zaterdag 28 februari 2026

Grootbrondbezit

 In onzekere tijden is grond het goud van de landbouwsector, zo stelde een makelaar pas. Ook overtollig kapitaal uit de rest van de economie vind soms zijn weg naar landbouwgrond. In Duitsland heeft de familie die ooit ALDI heeft opgericht (en daar nog aan de touwtjes trekt)al in 2020 een akkerbouwbedrijf van 6.000 ha gekocht, zo meldden de media. Ze hadden er toen al een van 3.000 ha en zijn nu de grootste akkerbouwer van Duitsland. Overigens vooral voor belegging, niet om de groentes voor het schap te telen, zo denk ik. 

Inmiddels is er een Australische investeerder die 20.000 ha gekocht heeft, althans een controlerend belang in de DAH Groep (november 2025). Misschien daarmee wel de grootste is. Twee dingen lijken na de Aldi aankoop in 2020 veranderd: de schaalgrootte gaat blijkbaar ook aan de bovenkant door. Schaalvoordelen van lagere kosten lijken er dan niet meer, mogelijk zijn wel de financieringskosten zo lager. En meer dan toen bemoeit nu de politiek zich er mee. Strategische auttonomie is een thema. Hoewel Australie een bevriende natie is en je grond niet makkelijk meeneemt. Volgens links is er sprake van uitverkoopt door de Heimat van de Boden 

zondag 22 februari 2026

ENCK

Enigszins in de herinnering (althans in de mijne) weggezakt is het feit dat in Vlaardingen de Eerste Nederlandse Coöperatieve Kunstmestfabriek actief was.. De boeren in Zuidwest Nederland kochten eind 19e eeuw vooral stikstofmeststoffen en superfosfaat, kortweg super, aan. Dat was goed oplosbaar in bodemvocht en zorgde dat de planten fosforzuur konden opnemen. In het begin werd er door de handel veel gesjoemeld met de kwaliteit en vanaf 1882 was dat door de Rijksproefstations te controleren. Boeren vormden aankoopverenigingen, die van Aardenburg staat (niet geheel terecht) bekend als de eerste. De plaatselijke hoofdonderwijzer, ook wandelleraar van de ZLM, George August Vosterman van Oyen. later ook lid van Provinciale Staten en de Tweede Kamer, was daar de drijvende kracht (1878). De boeren konden profiteren van de concurrentie tussen de fabrikanten, waaronder enkele Nederlandse bedrijven met een grote industriële opzet. Tot de Nederlandse en Belgische fabrikanten afspraken gingen maken die inhielden dat ze de aankoopverenigingen onderling verdeelden en voor de show wel inschreven, maar net wat boven de afgesproken prijs. Het kwam aan het licht doordat sommige agenten of commissionairs trots waren dat ze konden voorspellen wie de order zou binnenslepen en daar over opschepten. In 1903 nam de secretaris van de aankoopvereniging Wolphaartsdijk, de lokale onderwijzer, een poging om een coöperatieve fabriek op te zetten. Dat mislukte, maar leidde wel tot prijsdalingen van de geschrokken fabrikanten. In 1915 fuseerden de 'speculatieve' fabrieken tot de Vereenigde Chemische Fabrieken en door de oorlog wa ook deimport uit Belgie weggevallen. De prijsstijgingen waren aanleiding de plannen weer uit de kast te halen. Onder leiding van Pieter Lindenbergh werd in 1916 de Zeeuwsche Cooperatieve Kunstmestfabriek opgericht. Die zou in Vlissingen moeten komen, maar gelijktijdig was er onder leiding van Douke Kloppenburg ook een initiatief in Friesland ,Groningen en Drenthe voor een fabriek in Delfzijl.  Op aandringen van de DG van Landbouw (Petrus van Hoek) kwam het tot samenwerking. In het voorjaar van 1917 werd de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Kunstmestfabriek opgericht met als leden de twee regionale coöperaties. Een topcoöperatie dus voor 9.000 boeren, goed voor 45.000 ton product. De fabriek kwam in Vlaardingen aan de Nieuwe Waterweg.  De VCF probeerde het nog op een akkoordje te gooien en de bouw te voorkomen, maar vond de eis van de boeren om tegen kostprijs te leveren niet acceptabel. 

De fabriek kwam in 1921 in productie en had een capaciteit van 200.000 ton, de grootste van Europa. En een van de grootste coöperatieve bedrijven van Nederland. Kloppenburg werd voorzitter en gedelegeerd bestuurder die directeur Bakema terzijde moest staan. Dat bleek geen succes., beiden waren niet erg rolvast en bemoeiden zich met het werk van de ander. In 1922 werd Kloppenburg gewoon bestuurslide en Lindenbergh voorzitter. En er kwam een ander gedelegeerd bestuurslid. Een van de problemen was dat de fabriek grootschalig was opgezet om de kostprijs laag te houden, maar daardoor veel meer produceerde en moest verkopen dan de leden nodig hadden. Dat schuurde in de cooperatieve opzet. In 1924 was de fabriek voor tweetende "speculatief".  Een van de klanten was het Centraal Bureau (later Cebeco) dat voor andere aankoopverenigingen en coöperaties inkocht. Dat gaf tegengestelde belangen in de coöperatieve familie. Waarbij de ECNK veel moest overleggen met de boeren via de twee lid-cooperaties.  Op de duur zou het cooperatieve karakter van de ECNK verdwijnen. Hydro Agri zou er  in 1990 het boekje Windemill wiken naar de wind gekeerd - van boerencooperatie naar internationale organisatie aan wijden. 

vrijdag 20 februari 2026

ENCBS

 De eerste nederlandse coöperatieve bietenfabriek werd in 1899 gesticht. Het verhaal is redelijk bekend maar in een verhaal over Pieter Lindenbergh uit Wemeldingein het nummer van de Spruije van voorjaar 2024 worden er nog wat smeuigge detials opgedist.

Het is bekend dat Belgische en later West-Brabant vanaf 1850 van de grond waren gekomen hadden natuurlijk suikerbieten nodig. Soms huurden ze zelf land van boeren, vaker sloten ze teeltcontracten af. De samenwerking was gebrekkig. Boeren kregen zaaizaad, kunstmest en een voorschot waarmee ze de teelt konden regelen. Maar er ontstond ook grote afhankelijkheid en geruzie over de uitbetalingsprijs op kilo's terwijl het zaaizaad werd veredeld en verstrekt voor een hoog suikergehalte.  Maar per boer meten van het suikergehalte was moeilijk te organiseren. Er ontstond een machtsspel dat escaleerde. In 1884 gingen boeren telersverenigingen oprichten.  Als tegenreactie kwam er een Bond van Suikerfabrikanten. In 1892 kwam de telersvereniging van Terneuzen met het plan zelf maar een fabriek te bouwen. Dat was niet zo simpel. De fabriek in Sas van Gent zou bijna een miljoen gulden kosten. De telersverenigingen wisten met de ZLM om 173 boeren voor het plan te vinden die 1028 ha bieten wilden committeren. Vooral uit Oost-Zeewsvlaanderen, maar ook met een een groep uit Zuid-Beveland. Zij werden vertegenwoordigd in het bestuur door genoemde Lindenbergh.   Op 19 oktober 1899 werd in een logement in Axel de Eerste Nederdlandsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek opgericht. De eerste voorzitter was Karel Jan André Gyon baron Collot dÉscury.  Hij was burgemeester van Hontenisse en rentmeester van het Kroondomein (de Nassau-domeinen). en werd de motor van de organisatie. 

 In de jaren 20 stond de prijs van de suikerbieten onder druk en in 1929 leidde dat tot een conflict in de ledenvergadering. Een aantal leden had het gemunt op het dagelijks bestuur. Dat bestond in hun ogen uit een 'zeer oue man (oprichter Pieter Lindenbergh), twee werpachters, en twee van hun pachters. Een van de verpachters was Hendrik baron Callot dÉscury, zoon van de oprichter en schoonzzon van de andere verpachter in het bestuur. De opstandelingen vonden dat in krantenadvertenties geen gezonde samenstelling en eisten kostenbesparingen, ook op de lonen. Boeren moesten geen slaaf zijn van het personeel. In 1931 was er zelfs het voorstel de fabriek te sluiten. Twee kritici kregen zitting in het algemeen bestuur, maar men wist ze buiten het dagelijks bestuur de houden en zo te neutraliseren door er op te wijzen dat het bestuur eensgezind naar buiten treedt.  

bron: Klaasjan Visscher: Pieter Lindenbergh: Boer, bestuurder en bruggenbouwer in de eerste industriële landbouwcoöperaties in: De Spuije  nummer 121, voorjaar 2024

dinsdag 17 februari 2026

Ossevate

Mij werd een exemplaar van De Spuije ter hand gesteld. Ik ken het niet, maar het is het blad van de Heemkundige kring van de Bevelanden. Het gaat om aflevering 121 uit voorjaar 2024. Er staan een paar interessante verhalen in. De eerste over De Ossevate,, een boerderij bij Borsele, genoemd naar het oude dorpje Ossenvate, dat genoemd was naar een drinkput (vate) voor vee, maar in 1532 met de rest van de polder wegspoelde. De stad Goes liet het in 1616 opnieuw bedijken en een van de boerderijen kreeg de naam van het oude dorpje. 

Wat ik niet wist is dat deze beleggingen van investeerders vaak als huwelijkscadeau of bruidsschat in de vrouwelijke lijn werden gebruikt als hun deel in de erfenis, terwijl de zoons in de zaak of als hoge overheidsfunctionaris bleven. Zo was de eerste eigenaar Johan Reijgersberg, lid van een belangrijke protestantse regentenfamilie in Veere, met hoede connecties bij de Oranjes. Zijn dochter Maria erfde de boerderij bij haar huwelijk met baron Willem van Liere, die een fortuin had gemaakt in dienst van de Doge van Venetië. Hij kocht de heerlijkheid Katwijk, en daar liggen ze in een praalgraf. De Ossevate ging naar hun dochter Jacoba van Liere toen ze trouwde met Jadob van Wassenaer en waarmee ze later op kateel Duivenvoorde in Voorschoten woonde. Haar vier dochters bleven ongehuwd, en dat was aanelding tot verkoop aan een Middelburgse regent. Pas na 1750 komt de boerderij in boerenhanden. 

bron: Hans de Vos: Osse)n)vate, Borsels gehucht en Borsselse hoeve in De Spuije, nr. 121, voorjaar 2024

zondag 15 februari 2026

(G)een woord Spaans


 De Spaanse bank Cajamar vierde 50ste verjaardag met een bundel artikelen over agrarische kennis- en innovatiesystemen. In het Spaans. Samensteller Tomas Garcia Azcarate vroeg me om een bijdrage over Nederland en die vriendendienst was op basis van eerdere publicaties niet zo moeilijk. De bundel verscheen eind vorig jaar maar bereikte me in een tweede poging via de post pas recent. Los sistemas de investigaction e innovacion agroalimentaria en el mundo is de titel van de bundel. Overigens schrijf en spreek ik geen woord Spaans, ongetweijfeld is mijn bijdrage in het Engels netjes vertaald. 

dinsdag 10 februari 2026

 Inmiddels loopt er op Foodlog enige discussie over het Rli advies Grond voor Verbetering. Zie alhier

donderdag 5 februari 2026

Grond voor verbetering

 De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur bracht vanochtend het advies Grond voor Verbetering uit. Er zijn de nodige prikkels om in grond te beleggen waar ondernemende boeren en de verduurzaming last van hebben. Daar kan wel wat aan gebeuren. Zie hier het advies en bijbehorend materiaal, zoals de interviews in de pers.