vrijdag 20 februari 2026

ENCBS

 De eerste nederlandse coöperatieve bietenfabriek werd in 1899 gesticht. Het verhaal is redelijk bekend maar in een verhaal over Pieter Lindenbergh uit Wemeldingein het nummer van de Spruije van voorjaar 2024 worden er nog wat smeuigge detials opgedist.

Het is bekend dat Belgische en later West-Brabant vanaf 1850 van de grond waren gekomen hadden natuurlijk suikerbieten nodig. Soms huurden ze zelf land van boeren, vaker sloten ze teeltcontracten af. De samenwerking was gebrekkig. Boeren kregen zaaizaad, kunstmest en een voorschot waarmee ze de teelt konden regelen. Maar er ontstond ook grote afhankelijkheid en geruzie over de uitbetalingsprijs op kilo's terwijl het zaaizaad werd veredeld en verstrekt voor een hoog suikergehalte.  Maar per boer meten van het suikergehalte was moeilijk te organiseren. Er ontstond een machtsspel dat escaleerde. In 1884 gingen boeren telersverenigingen oprichten.  Als tegenreactie kwam er een Bond van Suikerfabrikanten. In 1892 kwam de telersvereniging van Terneuzen met het plan zelf maar een fabriek te bouwen. Dat was niet zo simpel. De fabriek in Sas van Gent zou bijna een miljoen gulden kosten. De telersverenigingen wisten met de ZLM om 173 boeren voor het plan te vinden die 1028 ha bieten wilden committeren. Vooral uit Oost-Zeewsvlaanderen, maar ook met een een groep uit Zuid-Beveland. Zij werden vertegenwoordigd in het bestuur door genoemde Lindenbergh.   Op 19 oktober 1899 werd in een logement in Axel de Eerste Nederdlandsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek opgericht. De eerste voorzitter was Karel Jan André Gyon baron Collot dÉscury.  Hij was burgemeester van Hontenisse en rentmeester van het Kroondomein (de Nassau-domeinen). en werd de motor van de organisatie. 

 In de jaren 20 stond de prijs van de suikerbieten onder druk en in 1929 leidde dat tot een conflict in de ledenvergadering. Een aantal leden had het gemunt op het dagelijks bestuur. Dat bestond in hun ogen uit een 'zeer oue man (oprichter Pieter Lindenbergh), twee werpachters, en twee van hun pachters. Een van de verpachters was Hendrik baron Callot dÉscury, zoon van de oprichter en schoonzzon van de andere verpachter in het bestuur. De opstandelingen vonden dat in krantenadvertenties geen gezonde samenstelling en eisten kostenbesparingen, ook op de lonen. Boeren moesten geen slaaf zijn van het personeel. In 1931 was er zelfs het voorstel de fabriek te sluiten. Twee kritici kregen zitting in het algemeen bestuur, maar men wist ze buiten het dagelijks bestuur de houden en zo te neutraliseren door er op te wijzen dat het bestuur eensgezind naar buiten treedt.  

bron: Klaasjan Visscher: Pieter Lindenbergh: Boer, bestuurder en bruggenbouwer in de eerste industriële landbouwcoöperaties in: De Spuije  nummer 121, voorjaar 2024

Geen opmerkingen: