warme deel van de supermarkt (wel vaak tegen die koelruimtes aan). Ook in IJsland kan het dus nog duurzamer.

donderdag 23 augustus 2012

IJsland in WO II

Nog meer geschiedenis: wie zich afvraagt waar de oude
veerboten uit de Waddenzee blijven: in IJsland

Ter afwisseling van de geschiedenis van het economisch denken, en andere historie: het valt een beetje buiten de orde van deze weblog, maar wel een aardige quizvraag: wie bezette IJsland in de Tweede Wereldoorlog, en wanneer? Het enigszins verrassende antwoord: de Engelsen, op 10 mei 1940, tegelijk met de inval van Duitsland in de Lage Landen. Denemarken (het IJslandse moederland) en Noorwegen waren toen al in Duitse handen.
In Reydarfjördur, aan de oostkust, nam een Engelse invasiemacht van 2000 man het 300 mensen tellende plaatsje in bezit. Later in de oorlog voegden zich daar nog Amerikanen, Canadezen en Noren bij, en waren er 4000 man gelegerd in Nissenhutten. In heel IJsland 25.000. Dit vanwege de strategische ligging op noordatlantische vaarroutes. [Terzijde, de Nissenhut is ook een WO II geschenk, of eigenlijk een WO I geschenk, want in die tijd ontwikkeld door de Canadese lt.kolonel Peter Nissen voor het Britse leger. In WO II door-ontwikkeld door de Britten tot Romneyloods]
De “bezetting” werd gezien als een zegen. Eindelijk wat te doen met de introductie van 20ste eeuwse nieuwigheden als de bioscoop en fish & chips restaurants. En bovenal veel werkgelegenheid die tot een toestroom van mensen uit andere fjorden leidde. De ellende bleef beperkt tot luchtalarm bij Duitse spionagevluchten, 1 dode Canadees bij een schietongeluk en 8 doden als gevolg van een groep Engelse soldaten die op een mooie januaridag de bergen introk zonder voorbereid te zijn op slecht weer en verdwaalde.
In 1944 werd IJsland weer een onafhankelijke republiek, los van Denemarken c.q. het Deense koningshuis, waarmee het oudste parlement van Europa weer al zijn macht terugkreeg. Ook in IJsland is de oorlog nog niet voorbij. Reydarfjördur heeft nu een WO II museum, en eerder dit jaar werd er nog een film gemaakt over de tragedie met de acht doden.

woensdag 22 augustus 2012

De verenging van de economie

In de 19e eeuw vernauwden de economische wetenschappers hun vak. Hadden ze misschien wel niet moeten doen, sommige van die vernauwingen worden nu weer ter discussie gesteld. How come? 
Allereerst werden er een aantal restanten uit de filosofie (waar de economische wetenschap begon) terzijde geschoven waar het ging om menselijk gedrag zoals sympathie en morele overwegingen. De economische wetenschap werd materialistischer. De klassieken schoven ook het belang van institituties terzijde (dat is in de 20ste eeuw weer gerepareerd).

Dat ging gepaard met veel discussie over de homo economicus. Vooral het abstracte rationele gedrag dat voor alle mensen zou gelden, had niet van iedereen de steun. Er was een forse discussie over de invloed van ras, en het feit of de Ieren (die door de Engelsen werden gezien als drinkebroers, te gezellig  en zelfs werkschuw) wel het gedrag van de homo economicus vertoonden of –bij de juiste instituties- zouden kunnen vertonen. De klassieke economen hadden het morele gelijk aan hun zijde, maar dat maakte dat ze fel waren op de theoretische abstracte beschrijving van gedrag.

Dat brengt ons ook bij een forse correctie rond het etiket ‘dismal science’ die ik leerde uit het paper van Peart en Levy uit het boek dat we hier de afgelopen dagen bespraken. Vrijwel iedereen (ook ik) denkt dat deze kenschets van Carlyle een karakterisering was van c.q. aanval op het idee van Maltus dat de bevolking sneller groeit dan de voedselproductie, zodat de wereld gedoemd was om eindeloos in armoede en honger te leven.
Dat was een goede karakterisering geweest maar in werkelijkheid was het stuk van Carlyle een ridiculisering van de opvattingen van J.S. Mill (en anderen) dat de menselijke natuur niet afhankelijk is van ras. Carlyle was een voorstander van de slavernij en wist die beweging met zijn boek “Het neger vraagstuk” nieuw leven in geblazen. Het idee van de homo economicus die onafhankelijk was van ras, was niet zijn beeld van de empirie. Peart en Levy geven in hun paper het citaat weer waaruit overduidelijk blijkt dat Carlyle economie van vraag en aanbod op die wijze geen vrolijke wetenschap (“gay science”) maar een “dismal science” vond - hij werd er niet vrolijker van dat economie geen onderscheid maakte naar ras.

Zie: Sandra Peart and David Levy: Post-Ricardan Economics 1830 – 1870 in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.

dinsdag 21 augustus 2012

Klassieke economie

Na Mandeville was er nog een tweede econoom van naam in de geschiedenis van de economische wetenschap die iets met Nederland had - of eigenlijk ook niet:: David Ricardo. Die werd namelijk in Londen geboren, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Amsterdam om er te studeren. Dat hield hij maar twee jaar uit. Na Adam Smith werd de dienst in de jonge economische wetenschap uitgemaakt door een groepje Londenaren, en de Fransman J.B. Say (van de gelijknamige wet).
Waar eerder in de 17e eeuw William Petty het cijfermatige in de economie introduceerde, was David Ricardo de man van de modelmatige aanpak. In het paper Classical Economics [in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003] is Denis O’Brien in navolging van anderen niet buitengewoon lovend over Ricardo. Zo voegde hij aan Smith een arbeidstheorie van waarde toe, die vooral problemen veroorzaakte tot ver na zijn tijd.
Ook over zijn rent-theorie, die in de landbouweconomie nog veelvuldig wordt geciteerd (“koren is niet duur vanwege de pachtprijs, maar de pacht is hoog vanwege de korenprijs”) wordt door O’Brien bestempeld als ‘one of the longest-lasting fallacies in the history of economics’. De koren-stelling klopt namelijk wel voor de situatie als er maar een product is, of wanneer je het over agrarisch product in zijn algemeenheid hebt, maar niet voor de kostprijsberekening van een individueel product / gewas: dan is er een opportunity cost die betaald moet worden om te voorkomen dat de grond voor het next-best alternatief wordt gebruikt. Macro en micro lopen hier dus uit elkaar en dat heeft niet iedereen direct door.
Productiekosten waren zo populair bij de klassieken omdat ze anders het risico liepen dat ze prijzen zouden verklaren uit prijzen. Ze wilden de evenwichtsprijzen dus ook anders onderbouwen. Maar J.B. Say en vooral de Ier Longfield zaten al dicht bij het feit dat waarde afhankelijk is van vraag en aanbod en dat de vraag afhankelijk is van het grensnut (marginale nut), en bij Say ook van de inkomensverdeling.
Er is ook nog een rechtzetting in het paper van O’Brien. Zo is Ricardo’s handelstheorie op basis van comparatieve voordelen eigenlijk van Robbert Torrens, die het idee twee jaar eerder publiceerde.
Verder was dit de tijd van J.S. Mill (die ook wel wat in het cooperatie-verschijnsel zag), Malthus en McCulloch (die het belang van uitvindingen onderstreepte, het begrip human capital aandroeg en daarmee het belang van onderwijs). Er was overigens geen sprake van een Laissez-Faire dogmatisme zoals wel wordt gedacht. 

maandag 20 augustus 2012

Adam Smith


In onze serie over de historie van het economisch denken, dan toch ook maar even aandacht voor de officiele start van de economische wetenschap: Adam Smith zijn 1776 klassieker An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, kortweg veelal aangeduid als ee Wealth of Nations.
Een nog steeds leesbaar boek met leuke passages, maar voor hedendaagse economie heb je er weinig meer aan. In de 19e eeuw oordeelde John Stuart Mill al dat de Wealth of Nations “is in many parts obsolete and in all, imperfect”. Weinig van wat er in het boek staat, wordt nu nog als juist gezien.
Maar het boek was een groot succes omdat het alle beschikbare kennis integreerde, verder uitwerkte en het vakgebied op de kaart zette. De brede basisconcepten zetten de agenda voor de klassieke periode (zie de blog van morgen): een individu handelt uit eigenbelang, dat begrensd wordt door een raamwerk van wetten, religie, gebruiken en morele overwegingen en dat tot private en (als onbedoeld gevolg) publieke tevredenheid (satisfaction) leidt. Concurrentie in antwoord op prijsprikkels zorgt voor de optimale aanwending van produktiefactoren als kapitaal dat winstmogelijkheden zoekt; de zoektocht naar meer productie met de beschikbare productiefactoren leidt tot specialisatie en arbeidsdeling, de grootste bron van technische vooruitgang. Vrijhandel stimuleert technische vooruitgang en vergroot de markt, waar de toegenomen productie kan worden afgezet – de mate van arbeidsdeling is afhankelijk van de omvang van de markt.
Schumpeter oordeelde in 1954: “Though the Wealth of Nations contained no really novel ideas. And though it cannot rank with Newton’s Principia or Darwin’s Origin, it is a great performance all the same and fully deserved its success.
Ontleend aan het het paper van A.S. Skinner over Adam Smith in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.

zondag 19 augustus 2012

De 17e eeuw en de economische wetenschap


De revolutie in denken over economie in de 17e en 18e eeuw valt pas goed te begrijpen als je je realiseert dat in de Middeleeuwen er geen vernieuwing op dat vlak was. Het Middeleeuwse ideaal was een statische, hierarchische gemeenschap, met precies gedefinieerde beroepen (gildes!), rechten en plichten. Economische overwegingen waren ondergeschikt aan het in standhouden van de goed orde, gedefinieerd door gebruik en religie. 
Dat beeld werd beetje bij beetje afgebroken en vervangen door het beeld van een natuurlijke ordening van economische relaties die ook zonder social engineering en politieke inmenging tot stand komt. Het waren vooral Fransen en Schotten die daar aan bijdroegen (zoals David Hume, en John Law maar dat was een kleurrijke figuur die met de Mississippi Company alle Franse staatschuld overnam en een speculatie bubbel creeerde).
En een Nederlander: de Rotterdammer Bernard Mandeville (1671-1733) die in Londen werkte. Hij schreef het satirische De fabel van de bijen, waarin hij de spot dreef met puriteins Engeland en tot in het absurde wees op de zegeningen van (ondeugdzame) consumptie. Als luxe, oorlog en diefstal uitgebannen zijn werden een hoop bijen werkeloos. En het verlangen naar luxe geeft een prikkel om te werken.  Mandeville vergat voor het gemak even dat je je geld in een een diefstalloze maatschappij dan wel niet meer aan slotenmakers geeft, maar wel aan andere zaken besteed.
Enfin, de uitdagende fabel had succes en maakte niet alleen het punt dat vraag ertoe doet in een economie maar ook dat er zoiets bestaat als de onbedoelde gevolgen (unintended consequences): individuele motieven en intenties kunnen los staan van de uiteindelijke uitkomst van een proces. De acties van individuen met een eigenbelang kunnen sociaal gewenste uitkomsten hebben. De invisible hand kwam langzaam in beeld.
Mooi dat in Rotterdam nog jaarlijks aan de EUR de Mandeville lezing wordt gehouden.
Ontleend aan: Anthony Brewer: Pre-Classical Economics in Britain. in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.

zaterdag 18 augustus 2012

Fysiocraten

Na het mercantilisme (zie de blog van gisteren) komen de geschiedenisboeken dan aan bij de Franse fysiocraten. Die worden in agrarische kringen nog wel eens aangehaald, want deze school kenmerkt zich door een zeker agrarisch fundamentalisme: de landbouw is de basis van de economie.

Die karakterschets is echter te beperkt. De fysiocraten waren sterke voorstander van internationale vrije handel, en dat kregen ze op een gegeven moment zelfs voor elkaar. Tot de school behoorde o.a. Maarschalk Vauban (die van de vestingwerken, die zich als belanghebbende in 1707 bezighield met belastingheffing) maar het bekendst is de arts Francois Quesnay, die om onopgehelderde reden een carriere-switch maakte van publiceren in de medicijnen naar de economie-avant-la-lettre.
In artikelen met titels als “Boer” (Fermier) en “Granen” (Grains) brak Quesnay de staf over het heersende beleid van de Franse koning. Dat was een systeem van handelspolitiek, met monopolies, staatsbedrijven, handelsvergunningen en dergelijke. Quesnay vond dat Colbert veel te veel had geprobeerd via de staatsondersteuning Amsterdam te imiteren om tot meer welvaart te komen. Maar wat goed was voor een handelsrepubliek met weinig grond was dat niet voor een land als Frankrijk dat een agrarisch koninkrijk was met rijke gronden. Dat had een economische politiek nodig dat een groot agrarisch productievolume genereert, dat tegen een mooie prijs in het buitenland kon worden verkocht.
Met een simulatie over 5 jaren met verschillende oogsten liet hij zien dat bij vrije handel Frankrijk beter af zou zijn, ook al zouden de prijzen wel wat hoger liggen (maar het volk nauwelijks slechter af zou zijn).

Franse boeren waren dus de welvaartscheppende klasse volgens Quesnay en bij betere prijzen zouden ze met betere technieken (“grande culture”!) produceren dan bij lage prijzen die zorgden voor gebrek aan kapitaal en “petite culture” technieken.
Een en ander maakte Quesnay zichtbaar in zijn beroemde Tableau Economique, een voorloper van de input-output tabellen waarin hij liet zien hoe de welvaart uit de handel in landbouwproducten ook naar andere klassen stroomt. De te citeren zin uit het voorwoord van Philosophie Rurale: “Berekeningen behoren de wetenschap van de politieke economie te zijn, vergelijkbaar met wat botten voor het lichaam zijn.” Een arts blijft een arts.

Een nog groter econoom in deze school was overigens Anne-Robert-Jacques Turgot die veel bijdroeg aan het succes van de fysiocraten – waarmee de visies van Montesquieu en Rousseau over eer en deugd vervangen werd door een politieke visie op gedrag dat is gebaseerd op eigenbelang van mensen. Alexis de Tocqueville zou daarover nog eens opmerken dat die de sociale hierarchie zo op zijn kop zet dat de school fors heeft bijgedragen aan de Franse revolutie.
Ontleend aan Philippe Steiner: Physiocracy and French Pre-classical political economy. in: Warren Samuels, Jeff Biddle en John B Davis: The History of Economic Thought, 2003.