vrijdag 20 oktober 2006

Bomen over innovatie

Gisteravond dineerden we in een futuristisch gebouw midden op een boomkwekerij over open innovatie. Een initiatief van Transforum. Goed eten, leuke mensen, interessant onderwerp.
Open innovatie gaat over het samen met anderen innoveren, en dus niet alleen afgeschermd in eigen huis. Need for speed is een van de redenen om dit te doen, zo benadrukte AWT, het adviescollege voor wetenschap en technologie dat er gisteren ook een rapport aan de regering over uitbracht. Hot topic dus.
Achteraf gezien vond ik dat er aan ons diner-pensant wat weinig onderscheid werd gemaakt tussen de primaire sector en de food (en flower) industrie en dat er veel onuitgesproken meningen waren over de impliciet gewenste richting van de innovatie.
De primaire sector is ook innovatief, maar niet alle 60.000 boeren en tuinders kunnen met nieuwe soorten melk of andere melkrobots komen. Grootste, traditionele knelpunt is nu eenmaal schaalgrootte: bedrijven zijn te klein om te overleven. Ook een differentiatiestrategie kan bij boeren werken, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat we op korte termijn 10.000 melkveehouders aan een toekomst helpen via de verslaafden-, gehandicapten- en toeristenzorg. Zo ziek is dit land hopelijk ook weer niet. Maar lokaal kan ook hier open innovatie natuurlijk helpen.
Veel belangrijker voor de economie (en de toekomst van de primaire sector) is echter de innovatie bij de voedingsmiddelenindustrie. Daar zou open innovatie kunnen helpen als de zuivelondernemingen en slachterijen (vleesverwerkers schijn je nu te moeten zeggen) samen op weg gaan met zorgverzekeraars of de verpakkingsindustrie, of de transportsector, of de retail om te zien wat er mogelijk is. In plaats van in de achterkamertjes proberen wat te ontwikkelen dat als het succesvol is binnen de kortste keren gekopieerd wordt door een huismerk. En als dat goed werkt, profiteert indirect ook de boer en tuinder. Doordat er vraag blijft naar grondstoffen. En soms wellicht naar hele specifieke.
In de nationale discussie over innovatie in de agrosector worden m.i. de twee niveaus in de keten teveel door elkaar gegooid. Er zijn beelden dat de sector niet innovatief is omdat veel boeren 'alleen maar' naar schaalgrootte streven, resp. omdat de innovaties in de voedingsmiddelenindustrie te weinig consequenties hebben voor de primaire landbouw. Ik zou er voor willen de pleiten hier de markt gewoon zijn gang te laten gaan. Geen blauwdruk maar vertrouw op ondernemerschap en een lerende sector. In de termen van de veranderkunde van de Caluwe: groen veranderen in plaats van blauw of rood veranderen.
Er bestaat zoiets als padafhankelijkheid en als het voor de industrie het meest profijtelijk is om te kiezen voor innovaties in de verwerking die weinig consequenties hebben voor boeren en tuinders (anders dan een vraag naar grondstoffen), terwijl er tegelijkertijd een aantal boeren zijn die zich op de zorg of natuur storten, waarom zouden we daar dan tegen zijn. Wees blij dat er innovatie is, en laat de richting aan de markt over. Dat is al lastig genoeg, zeker nu je niet meer alleen moet leren je op De Consument te richten maar op de waardecreatie voor allerlei groepen van consumenten. Daar helpt wellicht open innovatie bij. En een open mind over innovatie.
Goed initatief dus, zo'n diner pensant tussen de bomen - het zet aan tot bomen en nadenken.

de foto komt van www.boomkwekerij-harderwold.nl

woensdag 18 oktober 2006

terug naar vandaag

Vandaag sloegen we de "eerste damwand" voor een nieuw kantoorgebouw waar het LEI over 16 maanden intrekt. Driehonderd meter van het huidige kantoor in Den Haag. In het plan van de post-modernistische, Spaanse architect Ricardo Bofill die bekend staat om context gevoelige ontwerpen. Het ziet er inspirerend uit.
We bloggen nog even door, want ik begreep gisteren uit de NRC dat het schrijven van verhalen helpt (als een van de weinige therapien) tegen depressies. Dichten niet, want dat is niet narratief genoeg. En het trekt ook nog depressieven, van beroepsschrijvers zijn dat bovengemiddeld. Doorbloggen dus, maar niet te veel.
En dan is er de laatste dagen nog de canon: 50 onderwerpen uit de geschiedenis die we allemaal zouden moeten kennen. Zoals bij alle lijstjes is meteen de vraag wat er ontbreekt. Het zal je niet verbazen dat de opmerking hier gemaakt wordt, maar landbouw en economie scoren niet hoog. Met enige goede wil arresteer ik de Hunebedden (landbouwvolk), Beemster, van Goch (aardappeleters en zonnebloemen) en 1953 (watersnood). En misschien de VOC en de buitenhuizen. Maar geen Batavieren, Bintje, Staring, IJsselmeerpolders. Geen koeien en tulpen. Kortom: kan Frau Antje er niet in?

dinsdag 17 oktober 2006

een boerin met noten op haar zang

Over noten gesproken: op dezelfde bijeenkomst van vrijdag was een boerin die twee noten op haar zang had. In de eerste kon ik me wel vinden: we moeten af van het woord subsidies bij vergoedingen voor landschapsonderhoud. Als boeren geld ontvangen om weidevogels te laten broeden (door hun grasland later te maaien) of om houtwallen te onderhouden, dan spreken we (en in ieder geval de EU) van subsidies. Betrokken boerin ziet het als een kostenvergoeding voor een dienst, die je aan de overheid verkoopt. Net zoals de wegenbouw of de baggerindustrie vooral voor de overheid werkt (afgezien van een geprivatiseerde haven NV die een haven uit laat baggeren), en dan zeggen we ook niet dat de baggerindustrie of de wegenbouw wordt gesubsidieerd. Ze krijgen gewoon betaald voor hun dienstverlening.
Subsidies zijn negatieve belastingen die de overheid betaalt om de kosten van arbeid of kapitaal te drukken. Daardoor kan bijvoorbeeld het Nederlands Ballet voorstellingen aanbieden tegen een prijs die lager ligt dan de kostprijs. Of een werkgever kan een te laag geschoolde werkloze aannemen. Kost- en marktprijzen worden door subsidies dus kunstmatig bijgesteld. Een vergoeding voor onderhoud of aanleg van een houtwal wordt -althans in de ogen van de boerin- niet gegeven om de melk beneden kostprijs aan te kunnen bieden. Anderen zien dat overigens soms wel zo: in dat type landschap ligt de kostprijs hoger, en dat moet je dan subsidieren om de melk te kunnen laten produceren. Ik heb wel sympathie voor het standpunt van de boerin: zo wordt landschapsonderhoud een aparte dienst, waar je een markt voor kunt creeren.
En vandaar dat ik minder sympathie had voor haar tweede noot: de EU schrijft voor dat dergelijke vergoedingen op kosten gebaseerd moeten zijn om te voorkomen dat sprake is van staatsteun. Gevolg is dat er (voor het gemiddelde bedrijf) geen winst gemaakt kan worden op het leveren van zo'n dienst. Maar als je een concurrerende markt zou hebben (bv. via tendering van het onderhoud: wie dat het goedkoopst kan, mag het werk uitvoeren zoals bij het baggeren van een rivier) dan zou er ook weinig winst in de vergoeding zittten. Het gemiddelde bedrijf maakt ook geen winst op het leveren van melk, dus waarom dan wel op het onderhouden van de houtwal? Waarom dat zo is, is een ander verhaal - die economische theorie schrijf ik ook nog wel eens op. Mijn verwachting is dus dat het veranderen van die EU regelgeving op dit vlak weinig euros voor de aanbieders van de diensten zal opleveren.

maandag 16 oktober 2006

Noten kraken: opportunity cost van arbeid leidt tot specialisatie



Tijd voor de walnotenoogst. We hebben er veel dit jaar, maar ze zijn wat aan de kleine kant. Blij toe, want vorig jaar sloeg een bladvirus ziekte toe met als gevolg al vroeg een kale boom en geen noten. En de vrees dat we boom om zouden moeten zagen.

Laten we ook nog even een economische noot kraken. Op de bijeenkomst waarover ik gisteren al blogde vertelde een jonge boer dat hij recent besloten had te trouwen, de ouderlijke boerderij over te nemen en te stoppen met de kaasmakerij. Dat speet hem duidelijk - dat er na generaties geen kaas gemaakt meer zou worden.
Zijn moeder was er bij haar trouwen nog ingestapt en had haar baan in een manufacturenwinkel opgezegd. Zo kon ze werk en kinderen combineren. Zijn kersverse echtgenote is verloskundige en heeft een eigen praktijk. Dat brengt meer op dan kaasmaken, dus geen kaas meer op deze boerderij.

Economen zien hier een paar dingen. Allereerst dat er een rationele keuze gemaakt wordt op basis van de (netto) opbrengst per uur. En die is in het eigen beroep hoger. Dat komt steeds meer voor omdat mensen hoger opgeleide banen hebben dan vroeger, of meer in hun werk (in dit geval een eigen praktijk) hebben geinvesteerd. Dat maakt van type werk veranderen minder aantrekkelijk. Verder kan een rol spelen dat je ook niet makkelijk terug kunt, en niet alleen voor de liefde maar ook voor werk en inkomen afhankelijk wordt van je huwelijk. Ook boerenhuwelijken houden niet als vroeger per definitie stand en dus gaat switchen ook gepaard met risico's. En tot slot is de reistijd tot het werk buiten de boerderij afgenomen: met de auto is de verloskundige waarschijnlijk sneller (en mogelijk relatief goedkoper) bij haar klanten dan haar schoonmoeder bij de manufacturenzaak. Een hoop redenen voor specialisatie dus, zo verdwijnt het gemengde bedrijf.

Economen vinden dit overigens geen echt probleem. De hogere opleiding en hogere verdiensten per uur betekenen meer welvaart. En als er een tekort aan boerenkaas komt, gaat de prijs wel omhoog zodat de echtgenote alsnog de switch maakt of in een andere, vergelijkbare situatie er voor kaasmaken wordt gekozen. In het jargon: product- en arbeidsmarkt komen vanzelf weer in evenwicht.

de foto haalde ik van www.treklens.com en is gemaakt door Didier Schaeken

zondag 15 oktober 2006

melkveehouderij naar 2020


Vrijdag waren we weer eens op de Eemland hoeve. Nu voor een bijeenkomst over duurzaamheid in de melkveehouderij. Ik mocht er een verhaal houden over duurzaamheid en concurrentiepositie, naar aanleiding van een door ons (het LEI bedoel ik) gepubliceerd rapport. Er volgde een nuttige en open discussie, met bijvoorbeeld weinig vooringenomen standpunten over de relatie tussen bedrijfsgrootte en duurzaamheid [vaak worden grote bedrijven als weinig ecologisch duurzaam gezien terwijl kleine bedrijven juist veel eerder te intensief zijn en zeker niet economisch duurzaam]. Over de conclusies gaat de Stuurgroep Technology Assessment voor de kerst de minister adviseren - dus daar hoor je me hier niet over.
Mijn eigen indruk (en inbreng in de discussie) is dat de ontwikkelingen in de melkveehouderij tot 2020 aardig vastliggen: een forse autonome schaalvergroting waarbij denken in kostprijs centraal staat (vanwege liberalisatie beleid) en meer toegevoegde waarde in producten voor bepaalde groepen (segmenten) van consumenten. Die produkten komen deels van de grote zuivelconcerns (die het nog veel over "de" consument hebben, in plaats van 'groepen van consumenten'), deels van kleine nieuwkomers a la Heida Zuivel. Het zou me verbazen als meer dan 10% van de boerderij melkstroom in 2020 apart gehouden wordt en in die produkten gaat. En het zal dan niet eens altijd om reden van landschap (inclusief de fameuze weidegang van koeien) zijn. De redding van het landschap komt dus niet uit de markt - als er iets gered moet worden en te redden valt. Zo gaan de koeien op stal vanwege verkaveling, niet schaalgrootte an sich.
We werden gevraagd wat we de nieuwe minister zouden adviseren in deze. Mijn suggestie a titre personel zou zijn:
  • spreek niet meer over DE melkveehouderij, er zijn segmenten (de Rouveen-specialty melkerij etc)
  • faciliteer de innovaties die de maximaal 10% melkstroom in speciale producten proberen tot stand te brengen
  • zorg voor een realistische beoordeling en beeld van de relatie schaalgrootte en duurzaamheid: een melkveebedrijf van 1000 koeien in de Veekolonien is wellicht duurzamer dan een zetmeelaardappelbedrijf in de Veenkolonien of een melkveebedrijf met 60 koeien in Brabant - of niet: laat dat eens uitzoeken.
  • kijk of je weidegang kunt stimuleren door kavelruil e.d.
  • kijk of je landschap kunt behouden door te betalen voor publieke zaken als houtwallen.
  • en laat verder de sector zich gewoon ontwikkelen, dan komt het wel goed.

de foto komt uit het Bomenblad van Alterra en is gemaakt door Theo Tangelder

vrijdag 13 oktober 2006

Flying Dutchman en corruptie in Kameroen

Een paar dagen geleden besprak ik het boek 'undercover economist' met een hoofdstuk over de corruptie in Kameroen en het effect daarvan op de economie. Een leuk verhaal over die corruptie is te vinden in het KLM blad the Flying Dutchman dat deze week uit is. Ik krijg althans allerlei mailtjes en smsjes met de complimenten voor mijn bijdrage. Waarvoor dank

woensdag 11 oktober 2006

Systeemdenken

Wie geintereseerd is in veranderingen, is ook geinteresseerd in hoe een systeem in elkaar zit - anders kun je niet zien wat, laat staan begrijpen waarom, het verandert. Er bestaan handige technieken om systemen te schetsen en daarin patronen te zien. Dat is het vak van de systeemkunde. Een aardig boek op dat vlak is: Bill Bryan, Michael Goodman en Jaap Schaveling: Systeemdenken - ontdekken van onze organisatiepatronen. Uitgegeven bij Academic Services
Er ligt nog een uitdaging om de (succesvolle) patronen in onze landbouweconomie van afgelopen 150 jaar met systeempatronen een beeld te brengen.

zondag 8 oktober 2006

undercover economist

Wie de economische invalshoek in huis-, tuin- en keukenjargon (althans dat hoop ik) van deze blog bevalt, kan ik het boek The undercover economist van Tim Harford aanraden. Ik las het in mijn vakantie en hoewel ik de titel wat matig vindt, is het een leuk boek. Hij legt om een fantastische manier het marktmechanisme uit en er is ook een mooi hoofdstuk over Kameroen, met praktische illustraties van het verwoestende effect van het ontbreken van goed bestuur (good governance en instituties in het jargon). Dat laatste sprak me aan omdat ik daar begin jaren tachtig ooit eens op vakantie was - sinds die tijd is het alleen maar erger geworden zo vrees ik.
Net als deze blog neemt het boek vaak actuele, soms alledaagse, feiten en licht die vanuit de algemeen economische theorie toe om meer inzicht te creeren. Aanbevolen dus.

Tim Harford: the undercover economist, Little Brown - UK, 2006

vrijdag 6 oktober 2006

keuzes en maakbaarheid

Deze week kwam er een reactie binnen van blogger Peter die op ww.peterspagina.blogspot.com dagelijks opinieert over keuzes in en maakbaarheid van de samenleving. Neem een kijkje op zijn site of volg de discussie bij de blog van gister over nut en noodzaak van quota.

donderdag 5 oktober 2006

oesters, New York en externalities


Een ander boek dat ik van harte kan aanbevelen is Mark Kurlansky's boek Oesters van New York - een stadsgeschiedenis. Het beschrijft op boeiende wijze de geschiedenis van New York, waar tot voor kort oesters een belangrijke rol speelden. Ik vertelde er eergisteren tijdens wat small talk aan de lunch enthousiast over aan mijn Franse collega C.M. en zij kreeg meteen beelden van hoofdstukken als 'oesters en indianen', 'oesters en de Nederlanders' en 'oesters en gangsters'. Kurlansky's titels zijn beter, maar wat de inhoud betreft komen al deze zaken wel aan de orde. Kurlansky schreef eerder boeiende geschiedenissen over kabeljauw en over zout. Ook van harte aanbevolen.
Het boek bevat een boeiende beschrijving van twee economische effecten, die niet met name worden genoemd. De eerste is het bestaan van 'externalities', externe effecten. Dat zijn de effecten (positief of -veelal- negatief in de vorm van schade) die privaat handelen hebben op derden (de maatschappij) die niet bij het handelen zijn betrokken. Als ik met een auto rijdt, veroorzaak ik wellicht geluidsoverlast waar de buren last van hebben, of draag ik bij aan klimaatsverandering waar de maatschappij in zijn totaliteit last van heeft. De standaard remedie van economen is dan om via een belasting (of bij positieve effecten een subsidie) de prijs van het handelen (in dit geval via de benzine) te veranderen, zodat we bij het wel of niet een stukje extra autorijden ook vanzelf rekening houden met het maatschappelijk effect.
De oesterbanken van New York gingen vooral ten onder aan de milieubelasting (extern effect) van de fabrieken, maar ook van het storten van huisvuil in het water. Daarnaast speelde ook overbevissing een grote rol. Dat staat bij economen bekend als de Tragedy of the commons: de tragedie van het gemene bezit. Omdat iedereen die vist (of schapen weidt op een gemeenschappelijke heide) zijn eigen winst zo groot mogelijk maakt, en geen rekening houdt met de externality dat de vis dan uitsterft, of de hei overbeweid wordt, wordt er meer geoogst dan goed is voor de instandhouding van de bron. Op het eind is iedereen dan slechter af. Dat is de tragedie van gemeenschappelijk bezit. De remedie daartegen is optreden van een overheid die het eigendom beheert en quota / vergunningen uitgeeft, zoals in de visserij, mits die dan ook niet te ruimhartig worden vrijgegeven. Nog beter is de vergunningen / quota te veilen en verhandelbaar te maken, zodat ze bij de beste vissers / schaaphouders terecht komen.
Aan de theorie van de externalities is de naam van de econoom Pigou verbonden; de theorie van de Tragedie is in 1968 gepubliceerd door Garrett Hardin.

de foto komt van: www.woodbridge.tased.edu.au/mdc

woensdag 4 oktober 2006

Mansholt en de keukentafel

Uit de biografie over Mansholt (zie de vorige blog) leerde ik nog iets, wat ik eigenlijk wel had moeten weten: dat de Nederlandse bouwboeren in de jaren zestig niet ontevreden over de socialistische EU Commissaris waren, omdat het uniforme EU prijsniveau voor hen een stijging van de graan en suikerprijzen inhield.
Bij ons thuis werd er in die jaren positief over Sicco Mansholt gesproken. Ik associeerde dat met een zekere trots op zo'n belangrijke Nederlander in den vreemde. En met het onderschrijven van de Europese gedachte - mijn ouders maakten van nabij de oorlog op Walcheren mee, en die verliep daar verre van rustig. Verder had de CHU bloedgroep waar wij toe behoorden niet zoveel met socialisten.
Maar de prijsstijgingen zullen goed uitgekomen zijn. Mijn vader kreeg de mogelijkheid om in 1963 in Flevoland zijn eigen bedrijf te starten. Dat was een zwaar gefinancierde onderneming waarvoor familie borg stond. Later stonden de jaren zestig bekend als "goede jaren". Dat lag aan de grond, ongetwijfeld aan het ondernemerschap, maar dus ook aan het beleid van Mansholt.

zaterdag 30 september 2006

mansholt: de biografie


Gaarne maak ik je deelgenoot van een aantal goede boeken die ik afgelopen maand tijdens mijn vakantie las. Allereerst

de door Johan van Merrienboer gepubliceerde biografie van Sicco Mansholt, waarover ik begin augustus al even blogde. Een must voor iedereen die in landbouwpolitiek is geinteresseerd.

Het roept de vraag op inhoeverre de Europese integratie (inclusief die van de Balkan) anno 2010 nog staat of valt met een landbouwbeleid. Ik vermoed dat Kroatie niet bij de EU wil voor het landbouwbeleid maar voor de algemene economische en politieke stabiliteit of de euro, maar dat terzijde.

Van Merrienboer maakt duidelijk dat het Mansholt niet om de landbouwpolitiek sec te doen was, maar dat Europese integratie (om de lieve vrede te bewaren) het doel was. Vandaar dat hij het advies naast zich neerlegde om eerst de landbouwstructuur aan te pakken. Dat was nationaal beleid, en door een prijsbeleid op te zetten schoof de macht naar Brussel. Mansholt wist dat hij zeer voorzichtig met prijsverhogingen moest zijn, maar bij de onvoorziene lege-stoelen politiek van De Gaulle ging dat mis. Vervolgens moest eind jaren zestig na het voltooien van de marktintegratie in de landbouw, toch de structuur worden aangepakt. Mansholt's provocerende stijl waarmee hij de afvloeiing van boeren bepleitte, riep teveel weerstand op, zodat de structuurpolitiek verwaterde. Dat de afvloeiing toch via de markt gebeurde is een ander verhaal: als je zijn doelen als voorspellingen interpreteert zat de werkelijkheid er niet zo erg naast (ook zonder harde structuurpolitiek).

Vorige week was ik in Praag voor o.a. een EAAE Seminar over de ontkoppeling van landbouwsubsidies aan de productie (zeg maar het huidige EU beleid). Ik raakte er in gesprek met mijn Italiaanse collega F.S. en de biografie kwam ter sprake. Hij vertelde me dat ook Mansholt het meest trots was op zijn bijdrage aan de integratie, niet op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid an sich. Toen men na een college in de jaren tachtig in Ancona met hem de kroeg indook en durfde te vragen hoe de architect van het GLB terugkeek op de (negatieve) effecten ervan, had hij de studenten nog eens heel duidelijk gemaakt dat de landbouwpolitiek er ook is voor hogere doelen en niet alleen voor de boeren. Op het totstandbrengen van die integratie was hij trots.

De foto is van www.anpfotoarchief.nl, die het copyright heeft (hoewel hij op de cover van het boek staat als copyricht van Spaarnestad Fotoarchief). De biografie is verschenen bij Boom Pers.

woensdag 27 september 2006

backpackers voor de landbouw


De NRC had afgelopen dagen een artikeltje over de drijfveren van de jongelui die als rugzaktoerist naar Australie gaan - de backpackers. In Australie sprak ik er een aantal. Een loon van 650 australische dollar per week, wat bij 40 uur bijna 10 euro per uur zou zijn, werd als realistische beloning genoemd.
Bij velen is werk in de toeristenindustrie favoriet: het is relatief schoon werk en op plekken waar je als backpacker toch ook naar toe wil. Aardbeien en mango's plukken of ander agrarisch werk is minder populair. Niet tot vreugde van de bedrijven die er vrijwel volledig van afhankelijk zijn, zo vermoed ik. Men vertelde me dan ook dat je een werkvergunning voor een jaar alleen voor nog een jaar verlengd kunt krijgen als je eerst 3 maanden in de agrarische sector werkt.
De trend van mechanisatie (op de foto: de oogst van suikerriet) zal dan ook wel onverminderd doorzetten.

zondag 24 september 2006

a tale of three cities: Rockhampton



Tot slot van het serietje blogs over onze rondreis door Queensland, Australie, nog even explicieit aandacht voor het al eerder genoemde Rockhampton.

Rockhampton is de rundvlees hoofdstad (beef capital) van Australie, zo niet de wereld. Die trots uit zich op elke rotonde, die met een standbeeld van een stier (van steeds weer een ander ras) is uitgevoerd. Je kunt er dan ook uitstekend biefstuk eten, zoals in het (relatief) oude Criterion hotel aan de rivier. Voor 10 euro heb je er een uitstekende lunch: net als in Argentinie kost rundvlees hier bijna niets.

Een paar panden verderop langs Quai street, de boulevard langs de rivier, staat het 'Cattle house' van de bedrijfstakorganisaties. Ook in dat rijtje bovenstaand pand waarvoor ik onze huurauto parkeerde: de locale Rabobank, wat tropischer en minder groot dan in ons eigen dorp. Waarmee de foto de globalisering van het agrarisch bankwezen illustreert.

dinsdag 19 september 2006

a tale of two cities: Emerald



Zo'n 400 kilometer ten Noorden van Roma ligt Emerald. Ooit ook begonnen als een agrarisch stadje aan het eind van een spoorlijn. Een tegel-promenade in het stadspark belicht de geschiedenis van Emerald en zijn legendarische State farm die boeren wel eens even zou leren om onder extreme droogte te boeren. Volgens de eerste zin van een boekje in het toeristenbureau overigens een mislukt project. Australiers zijn geen meesters in verhullend taalgebruik.

Extensieve rundveehouderij is er nog altijd belangrijk: ik bekeek het Victoriaanse houten station en daar stond een lange veetrein van Meatpackers die het vee naar de slachthuizen in Rockhampton brengt. Blijkbaar is vervoer van levend vee nog altijd aantrekkelijker dan ter plekke slachten - dat lijkt op een pad-afhankelijkheid uit de tijd van voor de diepvries en koelsystemen. Verder staat er in het stadspark een enorme ezel met een kopie van van Gogh's zonnebloemen. Dat gewas heeft mogelijk de tulpen vervangen die onze management assistente B. er twaalf jaar geleden nog pelde.

In Emerald zag ik zo snel geen kantoor van de Rabobank, maar wel van ABN Amro. En dat is gepast want Emerald is tegenwoordig vooral een mijnbouwstadje. In de omgeving delft men goud, saphieren, koper, zink en steenkool - als je in dagbouw althans ook van delven kunt spreken. En dat is een booming business. De spoorlijn naar de kust wordt zo te zien verdubbeld want alles moet naar China. In twee dagen tijd werden we op de highway drie keer verwezen naar de berm omdat er grote mijnbouwmachines over de volle breedte van de weg van de kust naar het binnenland werden getransporteerd.

Australische stadjes in het binnenland: centraal staan primaire industrieen zoals landbouw en mijnbouw. Ooit heb ik iemand horen beweren dat de erosie in de landbouw in sommige droge jaren zo groot is dat ook dat een vorm van mijnbouw is. Maar dat is een ander verhaal.