Koninginnedag is dit jaar goed voor een vrijmarkt uit de politieke wetenschappen. What has political science ever done for agricultural economics, zo vroeg Wyn Grant van Warwick University zich vorige week op de AES conferentie ter plekke af. Althans dat was de titel van zijn paper.
Op basis van de literatuur over belangengroepen kwam hij tot 10 inzichten die zijn vakgebied heeft bijgedragen, en die ik hier al een lijstje weergeef. De toelichting vind je in zijn paper.
1. Business interests are generally more influential than other interests because of structural and lobbying power, but this does not mean they cannot be defeated.
2. Government shapes interest group activity through its own structure and activities. Having a department within government that is linked to a particular client group can be beneficial to that interest.
3. Government needs interest group activity for legitimation, information and cooperation in policy implementation.
4. An insider group relationship with government brings certain benefits, but also some constraints.
5. The rise of „NGOs‟, particularly those in the environmental sphere, has shaped the terms of the political debate and they have replaced trade unions as the main countervailing power to business.
6. The use of direct action has increased over time and new technologies have facilitated this form of activity.
7. Relatively closed policy communities have diminished in importance over time.
8. The EU is particularly susceptible to interest politics.
9. Pressure groups are not characterized by high levels of internal democracy.
10. The rise of retail governance represents a significant new development in interest politics in that it sees the delegated exercise of substantial influence yet without much interaction between business and government.
weblog over de toekomst van de Nederlandse landbouw en het platteland. Gemotiveerd vanuit het werk als econoom, de nevenfuncties als bestuurder en de woonomgeving van de moderator, maar als persoonlijke stellingname geheel buiten de verantwoordelijkheid van mijn werkgevers - zoals het hoort bij een weblog.
zaterdag 30 april 2011
vrijdag 29 april 2011
biopatenten
In dezelfde sessie (zie de blog van gisteren) op de AES conferentie een paper over de juridisering van het kwekerswerk. Daar spelen patenten een steeds belangrijker rol, in plaats van het op de commons gebaseerde kwekersrecht. Het gaat samen met het overbrengen van eigendom van het publieke naar het private domein en machtvorming bij grote ondernemingen. Waarmee ook kartelrecht belangrijker wordt.
Het paper van Peter Feindt geeft een mooi overzicht. Het haalt de economische theorie aan die stelt dat heldere eigendomsrechten goed is om innovatie te versnellen, maar dat dat hier door het gedrag van de betrokken ondernemingen, met technieken als patent-blocking en anti-commons gedrag nog maar zeer de vraag is of dat empirisch ook zo uitpakt. Hoge transactiekosten van procedures helpen ook al niet. En het leidt tot standaardisatie van producten en machtsconcentratie. De auteur roept op tot een publiek debat dat vermoedelijk zou leiden tot het corrigeren van een aantal uitwassen in de patent-wetgeving.
Het paper van Peter Feindt geeft een mooi overzicht. Het haalt de economische theorie aan die stelt dat heldere eigendomsrechten goed is om innovatie te versnellen, maar dat dat hier door het gedrag van de betrokken ondernemingen, met technieken als patent-blocking en anti-commons gedrag nog maar zeer de vraag is of dat empirisch ook zo uitpakt. Hoge transactiekosten van procedures helpen ook al niet. En het leidt tot standaardisatie van producten en machtsconcentratie. De auteur roept op tot een publiek debat dat vermoedelijk zou leiden tot het corrigeren van een aantal uitwassen in de patent-wetgeving.
donderdag 28 april 2011
Vlinders en Frankenstein
Je hebt nog wat aantekeningen van de conferentie van de Agricultural Economic Society van vorige week tegoed. De Britten waren met postzegels en andere zaken de eerste, dus vermelden niet de landsnaam in de titel van hun beroepsvereniging. Maar daar gaat het nu niet om.
De conferentie werd gehouden samen met onderzoekers in de political studies, en dus was een sessie over politcal economy een must. Een interessant paper kwam uit Belgie, van Jo Swinnen en Thijs Vandermoortele: On butterflies and Frankenstein - a dynamic theory of technological regulation. Een titel die je maar moeilijk meer in een tijdschrift krijgt omdat de zoekmachines het verkeerd interpreteren (weer een studie over vlinders) en dat levert geen hits op. Maar wel een leuke titel - en vooral een boeiende inhoud.
Onze Vlaamse vrienden maakten een wiskundig model voor twee landen die ieder moeten besluiten om een kostprijsverlagende productiemethodiek in te voeren (of te verbieden), en die sommige consumenten mogelijk niet aanstaat. Bijvoorbeeld biotechnologie (of megastallen of kinderarbeid of you name it). We nemen ook aan dat veranderen van de ene technologie naar de andere met eenmalige kosten (switching costs) gepaard gaat.
Zo'n model zit zo in elkaar (of is zo gedefinieerd), dat een klein verschil in voorkeur bij consumenten/burgers zal leiden tot invoeren of verbieden van de techniek. Al was het maar volledig democratisch: 49,5% tegen de techniek, dan wordt hij ingevoerd, 50.1% tegen, dan gaat het feest niet door. Op basis van de uitgangssituatie kiezen beide landen een techniek en als de consumenten voorkeuren gelijk zijn in beide landen dan kiezen ze hetzelfde regime, en blijven daar ook in periode 2 bij.
Maar stel nu dat in de eerste periode in land A (bv. de VS) de consumenten (net) welwillend staan tegenover de nieuwe techniek (bv. gmo) en in land B (bv. de EU) net niet (bv. omdat daar net een dioxine of bse crisis was). Dan kiezen A en B een verschillend regime.
Stel nu dat in land B de consumenten weerstand wegebt in periode 2, omdat men tot nieuwe inzichten komt, de ervaringen in land A positief blijken te zijn, men de internationale concurrentie verliest of om wat voor reden dan ook. Dan zou je verwachten dat land B ook overgaat naar de techniek die land A natuurlijk ook in periode 2 zal kiezen.
De auteurs laten zien dat dit in hun theoretische model helemaal niet het geval hoeft te zijn. Als land B gaat switchen naar de goedkopere techniek, dan krijgen de producenten namelijk te maken met switching costs, omdat ze intussen internationaal minder concurrerend zijn. Ze zullen dus lobbyen voor het behoud van de marktbescherming die inmiddels is ontstaan door het verbieden van de techniek. Als hun poltieke lobby maar sterk genoeg is, zal dus de kostprijsverlagende techniek niet meer worden ingevoerd, ook al zouden consumenten daar inmiddels voor zijn.
Charmante redenering en een mooi model. Nog niet empirisch getoetst maar de feiten rond GMO lijken er zo in te passen - verleidelijk om te denken dat het in werkelijkheid zo zit. En dat dus grotere (melk)veehouders er goed aan doen geen butterfly tegen megastallen te laten ontstaan. Hier is de link naar het paper.
De conferentie werd gehouden samen met onderzoekers in de political studies, en dus was een sessie over politcal economy een must. Een interessant paper kwam uit Belgie, van Jo Swinnen en Thijs Vandermoortele: On butterflies and Frankenstein - a dynamic theory of technological regulation. Een titel die je maar moeilijk meer in een tijdschrift krijgt omdat de zoekmachines het verkeerd interpreteren (weer een studie over vlinders) en dat levert geen hits op. Maar wel een leuke titel - en vooral een boeiende inhoud.
Onze Vlaamse vrienden maakten een wiskundig model voor twee landen die ieder moeten besluiten om een kostprijsverlagende productiemethodiek in te voeren (of te verbieden), en die sommige consumenten mogelijk niet aanstaat. Bijvoorbeeld biotechnologie (of megastallen of kinderarbeid of you name it). We nemen ook aan dat veranderen van de ene technologie naar de andere met eenmalige kosten (switching costs) gepaard gaat.
Zo'n model zit zo in elkaar (of is zo gedefinieerd), dat een klein verschil in voorkeur bij consumenten/burgers zal leiden tot invoeren of verbieden van de techniek. Al was het maar volledig democratisch: 49,5% tegen de techniek, dan wordt hij ingevoerd, 50.1% tegen, dan gaat het feest niet door. Op basis van de uitgangssituatie kiezen beide landen een techniek en als de consumenten voorkeuren gelijk zijn in beide landen dan kiezen ze hetzelfde regime, en blijven daar ook in periode 2 bij.
Maar stel nu dat in de eerste periode in land A (bv. de VS) de consumenten (net) welwillend staan tegenover de nieuwe techniek (bv. gmo) en in land B (bv. de EU) net niet (bv. omdat daar net een dioxine of bse crisis was). Dan kiezen A en B een verschillend regime.
Stel nu dat in land B de consumenten weerstand wegebt in periode 2, omdat men tot nieuwe inzichten komt, de ervaringen in land A positief blijken te zijn, men de internationale concurrentie verliest of om wat voor reden dan ook. Dan zou je verwachten dat land B ook overgaat naar de techniek die land A natuurlijk ook in periode 2 zal kiezen.
De auteurs laten zien dat dit in hun theoretische model helemaal niet het geval hoeft te zijn. Als land B gaat switchen naar de goedkopere techniek, dan krijgen de producenten namelijk te maken met switching costs, omdat ze intussen internationaal minder concurrerend zijn. Ze zullen dus lobbyen voor het behoud van de marktbescherming die inmiddels is ontstaan door het verbieden van de techniek. Als hun poltieke lobby maar sterk genoeg is, zal dus de kostprijsverlagende techniek niet meer worden ingevoerd, ook al zouden consumenten daar inmiddels voor zijn.
Charmante redenering en een mooi model. Nog niet empirisch getoetst maar de feiten rond GMO lijken er zo in te passen - verleidelijk om te denken dat het in werkelijkheid zo zit. En dat dus grotere (melk)veehouders er goed aan doen geen butterfly tegen megastallen te laten ontstaan. Hier is de link naar het paper.
woensdag 27 april 2011
column over varkens
dinsdag 26 april 2011
U turn in projecten
| De paardenbloemen zijn dit jaar twee weken te vroeg |
En naar mate je dichter bij het eind komt is elke bijdrage een steeds groter deel van het stukje dat je noch moet. Het is dus wel essentieel om ergens halverwege de omslag te maken en niet meer terug te denken aan waar je vandaan komt, maar waar je naar toe gaat.
De NRC berichtte 15 april op basis van een paper in Psychology Science van 7 april dat nu ook empirisch is vastgesteld dat het zo is, dankzij proefjes op alweer Amerikaanse studenten. De wet bleek ook op te gaan voor collectes, zo meldt de krant: aan het begin kun je het best meedelen hoeveel er al gegeven is, tegen het eind hoeveel we nog moeten.
Lezers van de Nederlandse psycholoog Douwe Draaisma kenden het effect al: het verklaart waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt: de tijd wordt een relatief groter deel van de nog resterende. Het deed me ook denken aan het proefschrift uit de jaren tachtig van mijn LEI collega George Beers. Op basis van IT projecten stelde hij vast dat er in het begin van een project veel resources werden besteed voor relatief weinig resultaat (veel zoekgedrag), maar dat er een omslagpunt is waarna het kwartje gevallen is: er is dan nog heel veel werk (en weinig resources), maar het iedereen erg duidelijk is wat er nog moet gebeuren.
Ik heb er van geleerd dat je in het begin als projectleider dus vooral moet sturen op de efficiency van het zoekproces en aan het eind de efficiency er wel is, maar je je zorgen moet maken over de creativiteit in het presenteren van de eindresultaten (niet alleen de voor de hand liggende conclusies, what next, hoe te presenteren zodat het blijft hangen).
Met deze tips moeten er toch weer een hoop projecten af kunnen komen, zo voor de zomer.
zaterdag 23 april 2011
vrijdag 22 april 2011
Schaarste in India en dollars in China
Vermoedelijk rot meer dan een kwart van de groente en fruit weg voordat het van de boer bij de consument is. Althans in India. In het westen ligt dat op minder dan 10% (maar daar gooien consumenten veel weg of is er afval bij maken van voorgesneden salades).
De oplossing is investeren in koel-ketens (chill chains). Dat vraagt grote investeringen. Juist daarom zou het goed zijn als in India ook westerse supermarkten toegelaten worden. Maar dat houden de gezinsbedrijfjes en straathandelaren tegen. Ofwel de political economy van de voedselverspilling en grondstoffenschaarste.
The Economist had er vorige week een mooie rapportage over: retailing in India -send for the supermarketers, 16.4.2011
Ze rekenden in een ander artikeltje ook nog even uit wat je voor 3 triljoen dollar kunt kopen, de reserves van de Chinese centrale bank. Bijvoorbeeld alle Amerikaanse landbouwgrond en gebouwen., die staan voor nog geen 2/3e van dat bedrag (1.87 triljoen) in de boeken. Schaarsteprobleem voor China ook opgelost. (Overigens ging het blad er gemakshalve aan voorbij dat ze van heel veel eigenaren zijn en je ze niet in 1 deal kunt kopen, met als gevolg dat je je eigen markt verpest doordat je de prijs opdrijft).
De oplossing is investeren in koel-ketens (chill chains). Dat vraagt grote investeringen. Juist daarom zou het goed zijn als in India ook westerse supermarkten toegelaten worden. Maar dat houden de gezinsbedrijfjes en straathandelaren tegen. Ofwel de political economy van de voedselverspilling en grondstoffenschaarste.
The Economist had er vorige week een mooie rapportage over: retailing in India -send for the supermarketers, 16.4.2011
Ze rekenden in een ander artikeltje ook nog even uit wat je voor 3 triljoen dollar kunt kopen, de reserves van de Chinese centrale bank. Bijvoorbeeld alle Amerikaanse landbouwgrond en gebouwen., die staan voor nog geen 2/3e van dat bedrag (1.87 triljoen) in de boeken. Schaarsteprobleem voor China ook opgelost. (Overigens ging het blad er gemakshalve aan voorbij dat ze van heel veel eigenaren zijn en je ze niet in 1 deal kunt kopen, met als gevolg dat je je eigen markt verpest doordat je de prijs opdrijft).
donderdag 21 april 2011
helemaal top
De topsectoren van dit land hebben een gezamenlijke website geopend. Hier de link, aan de inhoud wordt zo te zien gewerkt.
woensdag 20 april 2011
over de bollen
Ik vloog vanochtend terug van Birmingham naar Schiphol. Over de zonovergoten bollenvelden, die er in volle bloei bijliggen. Een bloem-styliste noemde dat zaterdag in de NRC terecht nog een bollenfabriek, maar wel mooi. Voor wie met de Paasdagen nog een uitje zoekt: naar de bollen.
Luistertip bij dit bericht: Louis Davids.
Luistertip bij dit bericht: Louis Davids.
dinsdag 19 april 2011
10 jaar EuroChoices
Het blad EuroChoices bestaat 10 jaar. Reden voor een workshop op het AES congres op de universiteit van Warwick. Als voorzitter van de stuurgroep blik ik er vandaag terug.
Maak nu gratis kennis met het blad dat wetenschap en beleid aan elkaar probeert te koppelen: economie zonder formules maar met fotos. Hier de gratis virtuele feesteditie. Geniet ervan (en laat weten wat je er van weet).
Maak nu gratis kennis met het blad dat wetenschap en beleid aan elkaar probeert te koppelen: economie zonder formules maar met fotos. Hier de gratis virtuele feesteditie. Geniet ervan (en laat weten wat je er van weet).
maandag 18 april 2011
Rotterdam: aaibaar en eetbaar
Reclame voor de buurgemeente: op zaterdag 14 mei organiseert Eetbaar Rotterdam het eerste Urban Farming Film Festival.
Festivals rond eet films zijn aan de orde van de dag, maar een festival rond voedselproductie in en bij de stad ontbrak nog. Eetbaar Rotterdam, de vereniging die zich inzet voor de bevordering van professionele stadslandbouw in Rotterdam, heeft in samenwerking met Lantaren Venster twee films uitgekozen die het onderwerp stadslandbouw belichten. Aansluitend zal aan de hand van een aantal aansprekende kortere film en animatie fragmenten in twee blokken dieper in gegaan worden op enerzijds de productie zelf en anderzijds de beleidsmatige en stedenbouwkundige aspecten van voedsel telen in de stad.
Zie verder de website
Festivals rond eet films zijn aan de orde van de dag, maar een festival rond voedselproductie in en bij de stad ontbrak nog. Eetbaar Rotterdam, de vereniging die zich inzet voor de bevordering van professionele stadslandbouw in Rotterdam, heeft in samenwerking met Lantaren Venster twee films uitgekozen die het onderwerp stadslandbouw belichten. Aansluitend zal aan de hand van een aantal aansprekende kortere film en animatie fragmenten in twee blokken dieper in gegaan worden op enerzijds de productie zelf en anderzijds de beleidsmatige en stedenbouwkundige aspecten van voedsel telen in de stad.
Zie verder de website
zondag 17 april 2011
De koe van Hein
Er zijn sterke aanwijzingen dat de beste koe van Hein uit Heerde komt. Vorige week gaf ik hier een crowd sourcing vraag: wie kent het boerenliedje "De beste koe van Hein" en de auteur Jan van Riemsdijk.
Een anonieme reactie volgde, met daarin een link naar de website van de historische vereniging van Heerde, een mij bekend Veluws dorp. Van Riemsdijk blijkt een zoon van een Rotterdamse tabakshandelaar die in 1889 op twintig jarige leeftijd na een studie in Wageningen (!) verhuist naar Heerde om er zuivelfabrikant en boer te worden.
Hij bekeerde zich tot Gelderlander, zo krijg je de indruk. Hij ontwikkelde een soort kunstdialect van de Veluwe, trad op in Veluwse klediij en schreef het Heerder en Gelderse volkslied. Daarmee wist hij blijkbaar als allochtoon de gevoelens van de lokale bevolking te vertolken want de gemeenteraadsleden van Heerde citeren nog met enige regelmaat uit het lied, zo schrijft de website.
Vanaf 1914 was hij een van de eersten die populair werden in Nederland met dialect-zang. We hebben hier dus een voorloper van Normaal. Het bracht hem bij Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik, in Nederlands Indie en in Amerika. En na de oorlog deed hij mee aan het immens populaire radioprogramma De bonte dinsdagavondtrein, waarmee hij een voorloper was van de Boerjes van Buuten die later (in een rol van Kees -raden maar- Schilperoort) een TV act werden. Dat maakte van Riemsdijk niet meer mee, hij overleed in 1954 in zijn geliefde Heerde.
De website geeft een aantal van zijn meest populaire liederen maar de Beste koe van Hein is daar niet bij. De vraag naar die tekst staat dus nog open. Moet met deze sterke aanwijzingen niet moeilijk zijn...... (en P.S. moet Wageningen niet een collegezaaltje vernoemen naar deze beroemde maar bijna vergeten afgestudeerde, of misschien kan het huisorkest wat van zijn werk op het repertoir zetten?)
Een anonieme reactie volgde, met daarin een link naar de website van de historische vereniging van Heerde, een mij bekend Veluws dorp. Van Riemsdijk blijkt een zoon van een Rotterdamse tabakshandelaar die in 1889 op twintig jarige leeftijd na een studie in Wageningen (!) verhuist naar Heerde om er zuivelfabrikant en boer te worden.
Hij bekeerde zich tot Gelderlander, zo krijg je de indruk. Hij ontwikkelde een soort kunstdialect van de Veluwe, trad op in Veluwse klediij en schreef het Heerder en Gelderse volkslied. Daarmee wist hij blijkbaar als allochtoon de gevoelens van de lokale bevolking te vertolken want de gemeenteraadsleden van Heerde citeren nog met enige regelmaat uit het lied, zo schrijft de website.
Vanaf 1914 was hij een van de eersten die populair werden in Nederland met dialect-zang. We hebben hier dus een voorloper van Normaal. Het bracht hem bij Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik, in Nederlands Indie en in Amerika. En na de oorlog deed hij mee aan het immens populaire radioprogramma De bonte dinsdagavondtrein, waarmee hij een voorloper was van de Boerjes van Buuten die later (in een rol van Kees -raden maar- Schilperoort) een TV act werden. Dat maakte van Riemsdijk niet meer mee, hij overleed in 1954 in zijn geliefde Heerde.
De website geeft een aantal van zijn meest populaire liederen maar de Beste koe van Hein is daar niet bij. De vraag naar die tekst staat dus nog open. Moet met deze sterke aanwijzingen niet moeilijk zijn...... (en P.S. moet Wageningen niet een collegezaaltje vernoemen naar deze beroemde maar bijna vergeten afgestudeerde, of misschien kan het huisorkest wat van zijn werk op het repertoir zetten?)
zaterdag 16 april 2011
Regionale strijd om de melk
Tot slot van mijn reeksje samenvattingen uit de ERAE: de strijd om de melk. Voedselproductie heeft veelal grond nodig en dus kun je op een locatie niet onbeperkt uitbreiden; bovendien is de waarde per kg vaak laag dus kun je ook niet onbeperkt transporteren. Dat kan dus tot lokale monopolies van voedingsmiddelenindustrien leiden - met cooperaties als middel om die monopolies te doorbreken. In die zin zijn cooperaties dus geen kartels, maar anti-kartels.
Cooperaties maar ook particuliere bedrijven passen tot op zekere hoogte vaak uniforme prijzen toe: of je nu ver weg of dichtbij de suiker- of melkfabriek zit, je krijgt dezelfde prijs; de fabriek betaalt het vervoer. Hoewel de transportkosten verschillen en het beter zou zijn als de boeren vooral rond de fabriek zaten - maar die prikkel wordt niet uitgedeeld. (Een voorbeeld waar dat wel gebeurd is: in Duitsland is uniforme beprijzing van suikerbieten gestreept en de teelt uit het verre oosten van Duitsland verdwenen, want de fabrieken stonden in het midden van het land - in het westen van het oosten als je begrijpt wat ik bedoel).
Dit betekent dus dat uniforme afleveringsprijzen (Uniform Delivered Prices -UDP in het jargon) een maatstaf zijn voor marktmacht: hoe meer je je dit kunt veroorloven, hoe zwakker de concurrentie. Anderzijds kan het ook concurrentie aanwakkeren omdat daardoor werkgebieden van bedrijven makkelijker over elkaar heen kunnen vallen. Op die manier zorgen telersverenigingen of marketing cooperaties die als 1 blok hun product aanbieden voor sterkere concurrentie tussen de verwerkende bedrijven (food processors) over het hele gebied.
Een groep Duitse onderzoekers bekeek de Duitse melkmarkt op deze aspecten. In lijn met eerdere papers en het Duitse Kartellamt vinden zijn dat food processors erg op elkaar letten en zo regionale prijzen als benchmark nemen - ze noemen het nog net geen samenspanning (collusion). Dit gaat samen met lage prijstransmissie (veel van de toegevoegde waarde blijft verderop in de keten hangen en komt niet bij de boer).
Ze speculeren ook dat het verdwijnen van de melkquota leidt tot hogere aanbodselasticiteit (het aanbod wordt prijsgevoeliger) en dat dit ten goede komt aan de prijstransmissie: een groter deel van de toegevoegde waarde gaat richting de boer. Marketing cooperaties kunnen bijdragen aan overlappende werkgebieden en bijdragen aan prijsconcurrentie en zo ook tot minder-samenwerkingsgeorienteerde prijszetting (in het jargon: Hotelling Smithy),
M. Grauber, I. Koller, K. Salhofer and A. Balmann: Cooperative versus non-cooperative spatial competition for milk. ERAE 2011-1
Cooperaties maar ook particuliere bedrijven passen tot op zekere hoogte vaak uniforme prijzen toe: of je nu ver weg of dichtbij de suiker- of melkfabriek zit, je krijgt dezelfde prijs; de fabriek betaalt het vervoer. Hoewel de transportkosten verschillen en het beter zou zijn als de boeren vooral rond de fabriek zaten - maar die prikkel wordt niet uitgedeeld. (Een voorbeeld waar dat wel gebeurd is: in Duitsland is uniforme beprijzing van suikerbieten gestreept en de teelt uit het verre oosten van Duitsland verdwenen, want de fabrieken stonden in het midden van het land - in het westen van het oosten als je begrijpt wat ik bedoel).
Dit betekent dus dat uniforme afleveringsprijzen (Uniform Delivered Prices -UDP in het jargon) een maatstaf zijn voor marktmacht: hoe meer je je dit kunt veroorloven, hoe zwakker de concurrentie. Anderzijds kan het ook concurrentie aanwakkeren omdat daardoor werkgebieden van bedrijven makkelijker over elkaar heen kunnen vallen. Op die manier zorgen telersverenigingen of marketing cooperaties die als 1 blok hun product aanbieden voor sterkere concurrentie tussen de verwerkende bedrijven (food processors) over het hele gebied.
Een groep Duitse onderzoekers bekeek de Duitse melkmarkt op deze aspecten. In lijn met eerdere papers en het Duitse Kartellamt vinden zijn dat food processors erg op elkaar letten en zo regionale prijzen als benchmark nemen - ze noemen het nog net geen samenspanning (collusion). Dit gaat samen met lage prijstransmissie (veel van de toegevoegde waarde blijft verderop in de keten hangen en komt niet bij de boer).
Ze speculeren ook dat het verdwijnen van de melkquota leidt tot hogere aanbodselasticiteit (het aanbod wordt prijsgevoeliger) en dat dit ten goede komt aan de prijstransmissie: een groter deel van de toegevoegde waarde gaat richting de boer. Marketing cooperaties kunnen bijdragen aan overlappende werkgebieden en bijdragen aan prijsconcurrentie en zo ook tot minder-samenwerkingsgeorienteerde prijszetting (in het jargon: Hotelling Smithy),
M. Grauber, I. Koller, K. Salhofer and A. Balmann: Cooperative versus non-cooperative spatial competition for milk. ERAE 2011-1
vrijdag 15 april 2011
De moraal van het tulpen plukken
Economie kan niet zonder moraal, de grondlegger van het vak was niet bij toeval een moraal-filosoof. Ook al wordt wel eens anders gedacht. Sommige ondernemers schatten in dat hun klanten zo'n hoge moraal hebben, en niet alleen aan zichzelf denken, dat ze het bepalen van de prijs overlaten aan de klant. U geeft maar wat het u waard is.
Dat is tot daar aan toe als je de klant ook nog ziet, maar boeren en tuinders willen nog wel eens een stapje verder gaan: hier is een prijsindicatie, doe wat het u waard is maar in het busje. Dat bespaart de kosten van bediening van een kassa, maar als te weinig mensen zouden betalen, of teveel mensen te weinig, dan verdwijnt de markt. Zelfbedieningsrestaurants in kantoren schijnen er van terug te komen en gaan de kassa's weer bemensen.
Een extreme vorm van wat economen een 'honour market' noemen is te vinden in het Zwarte Woud, waar vader en zoon Baer in de buurt van Freiburg een 'pluk je eigen bloemen' boederij runnen. Het is een succesvolle onderneming, met 24 veldjes die een investering vragen van 4.000 tot 16.000 euro per ha, dus je hoopt wel dat de klant ook geld in het busje doet. Sommige van die veldjes zijn meer dan 10 km van de boerderij vandaan (en de heren halen de busjes leeg met een oude auto, want uit interviews blijkt dat sommigen hun donatie laten afhangen van het niet al te rijke image van de boer). De heren leveren ook nog zaden en advies aan 600 collegaboeren in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Sommigen hebben wel 100 veldjes. Het extreme van deze situatie zit er in dat de ondernemer hier de klanten niet kent, en niet kunnen bepalen wie wat betaalt. Daar gaat dus geen morele druk vanuit. Het is een koud kunstje voor de klant om na de pluk zo weg te lopen.
De verklaring dat men dat niet doet zit in wat Elinor Ostrom de interne en externe delta (of norm) noemt: Uit o.a. de neurobiologie weten we dat vals spelen als een kostenpost wordt ervaren (je voelt je slecht) en het voldoen aan een (geleerde) norm je een goed gevoel geeft - de delta. Interne delta's zijn geinternaliseerde externe deltas, geleerd in je jeugd. Als die morele kosten (of baten) maar hoog genoeg zijn, dan wordt er betaald.
Enfin Duitse onderzoekers gingen op onderzoek uit. Ze verborgen zich in een schuurtje met eenzijdig glas en als een bezoeker voor de tulpenpluk betaald had, kwamen ze te voorschijn om vragen te stellen (en de bloemen te tellen). Bij het lezen van het onderzoeksverslag moest ik even aan Tatort denken. De meeste bezoekers betalen de aangegeven, gesuggereerde prijs. Anderen laten het afhangen van tal van factoren: de kwaliteit der bloemen (dat was ook de ervaring van de boer), de prijs in de markt, hun eigen transportkosten, of de geschatte kostprijs (sommigen claimden daar verstand van te hebben).
De onderzoekers deden ook een kwantitatieve analyse. Een paar bezoekers snaaiden 28 bloemen en betaalden maar 5% van de gesuggereerde prijs. Maar als je die elimineert, is er weinig verband tussen de moraal van de juiste prijs en de omvang van het boeket. Aanwezigheid van anderen (die men wel of niet kende) had ook weinig invloed. Mensen uit de buurt betaalden wel beter, net als hoger opgeleiden (met een hoog inkomen is een hoge moraal geen kunst??). Regelmatige klanten betaalden niet beter of slechter dan incidentele bezoekers.
Enfin, uiteindelijk concluderen de onderzoekers dat ze de klanten op zijn best nog maar matig begrijpen. En gezien het belang van moraal (het is bekend dat het dreigen met wettelijke regels soms tot verslechtering leidt) is meer onderzoek op zijn plaats.
Leuker dan dit kunnen we onderzoek niet maken: wie heeft er nog een tulpenveld voor zelfpluk, een oude bollenschuur en een onderzoeksbudgetje voor wat studenten en een econometrist?
Achim Schluter and Bjoern Vollan: Morals as an incentive? - a field study on honour based flower picking in ERAE: 2011-1
Dat is tot daar aan toe als je de klant ook nog ziet, maar boeren en tuinders willen nog wel eens een stapje verder gaan: hier is een prijsindicatie, doe wat het u waard is maar in het busje. Dat bespaart de kosten van bediening van een kassa, maar als te weinig mensen zouden betalen, of teveel mensen te weinig, dan verdwijnt de markt. Zelfbedieningsrestaurants in kantoren schijnen er van terug te komen en gaan de kassa's weer bemensen.
Een extreme vorm van wat economen een 'honour market' noemen is te vinden in het Zwarte Woud, waar vader en zoon Baer in de buurt van Freiburg een 'pluk je eigen bloemen' boederij runnen. Het is een succesvolle onderneming, met 24 veldjes die een investering vragen van 4.000 tot 16.000 euro per ha, dus je hoopt wel dat de klant ook geld in het busje doet. Sommige van die veldjes zijn meer dan 10 km van de boerderij vandaan (en de heren halen de busjes leeg met een oude auto, want uit interviews blijkt dat sommigen hun donatie laten afhangen van het niet al te rijke image van de boer). De heren leveren ook nog zaden en advies aan 600 collegaboeren in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Sommigen hebben wel 100 veldjes. Het extreme van deze situatie zit er in dat de ondernemer hier de klanten niet kent, en niet kunnen bepalen wie wat betaalt. Daar gaat dus geen morele druk vanuit. Het is een koud kunstje voor de klant om na de pluk zo weg te lopen.
De verklaring dat men dat niet doet zit in wat Elinor Ostrom de interne en externe delta (of norm) noemt: Uit o.a. de neurobiologie weten we dat vals spelen als een kostenpost wordt ervaren (je voelt je slecht) en het voldoen aan een (geleerde) norm je een goed gevoel geeft - de delta. Interne delta's zijn geinternaliseerde externe deltas, geleerd in je jeugd. Als die morele kosten (of baten) maar hoog genoeg zijn, dan wordt er betaald.
Enfin Duitse onderzoekers gingen op onderzoek uit. Ze verborgen zich in een schuurtje met eenzijdig glas en als een bezoeker voor de tulpenpluk betaald had, kwamen ze te voorschijn om vragen te stellen (en de bloemen te tellen). Bij het lezen van het onderzoeksverslag moest ik even aan Tatort denken. De meeste bezoekers betalen de aangegeven, gesuggereerde prijs. Anderen laten het afhangen van tal van factoren: de kwaliteit der bloemen (dat was ook de ervaring van de boer), de prijs in de markt, hun eigen transportkosten, of de geschatte kostprijs (sommigen claimden daar verstand van te hebben).
De onderzoekers deden ook een kwantitatieve analyse. Een paar bezoekers snaaiden 28 bloemen en betaalden maar 5% van de gesuggereerde prijs. Maar als je die elimineert, is er weinig verband tussen de moraal van de juiste prijs en de omvang van het boeket. Aanwezigheid van anderen (die men wel of niet kende) had ook weinig invloed. Mensen uit de buurt betaalden wel beter, net als hoger opgeleiden (met een hoog inkomen is een hoge moraal geen kunst??). Regelmatige klanten betaalden niet beter of slechter dan incidentele bezoekers.
Enfin, uiteindelijk concluderen de onderzoekers dat ze de klanten op zijn best nog maar matig begrijpen. En gezien het belang van moraal (het is bekend dat het dreigen met wettelijke regels soms tot verslechtering leidt) is meer onderzoek op zijn plaats.
Leuker dan dit kunnen we onderzoek niet maken: wie heeft er nog een tulpenveld voor zelfpluk, een oude bollenschuur en een onderzoeksbudgetje voor wat studenten en een econometrist?
Achim Schluter and Bjoern Vollan: Morals as an incentive? - a field study on honour based flower picking in ERAE: 2011-1
donderdag 14 april 2011
Kleine boeren vs. multinationals
| foto niet uit Senegal maar Namibie |
Zoals een paper van enkele gerenomeerde onderzoekers uit Leuven, die naar Senegal togen om te kijken wat de effecten van de globalisering zijn voor de arme Afrikaan. Stukken beter dan velen denken.
Senegal werd gekozen als een worst case: een zeer arm land met slecht werkende markten en institutionele problemen; het exporteert verse groenten en fruit, waar steeds meer westerse retail standaarden worden opgelegd; de exporterende tomatenproductie in Senegal is in handen van 1 multinational, die zelf de grond exploiteert en geen kleine boeren in de productie betrekt; natuurlijk is de multinational westers en beheerst hij de hele keten.
Kortom alle reden om te veronderstellen dat alle baten van globalisering (handel en directe investeringen) eerder naar het westen dan naar Senegal vloeien. Sterker: dat Senegalezen hier helemaal niet van profiteren. Er zijn ook heel wat studies (ook van de betrokken auteurs zelf) die concluderen dat kleine boeren in zo'n situatie gemarginaliseerd worden.
Maar die studies kijken vaak naar die groep boeren, en niet naar armoede bestrijding. En in de case van de Senegaleze tomaten blijkt nu net dat de arme, landloze arbeidersklasse, belangrijk profiteert doordat de exportvelden werk en inkomen bieden. Uit oogpunt van armoedebestrijding is er een gunstige situatie.
Met andere woorden het is lang niet altijd nodig dat kleine boeren ook in een keten geintegreerd moeten worden vanwege armoedebestrijding, zeker niet als er een landloze klasse is (of boeren tijd over hebben). Door de schaal en het voldoen aan westerse productiestandaarden, kan er blijkbaar een fors bedrag aan westerse consumentengelden naar Senegal vloeien.
Natuurlijk, het is maar 1 case, en fair trade schema's worden er niet meteen mee overbodig, maar
"conventional wisdoms' moeten af en toe kritisch tegen het licht worden gehouden. Gemakkelijke waarheden worden soms ongemakkelijk.
Miet Martens, Liesbeth Colen en Johan F.M. Swinnen: Globalisation and poverty in Senegal - a worst case scenario? in: ERAE 2011-1
Abonneren op:
Posts (Atom)


