De NRC had vandaag een stukje over het mannelijke karakter van onze achternamen. Velen kregen hun achernaam van hun vader (Jansen ofwel Jans zoon), of van een mannelijk beroep: er zijn wel bakkers maar geen bakers (dat ligt in het Engels anders maar daar is de baker geen kraamvrouw). Velen blijken ook genoemd naar de naam van het huis waar ze woonden.
Wat in het stukje ontbrak is waarom we namen zijn gaan geven. Volgens Ab Utrecht Dresselhuis (p.23) kwam dat door de kruistochten. Voor die tijd noemde men iemand bij zijn doopnaam en eventueel zijn vaders naam. Dus Jan Klaassen. Maar bij de kruistochten waren er zoveel mensen samen dat dit zelfs bij de (lagere) edelen tot verwarring leidde, en voegde men de plaatsnaam toe. Het werd dus Jan van Arkel. Voor de adel althans. Als men van plaats veranderde, of beter, als een zoon ergens anders ging wonen nam die dus makkelijke een andere naam aan.
Boeren (althans in het rivierengebied) begonnen in de Gouden Eeuw een achternaam te kiezen, althans als ze bestuurlijke functies kregen en zich belangrijk begonnen te voelen.