zondag 22 februari 2026

ENCK

Enigszins in de herinnering (althans in de mijne) weggezakt is het feit dat in Vlaardingen de Eerste Nederlandse Coöperatieve Kunstmestfabriek actief was.. De boeren in Zuidwest Nederland kochten eind 19e eeuw vooral stikstofmeststoffen en superfosfaat, kortweg super, aan. Dat was goed oplosbaar in bodemvocht en zorgde dat de planten fosforzuur konden opnemen. In het begin werd er door de handel veel gesjoemeld met de kwaliteit en vanaf 1882 was dat door de Rijksproefstations te controleren. Boeren vormden aankoopverenigingen, die van Aardenburg staat (niet geheel terecht) bekend als de eerste. De plaatselijke hoofdonderwijzer, ook wandelleraar van de ZLM, George August Vosterman van Oyen. later ook lid van Provinciale Staten en de Tweede Kamer, was daar de drijvende kracht (1878). De boeren konden profiteren van de concurrentie tussen de fabrikanten, waaronder enkele Nederlandse bedrijven met een grote industriële opzet. Tot de Nederlandse en Belgische fabrikanten afspraken gingen maken die inhielden dat ze de aankoopverenigingen onderling verdeelden en voor de show wel inschreven, maar net wat boven de afgesproken prijs. Het kwam aan het licht doordat sommige agenten of commissionairs trots waren dat ze konden voorspellen wie de order zou binnenslepen en daar over opschepten. In 1903 nam de secretaris van de aankoopvereniging Wolphaartsdijk, de lokale onderwijzer, een poging om een coöperatieve fabriek op te zetten. Dat mislukte, maar leidde wel tot prijsdalingen van de geschrokken fabrikanten. In 1915 fuseerden de 'speculatieve' fabrieken tot de Vereenigde Chemische Fabrieken en door de oorlog wa ook deimport uit Belgie weggevallen. De prijsstijgingen waren aanleiding de plannen weer uit de kast te halen. Onder leiding van Pieter Lindenbergh werd in 1916 de Zeeuwsche Cooperatieve Kunstmestfabriek opgericht. Die zou in Vlissingen moeten komen, maar gelijktijdig was er onder leiding van Douke Kloppenburg ook een initiatief in Friesland ,Groningen en Drenthe voor een fabriek in Delfzijl.  Op aandringen van de DG van Landbouw (Petrus van Hoek) kwam het tot samenwerking. In het voorjaar van 1917 werd de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Kunstmestfabriek opgericht met als leden de twee regionale coöperaties. Een topcoöperatie dus voor 9.000 boeren, goed voor 45.000 ton product. De fabriek kwam in Vlaardingen aan de Nieuwe Waterweg.  De VCF probeerde het nog op een akkoordje te gooien en de bouw te voorkomen, maar vond de eis van de boeren om tegen kostprijs te leveren niet acceptabel. 

De fabriek kwam in 1921 in productie en had een capaciteit van 200.000 ton, de grootste van Europa. En een van de grootste coöperatieve bedrijven van Nederland. Kloppenburg werd voorzitter en gedelegeerd bestuurder die directeur Bakema terzijde moest staan. Dat bleek geen succes., beiden waren niet erg rolvast en bemoeiden zich met het werk van de ander. In 1922 werd Kloppenburg gewoon bestuurslide en Lindenbergh voorzitter. En er kwam een ander gedelegeerd bestuurslid. Een van de problemen was dat de fabriek grootschalig was opgezet om de kostprijs laag te houden, maar daardoor veel meer produceerde en moest verkopen dan de leden nodig hadden. Dat schuurde in de cooperatieve opzet. In 1924 was de fabriek voor tweetende "speculatief".  Een van de klanten was het Centraal Bureau (later Cebeco) dat voor andere aankoopverenigingen en coöperaties inkocht. Dat gaf tegengestelde belangen in de coöperatieve familie. Waarbij de ECNK veel moest overleggen met de boeren via de twee lid-cooperaties.  Op de duur zou het cooperatieve karakter van de ECNK verdwijnen. Hydro Agri zou er  in 1990 het boekje Windemill wiken naar de wind gekeerd - van boerencooperatie naar internationale organisatie aan wijden. 

Geen opmerkingen: