zondag 3 mei 2020

John Bates Clarck 2020

De JBC medaille gaat dit jaar naar Melissa Dell, zo meldt The Economist. Het is de jaarlijkse prijs voor de beste jonge econoom (beneden de 40 jaar.) Als studente combineerde ze haar les koloniale economie met een inzicht van een tripje naar Peru en realiseerde zich dat daar een natuurlijk experiment voor het oprapen lag:. In Peru en Bolivia had de Spaanse kolonisator in sommige streken een institutie die bekend staat als het 'mita" systeem: in die regio's moesten tussen 1573 en 1812 moest 1 op de 7 volwassen mannen van de oorspronkelijke bevolking in de zilver en loodmijnen werken. In deze regio's ligt nog heden ten dage het inkomen (gemeten in consumptie) 25% lager, is de bevolking minder opgeleid en is meer afhankelijk van zelfvoorzieningslandbouw dan in de regio's waar het systeem niet gold. Het verleden werkt dus lang na.
In de regio's zonder mita-systeem waren de grote haciënda's dominant. In de mijnbouwregio's zat de overheid niet te wachten op dergelijke concurrenten in de arbeidsmarkt. Die hadden de macht om te lobbyen voor betere wegen en andere publieke goederen. Er was meer ruimte om te investeren, na 1812 was er minder chaos en bandeloosheid. Waarmee meteen aangegeven is dat het idee dat het grootgrondbezit slecht was voor de ontwikkeling van Latijns Amerika genuanceerder ligt dan men vaak stelt.
Op vergelijkbare wijze heeft Dell aangetoond dat in Indonesië de dorpen die dichter bij de Nederlandse suikerfabrieken lagen, het ook vandaag de dag nog beter doen dan verder afgelegen dorpen. Lobbyen voor de vestiging van een groot bedrijf kan dus ook voor toekomstige generaties nuttig zijn. Als je er maar niet schatplichtig aan wordt.

zaterdag 2 mei 2020

Long Read


Mijn long read over het Nederlandse voedselsysteem naar Corona wordt veel gelezen. Dank voor alle reacties op de sociale media, leuk dat het stuk helpt de gedachten te ordenen en de discussie te voeren. Inmiddels staat het stuk op vier plekken, dus je kunt je favoriete opmaak en discussieforum kiezen. Daarnaast wordt er op LinkedIn veel gereageerd.








donderdag 30 april 2020

Almere over het voedselsysteem

Na alle nostalgie op deze blog, vandaag iets contemporains. Een bijeenkomst in Almere kon door de Corona niet doorgaan en als troost stuurde men het eind vorig jaar bij Van Gennep uitgegeven "Boze boeren, LED-lampen en kipdino's." met essays uit de Flevocampus. Leuk boekje.

Janno Lanjouw loopt de systemen voor stadslandbouw langs: open teelt op gebouwen, gesloten teelten op gebouwen en vertical farming,Hij ziet mogelijkheden voor metropolen, maar verwacht ze niet meteen in Nederland omdat de glastuinbouw hier zo sterk is. Maar ziet wel goede exportkansen gezien onze kennis van teelten en licht. Dat is interessant, je hoort vaak dat er een thuisindustrie moet zijn en dat export van technologie al in gevaar komt bij een paar koeien minder. Daar kan dus ook anders over worden gedacht.

Alice Minichini schreef een leuk  essay over systemisch gemeentelijk voedselbeleid en Antonia Mazel liep voor een aantal landen de publieke veranderaars (Pollan, Oliver etc) nog eens langs en hoe verschillend hun achtergronden zijn. Verder bijdragen van Louise  Vet c.s. over biodiversiteit in de stad, van Carolyn Steel hoe steden forse greep hadden op voedselproductie in hun omgeving. Herman Lelieveldt houdt een pleidooi voor het meer Nederlandse producten in de oorsprongsbenaming, die ook best over nieuwe invented producten blijkt te mogen gaan. Hij begint met een mooie schets van de protesten in oktober jongstleden en draagt zo bij aan de titel van het boekje.
Lex Boon scheef een interessant verhaal over Bilal Chicken, een halal kipproducent in Amsterdam die wereldwijd opereert met innovatieve kipproducten (en daarom niet zijn klanten wil uitleggen waar Wormerveer is) en hoe dit contrasteert met de ambtelijke taal van nota's over heel andere ambities van de wethouder.  Bilal heeft na lezing geheel mijn sympathie .Laura van Oers munt de term exnovatie, het omgekeerde van innovatie of wel oude bedrijfstakken de weg versperren. Verder nog wat tweegesprekken in het boekje.

woensdag 29 april 2020

Lijstje: Lucerne-rassen

De naam komt van de Zwitserse stad, niemand schijnt te weten waarom. Het gewas vermoedelijk ookDe Amerikanen noemen het alfalfa, waarom heb ik hier al eens uitgelegd. . In het familiearchief kwam ik een uitgave tegen van de LNV Directie van de Landbouw tegen, ongedateerd maar vermoedelijk uit ca. 1954. Geschreven door ir. P.G. Meijers. Het gewas werd toen vooral in de NOP en in de overstroomde gebieden van het Zuidwesten geteeld, Het wortelt zeer diep tot 1 m. 40 zo laat het boekje zien. Verder kan ik er niet meer van maken dan een lijstje met rassen:

  1. De echte of blauwe lucerne (Medicago sativa), komt uit Turkestan
  2. Sikkel- of zandluncerne
  3. Bastaardlucerne is het gevolg van 1 en 2
  4. Hopperupsklaver
  5. Luzerne de Provence, uit het Rhonegebied, lijkt op de echte, niet met een c maar een z
  6. Luzerne du Poitou uit de gelijknamige Franse landstreek
  7. Luxerne de Marais, uit de Vendee
  8. Luzerne d'Ormelong uit de Beauce
  9. Luzerne flamande uit Vlaanderen. 

dinsdag 28 april 2020

Lijstje: Oude boerderijtypen

In de jaren 70 gaf Elsevier een succesvolle reeks koffietafelboeken uit: Kijk op xxxx, waarbij het vaak om provincies ging. In 1979 verscheen ook Kijk op Boerderijen, van S.J. van der Molen. Ik nam de tijd om er eens een avondje in te lezen. Mooie foto's. De schrijfstijl is niet helemaal de mijne en lijkt me wat gedateerd. Waarom boerderijen gebouwd werden zoals ze gebouwd werden is niet erg duidelijk. Wel dat het carrefour Villa type in Zuid-Limburg niet van de Romeinen afstamt en het Los Hoes in het oosten des lands eerder uit de Middeleeuwen komt dan uit oudere subsistence landbouw. Vermeldenswaardig, en niet onlogisch is nog dat in 17e eeuw de boerderijen in Holland onder invloed stonden van de stedelijke architectuur. De stad was dichtbij en burgers investeerden in landontginning en boerderijen.  Een lijstje dus maar van de 5 typen boerderijen in dit land:

  1. De Friese huisgroep (met daarin de kop-hals-romp boerderijen en de stolp-boerderij)
  2. De Hallehuisgroep (met daarin het los hoes)
  3. De Dwarshuisgroep
  4. De Vlaamse huisgroep
  5. De Zeeuwse huisgroep

maandag 27 april 2020

Koningsdag en Mansholt in 1946

Koningsdag 2020. Fokke en Sukke sturen de Koning een touw, blinddoek en ontbijtkoek, zo zag ik in de NRC. Doet denken aan het oude defilé op Soestdijk. Er waren tijden dat de Koning iets gaf bij een bezoek. Zo kreeg de nog jonge ZLM van Z.M. Willem III die de Zeeuwsche Landbouw Maatschappij in 1851 bezocht, een mooie zweep en een Engelse volbloed hengst. Van die rijzweep had men veel plezier, het werd de hoofdprijs van een ringrijderij te Zierikzee. Maar met de hengst The Farmers' friend zat men nog jaren verlegen. Ik weet niet waarom maar vermoedelijk was juist de Belgische hengst in opkomst.
Ik las dat bij het bladeren in een dun boekje dat verslag doet van het eeuwfeest van die ZLM. Uit 1946 toen men 3 dagen feestvierde. Drie jaar te laat, maar in 1943 paste het niet, de Duitsers hadden de macht overgenomen in de ZLM. HM de Koningin (Wilhelmina) kwam ook. ze kreeg een boek.
Interessant voor de landbouwhistorici is de toespraak van de Minister van Landbouw, Sicco Mansholt die de tentoonstelling kwam openen. Hij werd vooraf gegaan door de voorzitter van de ZLM, ir. M.A. Geuze (die decennialang een grote naam zou opbouwen). Geuze memoreerde de offers van Zeeland in de oorlog en concludeerde onder bijval "De overheid is geen goed psycholoog. zij is als de geestelijke die het Evangelie wil verkondigen aan de allerarmsten en vergeet dat zijn broodsgebrek hebben". Ofwel, kon er geen schadevergoeding komen.
De Minister repliceerde in zijn toespraak dat hij de noden kende, maar dat de overheid geen geld had, en inflatie was al helemaal niet de bedoeling om de handel weer op gang te krijgen. Hij beloofde wel naar wegen te zoeken. Interessant is dat hij volgens de verslaggever"beklemtoonde nog dat voor alles arbeidsproductiviteit nodig is, willen we onzen uitvoer terugwinnen en weer kunnen concurreren op de internationale markt; thans is het prijsverschil nog enorm". 
Waarmee weer maar eens geïllustreerd is dat het Nooit meer honger frame onjuist is, het ging om internationale handel, concurrentiekracht, arbeidsproductiviteit, modernisering.

Nic J. Karhof: 100 jaar ZLM - Flitsen en indrukken van het Eeuwfeest. Uitgave Boekhandel Van der Peijl Souburg.

zondag 26 april 2020

Lijstje: Molens in Zeeland

Een signalering voor de molenliefhebbers: in 1963 verscheen het boek Molens van Zeeland van de hand van M. van Hoogstraten. Met een voorwoord van de CdK, dat was toen nog Jhr. mr. A.P.C. de Casembroot. Lange tijd een bekende naam in het Zeeuwse. Ik bladerde door de tweede herziene druk uit 1972. Vooral een naslagwerk voor deskundigen met beschrijvingen van exterieur en interieur. Maar soms ook wel met interessante details over gebruik en eigenaar. En hoe molens werden hersteld met molens uit heel andere streken waar ze niet meer nodig waren omdat de bemaling overschakelde op stoom of diesel.

Een lijstje dus van 4 molens waar ik mee ben opgegroeid, met hun bouwjaar en naam::
1. Oostkapelle - 1858 molen d'Arke (naar een buurtschap bij Westkapelle waar de eigenaar in 1944 zijn molen vernield zag door oorlogshandelingen en de molen in Oostkapelle overnam en een naam gaf)
2. Zoutelande - 1722  (naamloos, ooit gebouwd door de gemeente Vlissingen die eigenaar was va de heerlijkheid Zoutelande nadat een oude molen was omgewaaid)
3. Brouwershaven 1724 - De Haan
4. Oud-Vossemeer 1850  - De Jager, ook wel Zelden Rust,

zaterdag 25 april 2020

Veldnamen

Binnenkort moet de landbouwtelling met percelen weer zijn ingevuld. In sommige streken zullen daarbij nog veldnamen op eigen kaartjes worden gebruikt. Zelf ben ik er niet mee opgegroeid, in Flevoland hadden kavels een nummer (een letter cijfer combinatie zoals Q5) en die deelden boeren wel in naar percelen, maar die hadden geen naam, die werden aangeduid met het gewas wat er stond..
Elders lag dat wel anders. Ik kreeg een boekje in handen dat de Heemkundige Kring Walcheren in 1984 heeft uitgegeven, waarin men de veldnamen voor Zoutelande en Biggekerke van voor de oorlog (en daarmee de inundatie en de ruilverkaveling) heeft geïnventariseerd. Met ook nog de nodige pogingen namen te verklaren. Namen staan in dialect op de kaart, dus Zoutelandse voetpad staat op de kaart als Zoetelandse voetpad. Altijd wat verwarrend dat zout en zoet, maar de naam komt echt van salsa terra (zoals het in oude kronieken wordt aangeduid), naar zoute gronden. Dat was goed mogelijk, misschien door kwel, omdat de duinen daar niet breed waren (en het dorp instoven, de inwoners hadden dan ook de zandvreters als bijnaam). In 1958 werden ze ook vervangen door een dijk / boulevard, waar een complete straat voor werd afgebroken en de kerkring dus aan de dijk kwam te liggen. De alternatieve verklaring dat het plaatsje gesticht zou zijn door een drenkeling die bij aanspoelen gezegd zou hebben "zo, te lande"moet dus als onzin worden beschouwd.
Zoutelande kent ook een aantal gehuchten of buurschappen zoals Werendijke, St. Janskerke en Boudewijnskerke. Dat laatste is dan weer Buiskerke in het dialect, de gemoedelijke naam Buis (zoals in Buis Ballot) verwijst naar Boudewijn. Snabbeldorp wordt wel zo genoemd, maar had niet die status van buurtschap. tussen 1572 en 1574 was er het beleg van Middelburg door de geuzen. Daarbij werden veel kerken verwoest om de vijand geen ruimtes te geven om te schuilen. Die zijn lang niet allemaal herbouwd, men moest maar centraler gaan kerken. Maar in 1616 is de toren van de kerk van Boudewijnskerke nog vernieuwd, voor de scheepvaart (vgl. de toren van Westkapelle). Pas in 1868 werden de restanten afgebroken. Geen wonder dat mijn familie nog wel eens zei dat ze van Buiskerke kwamen.
Ook van die boerderij staan er veldnamen op de kaart: de Kloaverweie (de klaverweide dus), de Padweie of Tweede Weie en de Derde Weie. De naam padweie lijkt samen te hangen met het voetpad van Zoutelande naar Domburg dat door de weide en langs de boerderij liep. Er was ook nog een perceel Oostwegt, dat lag dus aan de Oostweg, een naam die veel meer werd gebruikt (heb ik de indruk) dan de huidige naam Baaiweg en SintJanskerkeweg. Alle 3 waren op de kaart alternatieven.
En de plek waar de boerderij ligt, lijkt overeen te komen met de plek waar  volgens de tiendbeschrijving  Lapperts hofstede lag Vermeld in 1364. Wie Lappert was blijft onduidelijk.

vrijdag 24 april 2020

Naar de tropen

Punten sparen bij producten, een fenomeen dat het in Nederland goed doet. Douwe Egberts is er al jaren kampioen in. Zo kreeg ik het inplak album Naar de tropen in handen. Ergens net na de oorlog geschreven door de fotograaf Wim Bersenbrugge. Het was de opvolger van het album Kleurenvlucht. Ongetwijfeld geïnspireerd door de Verkade albums van voor de oorlog. Het vliegen was nog steeds een luxe bijzonderheid en moest gepopulariseerd. De KLM leverde dus zijn aandeel en vlieger-schrijver A. Viruly tekende voor de tekst van Kleurenvlucht. Voor Naar de Tropen was dat W. de Keijzer. Het was ook de tijd waarin het mogelijk werd om goede kleurenfoto's te maken en betaalbaar te reproduceren.
Het album beschreef allerlei havenplaatsen en landen waar je op reis naar Batavia langs kwam, van Genua en Rome via Egypte, India, Thailand (Siam) en Singapore tot Insulinde. Met zowel ervaringen per boot als per DC 6. Interessant dat er ook nog een KLM lijntje via Khartoum en Mauritius naar Batavia (nu Jakarta) heeft bestaan.
Naar de Tropen meldt hoe zo'n album werkte, althans voor Kleurenvlucht. Het album was te bestellen voor 450 DE punten of 2 gulden veertig. Dan zaten de eerste 5 plaatjes ingeplakt. De andere moest je bestellen. In 3 series van 9 plaatjes, Een serie kostte 75 punten.
Het album kondigde ook nog een opvolger aan: die zou geheel over Nederlands-Indië gaan. Of dat nog voor de onafhankelijkheid gelukt is heb ik zo snel niet kunnen achterhalen. Maar met zo'n album wordt het wel steeds duideljiker waarom er zoveel sympathie is voor blauw op de landingsbaan en DE koffie en thee. Die ondernemingen profiteren er nog van.

donderdag 23 april 2020

De institutionele economie van de melkbus

Melkbussen waren in het industriële tijdperk nodig om de melk naar de fabriek te transporteren. Dat gebeurde door de zogenaamde melkrijders. Die werden op jaarbasis door de fabriek gecontracteerd. Hoewel er geloof ik ook wel fabrieken waren met een eigen wagenpark. Als de data bewaard gebleven waren over alle fabrieken en systemen zou je er een mooi institutioneel-economische scriptie mee kunnen schrijven.
De melkritten werden in de regel aanbesteed, bij inschrijving maar soms werd er ook wel met kostprijscalculaties gewerkt. Je had kortere en langere ritten. Vroege ritten waren ook vaak dicht bij de fabriek, om die op te laten starten, en kosten niet veel.
Het waren vaak kleinere boeren die inschreven en dan met paard en wagen of later de trekker in de ochtend wat bijverdienden en in de middag hun eigen bedrijf deden. Aanvankelijk mochten ze niet hun eigen melk aanvoeren vanwege het risico van fraude (beetje aanvullen met andermans melk) maar dat was later niet altijd haalbaar. Vandaar dat overgiet verbod (zie de blog van gisteren).
Ze moesten ook goed liggen bij de boeren (die de lege bussen weer netjes langs de weg terug wilden en al helemaal geen deuken of verloren deksels) en collega-melkrijders op de fabriek helpen lossen. Contracten verschilden ook in die los-routines: soms werkte een fabriek met volgorde van aankomst maar dat gaf nog wel eens duw en trekwerk bij de poort. Anderen hadden een vaste volgorde, als je te vroeg was moest je wachten op je nummer. Uiteindelijk mondden de contracten uit in complete reglementen met artikelen. Zoals Öp de bussen mag niet worden gezeten.
Er waren ook nog situaties waarbij melkrijders ook ondermelk tegen korting konden krijgen voor hun paard. Wie dicht bij de fabriek woonde mocht vaak ook zelf zijn melk wegbrengen - iets wat ook bij suikerbieten voorkwam. En zo een kleine toeslag kon verdienen, hoewel de afstand van de fabriek in de uitbetalingsprijs geen rol speelde. De tarieven waren een veel voorkomend bestuursonderwerp, zeker ook in de moeilijke jaren dertig. Een marxistisch georiënteerd onderzoeker zou hier zo maar kunnen concluderen dat de klassenstrijd hier werd uitgevochten tussen de grotere boeren in het coöperatiebestuur (die soms ook zeer sociaal voelend konden zijn) en de kleine boeren-melkrijders.
Fabrieken concurreerden met elkaar (ook coöperaties aan hun grenzen) en met name bij boeren die ver van de openbare weg af zaten (dat kon wel een km zijn) was er soms het aanbod dat men de bussen bij de schuur kwam ophalen. Wat dan weer in het contract van de melkrijder moest. Zo waren op de Veluwe de melkritten altijd erg lang omdat de concurrentie groot was en er soms wel 5 melkrijders door de weg kwamen - kortom dat gedoe over thuisbezorgen van pakketten heden ten dage is al erg oud.

woensdag 22 april 2020

de sociologie van de melkbus

Ook onder boeren speelt status een rol. Legio zijn de verhalen dat bedrijfsgrootte een rol speelde in de huwelijksmarkt: hoeveel ramen / bochten / spanten / mendeuren heeft de stal/schuur van de vader van de verkering? Ook melkbussen speelden een rol in dit spel. Er waren vroeger genoeg boeren die de 30 liter bussen (waar maximaal 27 liter in mocht) af en toe eens met 20 - 25 liter vulden en zo een paar bussen meer op de dam langs de weg konden zetten.  De melkrijders hadden dat natuurlijk wel door, maar waren soms verboden om bussen over te gieten. Dit o.a. uit het oog van controle in het systeem (waarover morgen meer). Vaak pakte het dan ook averechts uit, want de melkrijder briefde dit feit natuurlijk rond, om te beginnen aan zijn collega's (vaak kleine boeren die dit erbij deden) bij het lossen van de bussen aan de fabriek.
Rond de melkbus deed zich ook een taakverdeling tussen boer en boerin voor. Zuivel was oorspronkelijk de taak van de vrouw (die wilde in de 19e eeuw ook nog wel eens melken, en in ieder geval maakte zij al of niet met de meid de boter of kaas) en het schuren van de lege bussen die terugkwamen was dan ook haar taak. Tot -na stemming door de coöperatieleden, wat in de regel de mannen waren - de fabriek besloot tot een centrale reinigingsinstallatie. Die natuurlijk uit de melkprijs betaald moest worden.
De melkbus was ook vaak de postbode. Er waren wel fabrieken die het ledenblad en de afrekening mee teruggaven in het deksel of in de bus. En leden konden een briefje bij de bus doen om de melkrijder opdracht te geven kaas of boter uit de fabriek mee terug te brengen.

Leuk boekje dus: De Laatste Melkbus van Coberco, 1989.

dinsdag 21 april 2020

De economie van de melkbus

Niet alleen het trekpaard (zie vorige blogs) is een product van de industriële revolutie, maar ook de melkbus is dat.. Ik kreeg het boekje "De laatste melkbus"in handen, een uitgave van Coberco (een voorloper van FrieslandCampina) dat ze in 1989 uitgaven. Samengesteld door hun directiesecretaris P.H.L. Willemsens, en de stukjes werden eerder gepubliceerd in Zuivelzicht, het FNZ orgaan dat toen nog onder redactie stond van Hans Siemens.
De melkbus werd naar Duits model geïntroduceerd toen melk vervoerd moest worden naar de fabriek, eind 19e eeuw. Voor die tijd werd melk op de boerderij tot kaas of boter verwerkt en dat ging met emmers en een juk of met melkkannen. Dat was genoeg voor de bedrijven met veelal een paar koeien. Maar toen de verzuiveling de boerderij verliet en geïndustrialiseerd werd, moest er een "ding van ijzer" komen om de melk te vervoeren. het boek 100 jaar landbouwmechanisatie van Van der Poel wordt aangehaald. Niet voor niets heetten ze in het Vlaams vervoerskruiken.
In de weidestreken waren de bussen vaak 30 a 40 liter, op de zandgronden met kleinere bedrijven maar 20 liter. Het ging om grote aantallen: in 1951 maakte De Jong in Gorredijk er 40.000 en dat was niet de enige leverancier. In 1963 begon een eerste proef met de melktank, in de jaren 70-80 kreeg die de overhand. Dat leidde nog tot een hoop gedoe in de coöperaties want het betekende verplichte investeringen voor de boeren. daar zat niet iedereen op te wachten en sommige boeren zagen zich gedwongen een jaartje eerder dan gepland te stoppen. Coberco ontving zijn laatste bus in 1984 maar Rouveen ging langer door.  Het einde kwam omdat de arbeidsproductiviteit verder omhoog moest: de bussen waren te arbeidsintensief geworden. De melkbus werd postbus, paraplubak of carbidschiet-attribuut.

maandag 20 april 2020

De heilige koe

De heilige koe associëren we met India (en de autolobby), maar nu zijn er aanwijzingen dat dit al heel lang onderdeel is van onze cultuur. Op 8 april kwam NRC in zijn wetenschapsrubriek met een artikel dat de Universiteit Kiel archeologisch onderzoek heeft gedaan naar de trechterbekercultuur. in een Noord-Duitse graflocatie die in gebruik was tussen 3640 en 2900 voor Christus. Ze onderzochten scherven op voedselresten. De aardewerkfragmenten uit het dorp vertoonden sporen van granen, varkensvlees, zuivel, rundvlees. De fragmenten uit de grafheuvel vertoonden echter alleen sporen van koemelk-producten en rundvlees. Kennelijk werden alleen die producten aan de doden meegegeven. Van de latere late steentijd was bekend dat het rund een specifieke plek had: er zijn graven gevonden van hele dieren, al dan niet vlak naast een menselijk graf.

zondag 19 april 2020

de pest en de mens

In mijn long read over de effecten van Corona op het Nederlandse voedselsysteem die ik in de vorige blogpost meldde, voorzie ik twee assen: de staat krijgt een grotere rol resp. we veranderen onze opvattingen over duurzame en gezonde leefstijl. Over die laatste as wordt het meest gespeculeerd. In dat opzicht is de column van Michel Krielaars in de NRC van vrijdag boeiend.
Hij las A distant mirror - the calamitous 14th century (in het Nederlands: de Waanzinnige 14e eeuw) van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman. Met de mooie uitspraak van Voltaire: "De geschiedenis herhaalt zich nooit, de mens altijd".
Tuchman haalt een in de column niet nader genoemde historicus die de nasleep van de 1e wereldoorlog (al of niet met Spaanse griep) vergeleek met de zwarte dood van 1348-1350 en in beide gevallen stuitte op "economische chaos, sociale onrust, hoge prijzen, woekerwinsten, verdorven moraal, gebrek aan productie, industriële indolentie, bezeten vroljkheid, ongeremde uitgaven, luxe, losbandigheid, sociale en religieuze hysterie, hebzucht, inhaligheid, wanbestuur, verval van goede manieren".
We zijn er dus nog niet doorheen, de beschaving is een dun laagje. Je mag hopen dat onze kennis van de economie en de mogelijkheden die te managen inmiddels groter zijn.

vrijdag 17 april 2020